Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w72 15/11 blz. 696-698
  • Bent u geneigd te struikelen?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Bent u geneigd te struikelen?
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1972
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • NEDERIGHEID EN OVERDENKING
  • HOED U ERVOOR VREUGDELOOS EEN UITWEG TE ZOEKEN
  • DE JUISTE HOUDING
  • Bent u tot struikelen gebracht door wat anderen hebben gedaan?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1969
  • Versterk uzelf voor toekomstige activiteit
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1964
  • Liefde geeft geen aanleiding tot struikelen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1965
  • De juiste beweegreden om God te dienen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1964
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1972
w72 15/11 blz. 696-698

Bent u geneigd te struikelen?

JEZUS CHRISTUS zei: „Indien gij in mijn woord blijft, zijt gij werkelijk mijn discipelen, en gij zult de waarheid kennen en de waarheid zal u vrijmaken” (Joh. 8:31, 32). Voordat iemand een ware discipel van Jezus Christus wordt, geloof in het loskoopoffer oefent en Christus’ volgeling wordt, is hij een slaaf van de zonde en de dood. Hij moet zich veranderen. — Joh. 8:34.

De apostel Paulus vermaande de christenen in Éfeze, Klein-Azië, „de oude persoonlijkheid, die met uw vroegere levenswandel overeenkomt en die naar haar bedrieglijke begeerten wordt verdorven, . . . weg te doen” (Ef. 4:22). Ja, de oude persoonlijkheid had verkeerde begeerten die weggedaan moesten worden.

Bijgevolg moet iemand als hij tot God om hulp komt, bereid zijn hard aan het hervormen van zijn geest te werken (Rom. 12:2). Hij komt tot het besef dat „’geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord, noch is het in het hart van een mens opgekomen al wat God heeft bereid voor degenen die hem liefhebben.’ Want aan ons heeft God het geopenbaard door middel van zijn geest”. Wij dienen ons denken aan deze voor ons nieuwe openbaringen aan te passen. — 1 Kor. 2:9, 10.

Als u geneigd bent te struikelen omdat u de een of andere uitleg van een schriftplaats of een organisatorische kwestie of een voorgeschreven werkwijze die via de „getrouwe en beleidvolle slaaf”-klasse komt, niet door en door begrijpt, denk dan aan de positie die u voor het aangezicht van God inneemt. Denk: Heb ik mij voldoende op de hoogte gesteld? Heb ik op progressieve wijze mijn geest hervormd? Ga ik daar nu mee ophouden? — Matth. 24:45-47.

Onderzoek ook uw hart. Vraag uzelf af: Is er een of andere begeerte, neiging of zelfzuchtigheid die mij verhindert de gedachte te begrijpen of te aanvaarden? Zoek ik over elke kwestie de waarheid, of wil ik de dingen in bepaalde opzichten op mijn manier zien?

NEDERIGHEID EN OVERDENKING

Nederigheid is voor een christen onontbeerlijk wil hij tot het einde volharden. Beproevingen die door vervolging komen, zijn vaak niet zo moeilijk als de strijd tegen de oude persoonlijkheid met haar trots en de druk die ze uitoefent om iemand aan de begeerten ervan te laten voldoen. Wie denkt dat hij het beter weet dan de christelijke gemeente dient zichzelf af te vragen: ’Ben ik volledig met de geschiedenis van Gods volk op de hoogte?’ Misschien zijn de dingen die u bepleit of de manier waarop u wilt dat ze worden gedaan reeds jaren geleden geprobeerd en verkeerd gebleken. Vraag u dan af: ’Heb ik meer wijsheid dan degenen die Jehovah God tientallen jaren achtereen getrouw hebben gediend, die hun leven hebben besteed aan onderzoek, studie en dienst voor God en die het werk van zijn volk over de gehele aarde leiden? Heeft God mij plotseling meer wijsheid gegeven dan hun?’

Beschouw in dit verband wat de apostel Paulus aan de christelijke opziener Timótheüs schreef. Na enkelen te hebben beschreven die de waarheid tegenstonden, zei Paulus: „Blijf gij echter in de dingen die gij hebt geleerd en waarin gij door overtuiging zijt gaan geloven, wetend van welke personen gij ze hebt geleerd.” — 2 Tim. 3:14.

