Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w73 1/2 blz. 90-94
  • Jehovah sterkt degenen die bewijzen loyaal te zijn

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Jehovah sterkt degenen die bewijzen loyaal te zijn
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1973
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • MIJN DOOP LEIDT TOT EEN BEPROEVING OP MIJN LOYALITEIT
  • ZEGENINGEN ALS GEVOLG VAN DE VOLLE-TIJDPREDIKING
  • DIENSTBEZOEKEN BRENGEN AAN DE STAMHOOFDEN
  • NAOORLOGSE VOORRECHTEN EN BEPROEVINGEN
  • Zegeningen in gunstige tijd en in moeilijke tijd
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2015
  • Ik laat me door Jehovah de weg wijzen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk (studie-uitgave) 2022
  • Jehovah zorgt altijd voor ons
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2003
  • Jaarboek van Jehovah’s getuigen 1974
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1974
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1973
w73 1/2 blz. 90-94

Jehovah sterkt degenen die bewijzen loyaal te zijn

Zoals verteld door Gresham Kwazizirah

IK WERD geboren in een klein stadje, Ncheu genaamd, in het Afrikaanse land dat toen Brits Centraal-Afrika heette, later Nyassaland werd genoemd en nu Malawi heet. Het was toen nog geen wettelijk vereiste om in een geboortenregister te worden ingeschreven, maar ik geloof dat het omstreeks 1896 was. In die tijd hadden Europese zendelingen en missionarissen van verschillende religieuze denominaties ons hongerige Afrikaanse mensen de bijbel gebracht. Aangezien ik op school Engels had leren lezen en schrijven, was ik al een tijdlang een gretige lezer van Gods Woord de bijbel.

Aan het eind van mijn schoolopleiding gaf onze ouderling van de presbyteriaanse Kerk ons de gelegenheid hem vragen over de bijbel te stellen. Ik had al lang de betekenis van Openbaring 17:1-5, over het mysterie van „Babylon de Grote”, willen begrijpen. Ik vroeg hem deze passage uit de Schrift te verklaren.

Streng antwoordde hij: „Dit is niet de tijd dat een mens dit schriftgedeelte kan uitleggen, maar wij wachten tot Jezus’ wederkomst en dan zal hij de betekenis hiervan geven.” Ik was er innerlijk niet mee tevreden; ik dacht dat iemand, ergens, toch wel de verklaring moest hebben.

Na verloop van tijd vond ik werk in het Centrale Ziekenhuis in de hoofdstad, Zomba. Toen ik daar werkte, nam ik op zekere dag een uitnodiging aan om naar een religieuze bijeenkomst van personen te komen die de uitdrukking „Wachttoren” gebruikten. Deze bijeenkomst zou een grote verandering in mijn leven teweegbrengen.

Toen ik met hen bijeenkwam, luisterde ik naar de lezing, getiteld: „God heiligt zijn organisatie”, waarin het boek Openbaring werd verklaard. Mijn aandacht werd geboeid terwijl ik terugdacht aan de ouderling die niet in staat was geweest mijn vraag omtrent „Babylon de Grote” te beantwoorden.

MIJN DOOP LEIDT TOT EEN BEPROEVING OP MIJN LOYALITEIT

Aangezien ik onder de indruk was gekomen van de waarheden uit Gods Woord, besloot ik mijn werk in het ziekenhuis vaarwel te zeggen en naar huis terug te keren om met deze organisatie samen te werken, aangezien een groep van hen daar in de buurt vergaderde. Toen ik de opzieners van de groep had gevonden, vroeg ik hun om de zeven delen van de Studies in the Scriptures, uitgegeven door het Wachttorengenootschap. Toen ik de zeven delen uit had, vroeg ik de opzieners mij te dopen.

Zij vertelden mij dat het, aangezien ik een leraar in de presbyteriaanse Kerk was geweest, raadzaam zou zijn als zij eerst met mij meegingen naar de districtscommissaris (de plaatselijke regeringsfunctionaris voor inlandse aangelegenheden onder het Britse koloniale stelsel) in de nabijgelegen stad, om de kwestie uit te leggen, ingeval de presbyterianen mij moeilijkheden in de weg zouden leggen. Wij brachten een bezoek aan de districtscommissaris en in januari 1925 werd ik gedoopt.

