’Gods kracht in zwakheid tot volmaaktheid gebracht’
ZOALS VERTELD DOOR R. B. BRICKELL
IN 1932 koos het Wachttorengenootschap mij uit voor de buitenlandse predikingsdienst — in Malaysia. Ik verliet dus Australië en ging op weg naar mijn toewijzing, als de enige vertegenwoordiger van Jehovah’s christelijke getuigen onder een bevolking van negen miljoen. Een krachtig predikingsprogramma in Singapore en van daaruit naar het noorden, naar Kuala Lumpur, werd onderbroken door een ernstige ziekte. Deze had een hartkwaal tot gevolg waardoor ik voor de rest van mijn leven invalide werd verklaard. Ondanks deze van jaren her daterende zwakheid kan ik nu terugzien op meer dan veertig jaar van volle-tijdprediking. Ik kan werkelijk zeggen dat Jehovah’s kracht door bemiddeling van Christus ’in mijn zwakheid tot volmaaktheid is gebracht’. — 2 Kor. 12:9.
In 1925, toen ik een jongen van zestien jaar was, kreeg ik het boek The Way to Paradise van het Wachttorengenootschap in handen en dit bracht mij op de weg ten leven. Toen ik twee jaar later langs een tweedehands boekwinkel in Auckland (Nieuw-Zeeland) liep, kocht ik Het goddelijke plan der eeuwen. Ik las het boek grondig, waarbij ik speciaal de verwijzing opmerkte naar het „colporteurswerk”, dat wil zeggen het volle-tijdpredikingswerk onder leiding van het Wachttorengenootschap. Ik ging erover denken mijn leven aan Jehovah op te dragen en als een volle-tijdprediker te dienen. Ik stond echter niet met de Bijbelonderzoekers, zoals Jehovah’s getuigen toen werden genoemd, in verbinding. Mijn pogingen hen te vinden, hadden geen succes.
In oktober 1929 zag ik in een Wellingtonse krant echter een advertentie die vermeldde waar de Bijbelonderzoekers voor studie bij aankwamen. Ik nam geestdriftig contact met hen op en binnen veertien dagen begon ik Gods Woord van huis tot huis te prediken. Er werden regelingen getroffen voor mijn doop en elf weken later stuurde ik mijn aanvraag voor het volle-tijdpredikingswerk in.
DE VOLLE-TIJDPREDIKING TOT MIJN CARRIÈRE MAKEN
In januari 1930 begon ik mijn carrière als volle-tijdprediker van Gods Woord. De twee en een half jaar dat ik in Nieuw-Zeeland predikte, gingen snel voorbij. In deze tijd werd de boodschap van Gods koninkrijk voornamelijk in gedrukte vorm in de handen van de mensen gelegd. Ten einde het gedrukte woord te verspreiden, maakte ik in 1931 een voettocht van ruim driehonderd kilometer, waarbij ik boerderijen bezocht die op een kuststrook rond de schilderachtige zeeëngten van Marlborough gelegen waren. Jehovah zegende mijn krachtsinspanningen en in dat jaar besteedde ik gemiddeld 174 uur per maand aan het predikingswerk, terwijl het zo uitkwam dat ik elke maand ook 174 boeken verspreidde.
In 1932 werd ik overgeplaatst naar Australië, waar ik naar het noordelijke deel van de staat Queensland ging ten einde afgelegen gebied te bezoeken. In sommige steden hadden de mensen nog nooit eerder bezoek van een Getuige gehad. En zo bracht een fietstocht van ruim 1900 kilometer mij van Rockhampton over een bergrug en door waterloos woestijnland naar Normanton. Ik was zwaar bepakt met dekens, kleren, voedsel en zestig gebonden boeken voor de velddienst. Onderweg werden mij extra lectuurvoorraden gezonden.
In vijf maanden volbracht ik mijn toewijzing. De laatste driehonderd kilometer legde ik lopend naast mijn fiets af, daar de banden versleten waren en in die streek niet gerepareerd konden worden. Terwijl ik liep, smeekten sommige veefokkers die ik tegenkwam mij niet verder te gaan en haalden gevallen aan van anderen, die waren omgekomen toen zij dezelfde tocht trachtten te ondernemen. Maar mij was een toewijzing toevertrouwd en dus ging ik, met volledig vertrouwen op Jehovah’s leiding, verder om deze te volbrengen.