Als u twijfels hebt, kunt u deze goede raad opvolgen. Toen u de bijbel bestudeerde om tot een kennis van de waarheid over Jehovah God en zijn Zoon Jezus Christus te komen leerde u. U verifieerde de punten naarmate u verder ging. U werd overreed de dingen die u leerde te geloven, maar niet door vleiend gepraat of onder druk van degene die u onderwees. De Schrift zelf, met behulp van Gods geest, heeft u veeleer overreed. U was vast overtuigd van de waarheid. U wist dat u juist handelde door haar te aanvaarden. U bent misschien verder gegaan en hebt volledig geloof tot uitdrukking gebracht door u volledig aan God op te dragen en „in de naam van de Vader en van de Zoon en van de heilige geest” te worden gedoopt (Matth. 28:19). U zei in feite: ’Ik kom om uw wil te doen, o God’ (Hebr. 10:7). U deed het gewillig, uit uw hart. Waarom zou u dan nu twijfelen aan wat u eens grondig hebt geverifieerd en vast hebt besloten? Waarom zou u struikelen en u misschien van dit pad van progressieve kennis afwenden, vanwege de één of twee dingen die u niet helemaal begrijpt?

Bedenk ook: „van welke personen gij [deze dingen] hebt geleerd”. Waren zij op uw geld uit? Waren zij eropuit u te bedriegen of voordeel van u te trekken? Of waren zij onwetend en niet in staat u de fundamentele dingen van God te onderwijzen? Beoefende de gemeente waarmee u was verbonden slechte dingen of deden de gemeenteleden zich huichelachtig als onderwijzers van de waarheid voor? Hebben zij niet veeleer meer belangstelling voor uw geestelijke welzijn getoond dan iemand ooit heeft gehad?

Timótheüs wist dat zijn moeder en grootmoeder, en later de apostel Paulus en andere christenen, zijn beste belangen beoogden toen zij hem onderwezen. Hun voorbeeld was ook goed. Paulus wist echter dat hij deze dingen tot Timótheüs moest zeggen om hem te sterken voor de beproevingen en, mogelijk, de twijfels die hem zouden kunnen bestormen.

Als u derhalve de neiging hebt te struikelen, dient u over die woorden van Paulus en ook over zijn raad aan de Hebreeuwse christenen te Jeruzalem, na te denken. Hij vermaande hen: „Houdt hen in gedachtenis die onder u de leiding nemen, die het woord van God tot u hebben gesproken, en volgt hun geloof na, lettend op het einde van hun wandel.” — Hebr. 13:7.

Ja, blijf bij de getrouwe handelwijze. Hoe wilt u dat uw gedrag blijkt te zijn? Goed natuurlijk. Ten leven natuurlijk. Dan hebt u de onfeilbare formule in de woorden van de apostel: „Volgt hun geloof na.” Deze getrouwe broeders zijn in het geloof gebleven; zij hebben „gewacht op Jehovah” (Ps. 130:5, 6). Zij hebben door verdrukkingen heen en gedurende tijden waarin onvolmaakte menselijke neigingen een andere weg zouden hebben gewezen, volhard. De ’werkelijkheden die niet worden gezien’ zijn misschien soms moeilijk te zien geweest. Zij hebben hun geloof echter behouden en het maakt hen gelukkig Jehovah te dienen. — Hebr. 11:1.

HOED U ERVOOR VREUGDELOOS EEN UITWEG TE ZOEKEN

Met betrekking tot deze kwestie van gelukkig zijn, is er nog een manier waarop u uw eigen positie kunt toetsen. Vraag u af: ’Ben ik vreugdevol; geeft het mij werkelijk vreugde Jehovah te dienen?’ Als u uw vreugde hebt verloren, is er iets mis, maar niet met Jehovah of zijn volk. Ú mist iets. U hebt een mate van uw geestelijke gezindheid verloren. Als u terughoudend wordt door niet meer vreugdevol — van ganser harte — met uw broeders om te gaan, als u zich afzondert, in uzelf gekeerd wordt, pas dan op! Het is een ernstig waarschuwingsteken. De geïnspireerde spreuk zegt: „Wie zich afzondert, zal zijn eigen zelfzuchtige verlangen zoeken; tegen alle praktische wijsheid zal hij losbarsten.” — Spr. 18:1.

Als u bemerkt dat u tot struikelen wordt gebracht of aanstoot neemt aan iets dat in Gods organisatie wordt geleerd, of aan veranderingen die worden aangebracht, houd dan dit in gedachten: God heeft voldoende in de bijbel laten optekenen om een volledige basis voor geloof te verschaffen (2 Tim. 3:16, 17). Hij heeft ook veel details van verschillende gebeurtenissen in de bijbel uit het verslag weggelaten, genoeg zodat iemand wiens hart niet juist is, die een ogenschijnlijke fout wil ontdekken, die een verontschuldiging zoekt om de weg der waarheid te verlaten, deze kan vinden.

Jehovah heeft door middel van de christelijke organisatie ook volledig voor het geestelijke welzijn van heel zijn volk gezorgd. Als u van iemand in de gemeente twijfelachtige woorden hoort of twijfelachtige of zelfs verkeerde of onjuiste daden ziet, wordt hierdoor dan niet tot struikelen gebracht waardoor u Jehovah’s gunst verliest. Aangezien Gods organisatie inderdaad uit onvolmaakte mensen bestaat, kan iemand die Jehovah en zijn volk niet werkelijk liefheeft heus wel een excuus vinden om weg te gaan. De apostel Johannes schreef dat sommigen de gemeente hadden verlaten. Hij zei: „Zij zijn van ons uitgegaan, maar zij waren niet van ons slag; want indien zij van ons slag waren geweest, zouden zij bij ons zijn gebleven. Doch zij zijn uitgegaan opdat duidelijk aan het licht zou treden dat niet allen van ons slag zijn” (1 Joh. 2:19). Jehovah wilde alleen het loyale, liefdevolle, begrijpende slag, het soort dat volhardt. Degenen die weggingen, vonden ongetwijfeld wel een klacht die hun daden in hun eigen gedachten en hart rechtvaardigden. Maar „Jehovah kent degenen die hem toebehoren”. Het vaste fundament van zijn gemeente zal niet falen. Hij inspireerde de psalmist ertoe te schrijven: „Overvloedige vrede behoort hun toe die uw wet liefhebben, en voor hen is er geen struikelblok.” — 2 Tim. 2:19; Ps. 119:165.

DE JUISTE HOUDING

Er zullen moeilijkheden, twijfels en oorzaken tot struikelen rijzen. Wat zal iemand dan doen? De apostel bracht de geest onder woorden die allen dienen te bezitten toen hij zei: „De dingen die achter mij liggen vergetend en mij uitstrekkend naar de dingen die vóór mij liggen, streef ik naar het doel om de prijs van de roeping naar boven, die God door bemiddeling van Christus Jezus doet toekomen. Laten wij dan, zovelen als er van ons rijp zijn, deze geestesgesteldheid hebben, en indien gij in enig opzicht geestelijk anders geneigd zijt, zal God de bovengenoemde geestesgesteldheid aan u openbaren. Laten wij in ieder geval, in de mate waarin wij vorderingen hebben gemaakt, voortgaan in deze zelfde routine ordelijk te wandelen.” — Fil. 3:13-16.

Als u moeilijkheden of beproevingen hebt, of dingen waarneemt die u binnen het raamwerk van de waarheid zoals u die kent, niet helemaal kunt begrijpen, bid dan tot Jehovah. Jakobus zegt: „Schiet iemand van u daarom te kort in wijsheid, dan moet hij God blijven vragen, want hij geeft aan allen edelmoedig en zonder verwijt; en ze zal hem gegeven worden. Maar hij moet in geloof blijven vragen in het geheel niet twijfelend” (Jak. 1:5, 6). Nader in tijden van zware beproeving vrijmoedig tot God, want de apostel Johannes zegt: „Op deze wijze is de liefde bij ons tot volmaaktheid gebracht, dat wij vrijmoedigheid van spreken hebben op de oordeelsdag” (1 Joh. 4:17). Als wij, in welke tijd van nood maar ook, tot de „troon van onverdiende goedheid” naderen, kunnen wij zeker hulp verwachten. — Hebr. 4:16.

Handel vervolgens in overeenstemming met uw gebeden. Ga na: Tot in welke mate heb ik vorderingen in mijn dienst voor Jehovah gemaakt? Hoe heb ik deze gemaakt? Was het niet door Gods Woord te bestuderen, omgang met Gods volk te hebben, bijbelse beginselen in het dagelijkse leven toe te passen, commentaren op vergaderingen te geven en andere toewijzingen uit te voeren? Was het ook niet door aan het predikingswerk deel te nemen? Hebt u op deze wijze niet uw vrijheid van spreken in het geloof en uw bekwaamheid het goede nieuws aan anderen aan te bieden, ontwikkeld? Laten wij dan, zo zegt Paulus, „voortgaan in deze zelfde routine ordelijk te wandelen”.

Als u deze dingen doet wanneer u dreigt te struikelen, zal God u weer geluk en vreugde in het dienen van hem geven, en u zult de overtuiging van de apostel Paulus kunnen uiten, die schreef: „Want ik ben ervan overtuigd dat noch dood noch leven, noch engelen noch regeringen, noch tegenwoordige noch toekomende dingen, noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch enige andere schepping ons zal kunnen scheiden van Gods liefde, die in Christus Jezus, onze Heer, is.” — Rom. 8:38, 39.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen