Vragen van lezers
● Naar men zegt is tijdens de Romeinse vervolging in de eerste eeuw van onze gewone tijdrekening een groot aantal christenen ter dood gebracht. Hoe is het dan mogelijk dat in deze eeuw duizenden zijn geroepen om tot het lichaam van Christus te gaan behoren dat uit slechts 144.000 personen bestaat? — V.S.
Er zijn historische aanwijzingen dat vele christenen in de eerste eeuwen hevig zijn vervolgd en zelfs gedood. Men dient echter te bedenken dat het ondergaan van een marteldood op zich iemand bij Jehovah God nog geen verdienste gaf en hem ook niet van het lidmaatschap in het hemelse koninkrijk verzekerde. Velen, zelfs in recente tijden, zijn bereid geweest voor een religieuze of andere zaak te sterven. Dat iemand beweert een christen te zijn en dat hij zelfs voor zijn overtuiging sterft, wil op zich nog niet zeggen dat hij een goedgekeurde dienstknecht van Jehovah God is. De apostel Paulus schreef in dit verband aan de Korinthiërs: „Al geef ik al mijn bezittingen om anderen te spijzigen, en al geef ik mijn lichaam over om te kunnen roemen, maar heb geen liefde, dan baat het mij in het geheel niet” (1 Kor. 13:3). Niet de dood, maar getrouwheid tot aan de dood bepaalt of iemand „de kroon des levens” zal ontvangen. — Openb. 2:10.
Zo blijkt uit het feit dat er thans nog altijd een overblijfsel van de 144.000 op aarde is, dat tot op deze twintigste eeuw minder dan 144.000 personen hun aardse loopbaan in getrouwheid hebben beëindigd.
Hoewel sommigen misschien geneigd zijn te denken dat zo lang geleden als in de eerste eeuwen van de gewone tijdrekening stellig al meer personen tot deze klasse hebben behoord, bestaat daarvoor geen enkel werkelijk bewijs. Het is thans zelfs onmogelijk vast te stellen hoeveel personen er ter dood werden gebracht, laat staan het aantal van hen die tot de dood toe getrouw bleken te zijn. „Wij hebben als het erop aankomt slechts weinig feiten waarop wij kunnen afgaan”, schrijft Frederick John Foakes-Jackson in het boek History of Christianity in the Light of Modern Knowledge. Hij verklaart verder: „De vervolging door Nero is te boek gesteld door twee Romeinse historici, Tácitus en Suetonius, die beiden zeer jong waren toen deze plaatsvond en die op rijpe leeftijd schreven. Er bestaat geen christelijk document uit die tijd waarin de vervolging wordt beschreven, hoewel er in het boek Openbaring wellicht op wordt gezinspeeld. . . . Tertullianus, aan het einde van de tweede eeuw, is onze autoriteit dat Nero en Domitianus, omdat zij de twee slechtste keizers in de eerste eeuwen waren, de christenen hebben vervolgd.” In het begin van de derde eeuw G.T. merkte Orígenes (een christelijke schrijver en leraar) op: „Ruwweg geteld, zijn er nu en dan slechts enkelen geweest die voor de christelijke religie zijn gestorven.”
Veel van wat er over christelijke martelaren is geschreven, is door de overlevering verfraaid en derhalve onbetrouwbaar. Het martelaarschap van Polycarpus uit de tweede eeuw G.T. wordt in Fox’s Book of Martyrs bijvoorbeeld als volgt beschreven: „Hij was . . . aan een paal gebonden en de takkenbossen waarmee hij was omringd, werden in brand gestoken, maar toen het zo heet werd dat de soldaten gedwongen waren zich terug te trekken, bleef hij lange tijd bidden en lofliederen voor God zingen. De vlammen woedden fel, maar zijn lichaam verteerde nog altijd niet en glansde als gepolijst goud. Naar verluidt steeg er uit het vuur ook een aangename geur als van mirre op, hetgeen de toeschouwers zozeer verbaasde dat velen zich daardoor tot het christendom bekeerden. Zijn beulen, die bemerkten dat het onmogelijk was hem door vuur ter dood te brengen, staken een speer in zijn zijde, waaruit zoveel bloed stroomde dat het vuur erdoor werd gedoofd. Toen werd zijn lichaam op last van de proconsul tot as verteerd opdat zijn volgelingen het niet tot een voorwerp van aanbidding zouden maken.”
Uit welke bron Fox zijn inlichtingen ook mag hebben geput, het is duidelijk dat weinig van dit verslag werkelijk historisch is. Indien de zinspeling op het aanbidden van het stoffelijk overschot van Polycarpus als een aanwijzing van het bestaan van relikwieaanbidding onder belijdende christenen uit de tweede eeuw moet worden beschouwd, zou dit niettemin een bewijs te meer zijn dat velen toentertijd geen getrouwe aanbidders van Jehovah God waren. Christenen stonden onder het gebod ’God te aanbidden’ en geen relikwieën (Openb. 19:10). Afgodendienaars behoren in feite tot degenen die in de Schrift specifiek worden genoemd als personen die niet geschikt zijn om het Koninkrijk te beërven. — 1 Kor. 6:9, 10.