Vanuit Queensland ging ik naar Malaysia. Na mijn ernstige ziekte daar keerde ik in 1934 naar Australië terug. Was mijn carrière als volle-tijdprediker afgelopen? Het scheen zo. Het Wachttorengenootschap zorgde ervoor dat ik een tijd rust kreeg en na door een natuurarts te zijn behandeld, voelde ik mij veel beter. Ik hervatte dus mijn volle-tijdprediking.
In juni 1936 installeerden mijn metgezellen in de bediening en ik een geluidswagen om in de stad Meeniyan, in de staat Victoria, bijbellezingen uit te zenden. Er kwam een politieagent op ons af, die zei: „Als u niet ophoudt, zullen de zakenlieden uw auto omgooien”, en hij voegde eraan toe: „Ik raad u aan de stad te verlaten.”
„Bestaat er een verordening waardoor ons werk onwettig zou zijn?” vroeg ik.
„Dat niet”, was het antwoord, „maar het is de zakenlieden volkomen ernst en er kunnen moeilijkheden komen.”
Ik opperde tegen de politieagent dat wij in ons recht stonden en recht op zijn bescherming hadden. Wij reden met onze wagen tot middenin de zakenwijk en weldra weerklonk de op grammofoonplaten opgenomen lezing van de toenmalige president van het Wachttorengenootschap, J. F. Rutherford, getiteld: „Waarschuwing.” Duidelijk klonken de eerste woorden: „Vrijheid van spreken en aanbidding ligt eerlijke mensen na aan het hart. Er bestaat thans een georganiseerde beweging die ten doel heeft de mensen van dergelijke rechten te beroven en de waarheid te onderdrukken.”
Toen kwamen er stoere mannen, met opgerolde hemdsmouwen, uit winkels en kantoren te voorschijn. Ten slotte liep een groep van ongeveer vijftien mannen in onze richting de straat af. Ondertussen liep één kant van de grammofoonplaat af en zette ik de andere kant op. De gespierde mannen liepen woedend verder, terwijl wij vieren, met het gezicht naar hen toegekeerd, rustig vóór onze auto stonden, volledig vertrouwend op Jehovah’s macht om de situatie aan te pakken.
Ongeveer vijfentwintig meter van ons af, bleven de mannen plotseling staan, totdat de lezing ten einde was. Terwijl ik via de microfoon slotopmerkingen maakte, keerden de mannen zich om en liepen naar hun winkels en kantoren terug. Wij gaven alle dank en lof aan Jehovah en dachten aan de aanmoedigende woorden die zijn knecht Mozes had gesproken: „Weest moedig en sterk. Weest niet bevreesd en krimpt niet van angst ineen voor hen, want Jehovah, uw God, zelf trekt met u mee.” — Deut. 31:6.
Ons predikingswerk in deze stad was echter geenszins volbracht. Beleefd en vriendelijk bezochten wij alle winkels, kantoren en huizen, waarbij wij dezelfde mannen tegenkwamen die waren opgetrokken om „ons te krijgen”. Alles ging goed en wij konden een grondig getuigenis omtrent Gods koninkrijk geven.
Toen ik in 1940 in Ararat, Victoria, via de microfoon de praktijken van vals-religieuze ijveraars aan de kaak stelde, werd ik op beschuldiging van „belediging” gearresteerd. Ik werd veroordeeld en dit vonnis werd in het Hooggerechtshof van Victoria bevestigd. Een poging om bij het Hooggerechtshof van Australië in hoger beroep te gaan, had tijdens de waanzin en de bevooroordeelde sfeer van de oorlog geen succes.
Begin 1941 verscheen in de Australian Law Journal echter een beoordeling van deze zaak door een bekende autoriteit op rechtskundig gebied. Een knappe rechtskundige analyse van de zaak toonde aan dat er absoluut geen wettige gronden voor mijn veroordeling waren. Deze analyse, waarin de volledige verklaring was opgenomen die ik via de microfoon had gedaan, bevindt zich tot op deze dag in stadsbibliotheken in Australië en verschaft iedere lezer een getuigenis van de heersende geschilpunten in die belangrijke periode. Voor de procesvoering die erbij betrokken was, gaf een advocaat uit Ballarat, Victoria, geheel gratis zijn diensten als een gebaar van „goodwill”.
RECHTSCHAPENHEID ONDER VERBODSBEPALING EN EXPANSIE
De jaren dat het werk van Jehovah’s getuigen in Australië was verboden (van januari 1941 tot juni 1943), gaven ons de gelegenheid geloof in Jehovah ten toon te spreiden. Wij zetten het van-huis-tot-huispredikingswerk onverminderd, alleen met gebruikmaking van onze bijbel, voort. Een gedeelte van deze tijd diende ik als presiderende opziener van de gemeente centrum in Melbourne. Ik bracht ook gestencilde exemplaren van De Wachttoren naar enkele plattelandsgemeenten, aangezien het niet veilig was deze over de post te verzenden. Het aantal Getuigen nam toe van 2532 aan het begin van de verbodsperiode tot 3817 toen het verbod in 1943 werd opgeheven.
In 1945 kreeg ik het middenwesten van Queensland als toewijzing, waar ik als vervoermiddel een fiets gebruikte. Na zo’n vijf maanden in dit gebied te hebben gepredikt, waarbij ik drie steden en de tussenliggende stations (zoals schapenboerderijen in Australië worden genoemd) bezocht, werd ik erg ziek en moest in het ziekenhuis worden opgenomen. Doordat na longaandoeningen een gedeelte van een long was dichtgeklapt, was de toestand van mijn hart verergerd, en de dokter adviseerde mij voortdurend te rusten. Toen ik uit het ziekenhuis werd ontslagen, verklaarde de dokter dat hij mij „voor 85 percent arbeidsongeschikt” had bevonden. Ik had geen ander alternatief dan te rusten, daar ik nog niet eens een paar boodschappen in de straat kon doen zonder tussentijds te rusten.
Na twee maanden besefte ik dat ik òf mijn volle-tijdpredikingstoewijzing moest opgeven, òf op de een of andere manier weer aan de slag moest gaan. Op een hete dag in november 1947 laadde ik dus mijn fiets op en reed van station tot station, of van boerderij tot boerderij, totdat ik uitgeput was. Dan ging ik naast mijn fiets lopen of strekte mij op de grond uit om te rusten. Door Jehovah’s onverdiende goedheid hield ik het op de een of andere manier vol waardoor Jehovah’s kracht in tijd van nood werd geopenbaard.
Na een fietstocht van bijna honderd kilometer predikte ik het goede nieuws in een kleine stad. Daar leende ik een paard om het bij de prediking tot de bewoners van afgelegen stations te gebruiken en zodoende de inspanning van het fietsen te vermijden. Het jonge dier wierp mij prompt af, waardoor ik mijn heup brak. Ik belandde dus weer voor verscheidene weken in het ziekenhuis. Toen ik werd ontslagen, was ik vastbesloten om met Jehovah’s hulp mijn predikingswerk voort te zetten.
Ik kon een paard kopen en een plaatselijke bewoner was zo vriendelijk mij een kleine wagen te lenen. Ongeveer drie maanden lang bracht ik met paard en wagen bezoeken aan de stations. Na het goede nieuws overal in deze toewijzing te hebben gepredikt, kreeg ik een groter gebied, verder naar het oosten, toegewezen.
VERDERE EXPANSIE IN HET BINNENLAND VAN AUSTRALIË
Na twee maanden rust, kreeg ik in 1949 de toewijzing om het Noord-Territorium, een gebied van zo’n 1.356.000 vierkante kilometer, te bewerken. Eerst ging ik — zo mogelijk met fiets en al liftend op vrachtauto’s — elfhonderd kilometer naar het zuidwesten, naar Alice Springs en vandaar zestienhonderd kilometer naar het noorden, naar Darwin, terwijl ik in de plaatsen en op de stations die op mijn weg lagen de Koninkrijksboodschap predikte. Een gedeelte van elk van die jaren bracht ik in Darwin door en de reactie op mijn predikingsactiviteiten daar had tot gevolg dat er in 1952 een gemeente werd geformeerd.
Daarna kreeg ik de stad Mount Isa in Queensland toegewezen. Mijn krachtsinspanningen hadden, met alle eer aan Jehovah, tot gevolg dat daar begin 1954 een gemeente werd opgericht.
Ik kreeg ook het voorrecht stationgebied te bezoeken ten zuiden van Mount Isa naar de beroemde Birdsvilleweg — een verlaten streek bestaande uit zandheuvels, waar menige reiziger ten gevolge van extreme hitte en dehydratie is omgekomen. Sinds daar enkele jaren geleden de uitgedroogde lichamen van een uit vijf personen bestaand gezin zijn gevonden, heeft men bij de noordelijke en zuidelijke toegangen tot dit gebied borden geplaatst, die de reizigers waarschuwen voor de gevaren die eraan verbonden zijn als men zich in dit gebied begeeft.
Om de enkele afgezonderde stationhuizen hier te bereiken, gebruikte ik een lichte motorfiets. Op een van deze stations zei de eigenaar dat hij het gebied niet zou doorkruisen tenzij hij was „toegerust met een vrachtauto beladen met een voedsel - en watervoorraad voor een week”. Ik had dit gebied, waarin tot op dat tijdstip nog geen getuigenis was gegeven, echter als toewijzing gekregen en kon bij het bewerken ervan op Jehovah’s hulp rekenen. Zoals bleek, trok het feit dat ik dit gebied op een lichte motorfiets bewerkte de aandacht van een vertegenwoordiger van de Australian Broadcasting Commission, die om een interview verzocht. Dit interview werd door de A.B.C. in haar nationale radioprogramma uitgezonden en het was een voorrecht de Australische natie getuigenis omtrent Gods koninkrijk te geven.
HET GOEDE NIEUWS NAAR DE INHEEMSE BEVOLKING BRENGEN
Na zes jaar als presiderende opziener in de gemeente Mount Isa te hebben gediend, kreeg ik de toewijzing om de ’aborigines’ (de oorspronkelijke bewoners), die nog nooit de Koninkrijksboodschap hadden gehoord, het goede nieuws te brengen. Medegetuigen voorzagen mij van een projectie-uitrusting en films van het Wachttorengenootschap. Ongeveer 17.000 aborigines waren ondergebracht in dertien nederzettingen van de regering, op missieposten en op grote veeboerderijen waar zij te werk waren gesteld.
Na jaren van onderhandelen, kreeg ik ten slotte toestemming om de aborigine-nederzettingen in het Noord-Territorium te bezoeken. Hoewel ik geen vergunning kon krijgen om de nederzettingen op missieposten te betreden, werkten sommige aborigines uit deze plaatsen op veeboerderijen. Ik kon met velen van hen over Gods koninkrijk spreken.
Het aantal oorspronkelijke bewoners is thans toegenomen tot 22.000 en ik heb het voorrecht gehad met velen van hen over Gods koninkrijk te spreken. Aangezien de meesten van deze nederige mensen analfabeet zijn, heb ik velen van hen geholpen de boodschap van de bijbel door middel van visuele hulp middelen te begrijpen. Ik bracht achtentwintig olieverfschilderijen over bijbelse onderwerpen mee en ook dia’s van vergaderingen en predikingswerkzaamheden van de Getuigen in Nieuw-Guinea en Afrika.
Ik heb veel fijne ervaringen bij het prediken tot de inheemse bevolking opgedaan. Na op één bijeenkomst een uurlezing te hebben gehouden, kwamen alle aanwezigen als één man naar voren om mij hartelijk te danken voor de waarheden die ik hun aan de hand van de bijbel had verteld. Bij een andere gelegenheid waren vijftig aborigines binnen enkele minuten na mijn komst aanwezig om een lezing te horen, hoewel het kamp in volslagen duisternis was gehuld. Van aborigines die konden lezen en schrijven, heb ik fijne brieven ontvangen ter bevestiging van mijn brieven aan hen waarin ik hun in eenvoudige taal schriftuurlijke waarheden had uiteengezet.
Jehovah’s barmhartigheid en liefderijke goedheid zijn waarlijk overvloedig geweest door mij toe te staan hem gedurende tweeënveertig jaar als volle-tijdprediker te dienen. Het is nu achtendertig jaar geleden sinds ik op medische gronden voor de rest van mijn leven invalide werd verklaard en vijfentwintig jaar sinds ik voor 85 percent als arbeidsongeschikt werd beschouwd. Door op eigen initiatief een behandelingsmethode te volgen en door oefeningen, ben ik nog steeds in staat een energiek programma van volle-tijdprediking van Gods Woord te volgen, waarbij ik openbare lezingen van ongeveer een uur houd, duizenden kilometers met mijn motor door mijn toewijzing trek om te prediken en een robuust uiterlijk behoud. Ik kan dus werkelijk getuigen dat Jehovah’s kracht in mijn zwakheid tot volmaaktheid is gebracht.