’Weg met de goddelozen!’
IN DE ogen van de menigte was hij een goddeloos man, eropuit om aanbidding te ontmoedigen en hun goden te vernietigen. Verfoeid en geminacht werd hij voor hen gebracht, terwijl zij in algemene vergadering bijeenwaren. Op de vraag van de proconsul stapte een statige, 86-jarige man naar voren en bevestigde zijn identiteit. Zijn naam was Polycarpus.
De Romeinse provinciebestuurder Statius Quadratus vervolgde: „Zweer bij de genius van caesar; bedenk u en zeg: ’Weg met de atheïsten!’” Daarop staarde Polycarpus naar de enorme menigte wetteloze heidenen die het stadion vulde. Naar hen gebarend, zuchtte hij, keek naar de hemel en zei: „Weg met de atheïsten!” Inderdaad, ’Weg met de goddelozen!’
Vervolgens sprak de proconsul met grotere aandrang en zei: „Leg de eed af en ik laat u vrij; beschimp Christus.” Maar Polycarpus antwoordde: „Zesentachtig jaar heb ik Hem gediend, en Hij heeft mij geen onrecht aangedaan. Hoe kan ik mijn Koning, die mij heeft gered, belasteren?”
Daarop begon men voorbereidingen te treffen voor de terechtstelling van de bejaarde man. Hij zou de vuurdood sterven op de brandstapel. Waarom? Wie was Polycarpus eigenlijk? En welke gebeurtenissen leidden tot zijn dood?
Polycarpus’ jongelingsjaren
Polycarpus werd omstreeks 69 G.T. in Smyrna (thans de Turkse stad Izmir) in Klein-Azië geboren. Naar verluidt werd hij door christelijke ouders grootgebracht. Polycarpus, die tot een man van aanzien opgroeide, stond bekend als edelmoedig en zelfopofferend, iemand die anderen vriendelijk behandelde en ijverig de Schrift bestudeerde. Te zijner tijd werd hij een opziener in de gemeente te Smyrna.
Naar verluidt benutte Polycarpus toen hij nog jong was, gelegenheden om rechtstreeks door enkele van de apostelen onderwezen te worden. Kennelijk was de apostel Johannes een van zijn leraren. In feite vertelt Irenaeus dat Polycarpus „niet alleen was onderricht door apostelen, en omgang had gehad met velen die Christus hadden gezien, maar dat hij ook door apostelen was aangesteld voor Klein-Azië, tot een opziener in de kerk die in Smyrna is”. Wij zullen ons beslist kunnen voorstellen hoeveel vreugde en voldoening Polycarpus uit zo’n opbouwende omgang heeft geput. Het moet ertoe bijgedragen hebben hem toe te rusten voor zijn taak als een opziener in de gemeente. — Handelingen 20:28; 1 Petrus 5:1-4.
Houd grondwaarheden hoog
Polycarpus’ opzienerschap in de gemeente begon in de allerminst gemakkelijke jaren van de voorzegde afval (2 Thessalonicenzen 2:1-3). Klaarblijkelijk was hij bereid zichzelf ten behoeve van anderen in te spannen. Toen dan ook Ignatius van Antiochië (Syrië), op weg naar Rome om daar als martelaar te sterven, de Filippenzen vroeg een brief aan zijn thuisgemeente te zenden, zorgde Polycarpus van Smyrna voor de bezorging ervan. In die tijd ook zond hij de Filippenzen zijn eigen brief.
In Polycarpus’ brief aan de Filippenzen vinden wij bepaalde schriftuurlijke waarheden opnieuw bevestigd. Hij maakt onderscheid tussen God en Christus, de Vader en de Zoon, en zegt dat het „door de wil van God door bemiddeling van Jezus Christus” is dat wij gered worden. Polycarpus waarschuwt tegen de liefde voor geld en herinnert zijn lezers eraan dat hoereerders en mannen die bij mannen liggen, Gods koninkrijk niet zullen beërven. (Vergelijk 1 Timótheüs 6:10; 1 Korinthiërs 6:9, 10.) Ook vermaant hij vrouwen hun man lief te hebben, en ouderlingen „meedogend en barmhartig” te zijn. Allen worden aangespoord „vurig het goede na te streven”. Ten slotte smeekt Polycarpus: „Mogen de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, en Jezus Christus Zelf, die de Zoon van God is en onze eeuwige Hogepriester, u opbouwen in geloof en waarheid, en in alle zachtmoedigheid, vriendelijkheid, geduld, lankmoedigheid, verdraagzaamheid en zuiverheid.”
Polycarpus deed veel aanhalingen uit de Schrift. In zijn brief aan de Filippenzen verwees hij naar Matthéüs, Handelingen, Romeinen, 1 Korinthiërs, 2 Korinthiërs, Galaten, Efeziërs, 2 Thessalonicenzen, 1 Timótheüs, 1 Petrus, en waarschijnlijk andere gedeelten van de Schrift. Dit geeft ons een aanwijzing dat ten minste enkele belijdende christenen in die moeilijke periode na de dood van de apostelen aan schriftuurlijke beginselen probeerden vast te houden.
Zijn werk in Smyrna
In de oudheid was Smyrna, een kustplaats in Klein-Azië, een druk en welvarend handelscentrum. Het was ook een centrum voor de aanbidding van de Staat. Aan Romeinse keizers werd bijvoorbeeld speciale prominentie gegeven door hen op munten en in inscripties als godheden af te schilderen. Heidense, religieuze filosofieën werden op keizerlijk gezag gepropageerd.
Klaarblijkelijk had een aantal leden van de gemeente in Smyrna het niet breed. Maar eens werden zij geprezen vanwege hun geestelijke rijkdom. Hoe aanmoedigend moet het voor christenen in Smyrna zijn geweest de door de apostel Johannes opgetekende woorden van Jezus te horen! Tot de „engel”, of gezalfde opzieners, in Smyrna zei Christus: „Ik ken uw verdrukking en armoede — doch gij zijt rijk — en de laster van de zijde van hen die zeggen dat zij joden zijn en het evenwel niet zijn, maar die een synagoge van Satan zijn. Wees niet bevreesd voor de dingen die gij gaat lijden. Zie! De Duivel zal voortgaan sommigen van u in de gevangenis te werpen, opdat gij volledig op de proef wordt gesteld en opdat gij tien dagen verdrukking hebt. Bewijs dat gij getrouw zijt, zelfs tot de dood, en ik zal u de kroon des levens geven.” — Openbaring 2:8-10.
Als er onder belijdende christenen in Smyrna nog geestelijke rijkdom bestond, was dit ongetwijfeld rechtstreeks te danken aan het voortreffelijke opzicht van de gemeenteouderlingen. Het was een tijd van religieuze verwarring en strijd, en leden van de gemeente dienden te midden van met elkaar in conflict komende geloofsovertuigingen en cultussen. Zij predikten in een gebied vol demonische praktijken, waaronder toverij en astrologie — dus een goddeloos klimaat.
Bij de vijandigheid van de heidense bevolking kwam nog de bittere haat die de joden aan de dag legden. Toen Polycarpus op 23 februari 155 G.T. de marteldood stierf, zouden fanatieke joden hebben meegeholpen met het verzamelen van brandhout — zelfs al vond de terechtstelling plaats op een grote sabbatdag!
Wie zijn de goddelozen?
Polycarpus had in Smyrna willen blijven en zich niet willen onttrekken aan het gevaar dat zijn vijanden hem zouden komen halen. Maar op aandringen van anderen trok hij zich terug op een nabijgelegen boerderij. Toen dit bekend werd, wilde hij niet nogmaals van verblijfplaats veranderen om aan zijn achtervolgers te ontsnappen, maar zei hij enkel: „Gods wil geschiede.”
In het stadion gekomen stond Polycarpus voor de proconsul en de enorme, ziedende massa. Toen de proconsul er bij hem op bleef aandringen caesar een aan aanbidding grenzende eer te schenken, zei Polycarpus onomwonden: „Ik ben een christen . . . Indien u wilt weten wat het christendom inhoudt, hoeft u slechts een dag te noemen om mij aan te horen.” De proconsul antwoordde: „Probeer uw argumenten maar op de menigte uit.” Maar Polycarpus zei: „Juist met u, dacht ik, zou ik hierover wellicht een vruchtbaar gesprek kunnen hebben, omdat ons geleerd is machten en autoriteiten elk gepast respect te betonen . . . zolang dat ons niet in een scheve positie brengt.” Kort daarna stierf Polycarpus de vuurdood omdat hij Jezus Christus niet wilde verloochenen.
Polycarpus’ status als christen kan alleen God bepalen. Maar hoe staat het er thans voor? Een grote schare ware christenen wenst evenmin Christus te verloochenen. Integendeel, zij verklaren dat hij Gods Messiaanse koning is, geïnstalleerd op zijn troon in de hemel. Deze getuigen van Jehovah wijzen er ook op dat wij op het punt staan Jezus’ profetische woorden betreffende de „grote verdrukking”, de grootste wereldbrand die er ooit zal plaatsvinden, in vervulling te zien gaan. Dit betekent echter niet het einde van de mensheid, maar van goddeloosheid. Het is mogelijk in leven te blijven en een rechtvaardige nieuwe wereld van vrede en geluk binnen te gaan. — Matthéüs 24:13, 21, 34; 2 Petrus 3:13.
Wie zou de verkondigers van zulke blijde tijdingen willen bestrijden? Alleen de werkelijk goddelozen, zelfs al hebben zij een „vorm van godvruchtige toewijding” (2 Timótheüs 3:5). Vals-religieuze leringen hebben de geest van sommigen verblind, en velen ’schenken aandacht aan misleidende geïnspireerde uitspraken en leringen van demonen’ (1 Timótheüs 4:1). Hedendaagse christenen hebben door toedoen van de goddelozen lijden ondergaan en sommige zijn zelfs ter dood gebracht. Maar getrouwe dienstknechten van Jehovah zullen nooit de verliezers zijn, want God zal hen uiteindelijk de gave van eeuwig leven doen toekomen. Tot die tijd blijven deze getrouwe verkondigers van Gods koninkrijk onwrikbare verdedigers van de schriftuurlijke waarheid.