Toen het nieuws de predikant van mijn vroegere presbyteriaanse gemeente bereikte, waarschuwde hij al mijn vroegere metgezellen dat ik zou trachten andere leden van zijn gemeente te bekeren. Ik maakte een moeilijke tijd door toen ik naar de districtscommissaris werd gebracht, dezelfde persoon die wij vóór mijn doop hadden bezocht, onder de valse beschuldiging dat ik de mensen wilde „onderwijzen dat er oorlog uit Amerika zal komen waarin alle stamhoofden en ook de districtscommissarissen gedood zullen worden, waarna zij [de Amerikanen] hun plaatsen zullen innemen”.

De districtscommissaris nam mij een maand in hechtenis en gaf de zaak in behandeling van de provinciale commissaris, een hogere regeringsfunctionaris. Aldus leidde mijn doop tot een beproeving op mijn loyaliteit. Zou ik Jehovah en zijn organisatie trouw blijven of zou ik mijn geloof als gevolg van de druk van kerkelijke zijde bevreesd verloochenen? Ik besloot loyaal te zijn.

De provinciale commissaris ging ondertussen naar mijn woonplaats Ncheu om de zaak te onderzoeken en een oordeel uit te spreken. Hij kwam tot de conclusie dat de door de predikant geuite beschuldigingen ongegrond waren en uit jaloezie voortsproten. Hij zei tegen de districtscommissaris dat hij bij het onderzoeken van de lectuur van het Wachttorengenootschap geen enkele passage was tegengekomen waardoor de beschuldiging werd bewezen. Ik werd daarom uit de gevangenis ontslagen, gesterkt en vastbesloten om Jehovah’s werk voort te zetten.

ZEGENINGEN ALS GEVOLG VAN DE VOLLE-TIJDPREDIKING

Enige tijd later ging ik van huis weg en werd ik als employé van de Nyassische Spoorwegen naar Moçambique gezonden. In 1933 ontving ik een brief van een Europese vertegenwoordiger van het Wachttorengenootschap, R. A. McLuckie, die naar Malawi kwam om een filiaal voor het Genootschap te openen. Toen ik dit nieuws las, liet ik mijn baantje als telegrafist in Moçambique onmiddellijk in de steek en haastte ik mij om hem te ontmoeten. Ik werd al gauw als volle-tijdprediker van Gods Woord aangesteld en naar mijn eerste toewijzing, in Chiradzulu, gezonden. Hier werd mijn bediening bijzonder door Jehovah gezegend, en na zes maanden ging ik naar een nieuwe toewijzing, vele bekendmakers van het goede nieuws als de kern van een sterke gemeente achterlatend.

Toen ik naar mijn volgende toewijzing, te Mangochi, bij de zuidpunt van het Malawimeer, ging, sloot een andere volle-tijdprediker, broeder Kupheka, zich bij mij aan. Omdat de verbindingen in die tijd slecht waren, moesten wij de dozen met lectuur van Zomba naar Mangochi op ons hoofd dragen, een tocht van bijna honderd zestig kilometer. Onze last werd echter steeds lichter, daar wij de meeste lectuur onderweg verspreidden. Het was in dit gebied doorgaans moeilijk om met de mensen te spreken omdat zij de islam aanhingen. Zij waren diep in traditie en bijgeloof verstrikt. Wij troffen slechts één geïnteresseerde persoon aan met wie wij gedurende ons viermaandse verblijf aldaar omgingen.

Het Genootschap achtte het nuttig ons een nieuwe toewijzing te geven. Deze keer zouden wij naar Lilongwe gaan, waar destijds één gemeente was maar waar zich veel geïnteresseerde personen bevonden. Wij wisten dat het van Mangochi een verre tocht was, 285 kilometer. Wij maakten ons hier echter niet al te bezorgd over, want de vreugde van de volle-tijdbediening gaf ons kracht en wij kwamen daar aan na vijf dagen gelopen te hebben. Onze moeite werd beslist beloond, want de mensen in ons nieuwe gebied waren hun wereldse gewoonten en vals-religieuze tradities beu. Zij stonden daardoor open voor de waarheden uit Gods Woord, die hen van dit juk zouden bevrijden. Binnen korte tijd kwamen er in tweeëntwintig plaatsen in dat gebied Getuigen en geïnteresseerde personen bijeen.

Tegen het einde van het dienstjaar 1935 werd ons gebied uitgebreid met de nabijgelegen stad Dowa, waar de Koninkrijksboodschap ook gunstig werd ontvangen. Onze activiteit werd wederom dermate door Jehovah gezegend dat er na slechts vier maanden op vier nieuwe plaatsen bekendmakers van het goede nieuws bijeenkwamen.

Op 10 oktober 1935 werd ik in een nieuwe dienstpositie aangesteld, namelijk als een regionale dienstleider zoals wij toen genoemd werden. In deze nieuwe toewijzing reisde ik door de gehele noordelijke provincie van het land ten einde mijn christelijke broeders en zusters met hun bediening te helpen en bijbellezingen te houden. In het begin was ik zenuwachtig bij de gedachte aan de grote verantwoordelijkheid die ik hierdoor te dragen kreeg en vroeg ik mij af of ik mij wel van deze taak kon kwijten. Ik bemerkte echter dat Jehovah mij de kracht gaf om zijn wil te doen als ik mij maar op hem verliet.

DIENSTBEZOEKEN BRENGEN AAN DE STAMHOOFDEN

Het behoorde ook tot mijn toewijzing in het noorden van het land de plaatselijke stamhoofden, die ons werk in hun gebied hadden verboden, te bezoeken. Het Wachttorengenootschap voorzag mij voor dat doel van een introductiebrief aan alle stamhoofden, met hun naam erop vermeld. Opdat ik ons werk duidelijk kon uiteenzetten en geholpen zou worden de Koninkrijksboodschap te verbreiden, had het Genootschap er regelingen voor getroffen dat ik overal waar dit maar mogelijk was een lezing zou houden over „De dagen van Noach”.

In het eerste dorp dat ik bezocht, las het stamhoofd de introductiebrief, waarop hij onmiddellijk al zijn onderdanen bijeenriep te zamen met de religieuze leiders en andere vooraanstaande personen in zijn gebied. Hij trad als voorzitter van de vergadering op door het thema van mijn lezing bekend te maken en de aanwezigen te verzoeken de gehele lezing aandachtig aan te horen, aangezien zij daarna in de gelegenheid gesteld zouden worden vragen te stellen. Er waren geen vragen toen ik klaar was met spreken, en daarom zei het stamhoofd: „Als u zwijgt, is er geen reden de Getuigen te verbieden in dit gebied van mij te prediken.”

Een van zijn raadgevers stond toen op en zei: „Welnu, uwe excellentie het stamhoofd, deze jongeman heeft de waarheid gesproken, zoals niet ontkend kan worden, en niemand schijnt ook maar iets tegen de punten die wij zojuist gehoord hebben, te kunnen inbrengen.”

Het stamhoofd antwoordde daarom: „Ik heb mijn gebied voor de Getuigen geopend, zodat zij hier kunnen prediken, en als iemand hen tegenstaat, zal hij beboet worden.”

Ik voelde mij gesterkt toen ik zag dat Jehovah’s geest mij ondersteunde om zijn werk te doen. Hoewel de griffier van de rechtbank van het stamhoofd mij aan een magische betovering trachtte te onderwerpen en de bedreiging uitte dat ik diezelfde nacht zou sterven omdat ik erin was geslaagd het stamhoofd ertoe over te halen onze prediking goed te keuren, overkwam mij geen kwaad, ondanks de gevaarlijke ontmoeting die ik die nacht had met een zwarte mamba, een vergiftige slang.

Naarmate de stamhoofden ons predikingswerk beter begrepen, werd geleidelijk aan de gehele noordelijke provincie voor onze getuigenisactiviteit geopend. Ik ben dankbaar dat Jehovah mij heeft gebruikt om het werk daar te openen en ik was enthousiast te zien hoe de sterkeren werden aangemoedigd, de zwakkeren werden gesterkt en de gemeenten in aantal toenamen.

NAOORLOGSE VOORRECHTEN EN BEPROEVINGEN

Na de Tweede Wereldoorlog werden wij beter georganiseerd voor expansie. In 1946 werden Jehovah’s getuigen in kringen georganiseerd en werden er halfjaarlijkse kringvergaderingen gehouden. Ik werd in dat jaar als districtsopziener van Jehovah’s getuigen aangesteld, en het was mijn voorrecht het gehele land af te reizen om kringopzieners en kringvergaderingen te bezoeken.

Ik heb altijd heel veel waardering gehad voor de omgang met zendelingen van de Wachttoren Bijbelschool Gilead, die vanaf eind 1948 het land begonnen binnen te komen. Sommigen van hen hielpen mij in het districtswerk en later, toen ik in maart 1957 kringopziener werd, trok ik veel voordeel van hun ervaring, nuttige raad en voorbeeld.

In juli 1960, toen ik ongeveer vierenzestig jaar oud was, was het Genootschap zo attent mij, met het oog op mijn leeftijd, als speciale pionierbedienaar aan te stellen. Sinds die tijd ben ik getuige geweest van een voortdurende expansie in het Koninkrijkswerk in Malawi, aangezien het aantal bekendmakers van Gods koninkrijk van 14.000 tot ruim 23.000 is toegenomen. Ik heb ook twee periodes van intense vervolging meegemaakt, in 1964 en 1967a, en ik heb mij erover verwonderd hoe Jehovah ons heeft gesterkt zodat wij deze vervolging konden doorstaan.

Ik ben zelf ook een aantal keren in contact gekomen met fanatieke partijleden die mijn leven bedreigden. Nadat een groepje van hen mijn huis had verlaten, stuurden zij een man met een mes die had moeten zweren dat hij mij zou doden. Toen hij bij mij binnenkwam, was ik me net aan het scheren. Ik gaf hem een stoel zodat hij kon gaan zitten. Hij trok heimelijk zijn mes, maar ik zag het omdat ik mij omdraaide. Hij begon te beven toen hij besefte dat ik het gezien had. Ik vroeg: „Bent u gekomen om mij te doden?”

Hij zei dat hij erop was uitgestuurd om dit te doen en noemde de namen van de drie personen, die hem hadden gestuurd. „Zij zeggen dat u ervoor verantwoordelijk bent dat de mensen geen [politieke partij] kaarten kopen. Daarom hebben zij mij erop uitgestuurd om u te doden”, ging hij voort. „Hier ben ik”, zei ik. Maar hij antwoordde angstig: „Nee.” Toen gingen wij beiden naar buiten en hij ging naar huis. De drie mannen die hij opnoemde, gingen ermee voort mij lastig te vallen en mijn leven te bedreigen, maar niet lang daarna werd hun leider gevangen gezet wegens opstandige daden tegen de regering.

Wij hier in Malawi hebben beproevingen meegemaakt zoals onze christelijke broeders en zusters in andere landen onder Hitler, Mussolini, Stalin en anderen hebben moeten doorstaan. Maar wij zijn dankbaar dat Jehovah’s organisatie ons door middel van raad in de publikaties van het Genootschap op vurige beproevingen heeft voorbereid. Dat de zendelingen in 1967 het land werden uitgewezen en het bijkantoor werd gesloten, doordrong ons des te meer van het feit dat het huidige goddeloze samenstel van dingen steeds dichter bij zijn einde komt en spoedig zal worden verwijderd.

Als ik terugkijk op mijn bijna veertig jaren volle-tijddienst, ben ik blij dat ik bij Jehovah’s organisatie ben gebleven. Jehovah’s organisatie heeft mij de antwoorden op mijn vele bijbelse vragen gegeven, met inbegrip van mijn vraag over de identiteit van „Babylon de Grote”. Wat ben ik dankbaar voor het door het Wachttorengenootschap uitgegeven boek „Babylon de Grote is gevallen!” Gods koninkrijk heerst!, waarin duidelijk wordt bewezen dat het mystieke Babylon de Grote niets anders is dan het wereldrijk van valse religie! Wat ben ik dankbaar voor de voorrechten die ik heb ontvangen om mensen te helpen „Babylon de Grote” te ontvluchten voordat het te laat is! — Openb. 18:4.

Ook ben ik dankbaar voor de kracht die Jehovah mij heeft gegeven om deze vele jaren voorwaarts te gaan. Ik heb gedurende deze tijd gezien dat de vervolgers van Jehovah’s volk geen succes hebben gehad; sommigen van de vervolgers hebben zich zelfs vernederd en zijn zelf Getuigen geworden. Daarom zie ik samen met mijn getrouwe christelijke broeders en zusters in Malawi vol vertrouwen uit naar de toekomst, wetend dat Jehovah ons zal sterken voor wat wij misschien nog moeten meemaken, zolang wij maar bewijzen loyaal te zijn.

[Voetnoten]

a Na het schrijven van deze ervaring is er in Malawi opnieuw vervolging uitgebroken.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen