Mijn carrière als bekendmaker van Gods koninkrijk
Zoals verteld door N. L. Callaway
MIJN verlangen om het bekendmaken van Gods koninkrijk tot mijn carrière te maken, stelde mij voor een prachtige keuze. Op zekere dag bracht de post mij een grote envelop. Deze bevatte een aanvraag voor dienst op het hoofdbureau van het Wachttorengenootschap in Brooklyn, New York. Wat was ik blij deze aanvraag te ontvangen! Voordat ik tijd had de aanvraag in te vullen, ontving ik nog een aanvraag; deze had betrekking op de Gilead-zendingsschool van het Genootschap. Nu stond ik voor een belangrijke beslissing.
Het was werkelijk een moeilijke beslissing, aangezien ik altijd naar beide voorrechten had verlangd. Ik besloot ten slotte de aanvraag voor de Gileadschool in te vullen. Als gevolg hiervan kwam ik op de Filippijnen terecht, waar ik nu al meer dan twintig jaar dienst verricht ten einde anderen over Gods koninkrijk te vertellen. Ik heb in de loop der jaren tijdens mijn carrière als bekendmaker van Gods koninkrijk veel zegeningen ondervonden, ja, feitelijk al direct vanaf de tijd van mijn doop.
HET VERLANGEN NAAR DE DOOP UITEINDELIJK VERWEZENLIJKT
Ik was er dankbaar voor dat mijn ouders mij, vanaf mijn prille jeugd, meenamen naar de vergaderingen van Jehovah’s christelijke getuigen. Hoewel ik in 1926 in Cleveland, Ohio, uit protestantse ouders was geboren, duurde het niet lang of mijn vader kreeg ongenoegen met de voorganger van de kerk, die zei: „Doe wel naar mijn woorden, maar niet naar mijn daden.” Wij hadden familieleden die Bijbelonderzoekers waren, zoals de christelijke getuigen van Jehovah toen genoemd werden. En wij begonnen al gauw de vergaderingen van de Getuigen bij te wonen.
Mijn eerste gelegenheid om in de Koninkrijksbediening van huis tot huis te gaan, kwam in 1936, toen ik slechts tien jaar oud was. Maar ik vond het prettig van huis tot huis te gaan en met behulp van een „getuigeniskaart”, een kaart waarop de reden van mijn bezoek werd uiteengezet, bijbelse lectuur aan te bieden. Ik wilde gedoopt worden, maar mijn ouders stonden mij dit destijds niet toe omdat zij van mening waren dat ik ouder moest zijn. Ik moest dus wachten totdat ik vijftien jaar was. Maar wat was dat toen een gebeurtenis!
Het was congrestijd, en het Wachttorencongres werd van 6-10 augustus 1941 in St. Louis, Missouri, gehouden. Bij aankomst moesten alle kinderen tussen de vijf en achttien jaar zich opgeven voor Kinderendag. Ik gaf mij op. En op zondagmorgen was er een bijeenkomst voor de doop. Ik behoorde tot de 1357 kinderen die hun opdracht om Jehovah’s wil te doen, door middel van de waterdoop symboliseerden! Wat was het opwindend mij uiteindelijk voor de doop te kunnen aanbieden!
Na onze doop keerden wij terug naar de Arena of grote gehoorzaal en om 11 uur v.m. had ik het wonderbare voorrecht met nog 15.000 andere kinderen in het middenvak van de gehoorzaal te zitten. Wij luisterden naar de toespraak van de toenmalige president van het Genootschap, J. F. Rutherford, getiteld „Kinderen van de Koning”. Het was een inspirerende toespraak. En aan het einde van zijn lezing zei de president van het Genootschap: ’Ik wil iedereen van jullie een vraag stellen. Jullie allemaal, die zijn overeengekomen de wil van God te doen en die jullie standpunt aan de zijde van de Theocratische Regering in handen van Christus Jezus hebben ingenomen en die zijn overeengekomen God en Zijn Koning te gehoorzamen, weest zo goed TE GAAN STAAN!’
Wij stonden als één man op. ’Kijk eens’, riep de president van het Genootschap uit, ’meer dan 15.000 nieuwe getuigen van het Koninkrijk!’ Na een lang applaus zei hij: ’Willen allen van jullie die al het mogelijke zullen doen om anderen over Gods koninkrijk en de daarmee gepaard gaande zegeningen te vertellen, Ja zeggen?’ Toen volgde er een oorverdovend „Ja” uit 15.000 kindermonden.
Vervolgens zei de president van het Genootschap: ’Als jullie een instrument in jullie handen zouden hebben dat jullie tot eer van Jehovah’s naam zouden kunnen gebruiken, zouden jullie er dan een ijverig gebruik van maken?’ Wij antwoordden „Ja!” ’Gaat dan zitten, en dan zal ik jullie over dat instrument vertellen. De Heer heeft het mogelijk gemaakt dit boek als een boodschap voor jullie gereed te maken. De titel van dit boek is „Kinderen”.’ Wat volgde er een geweldig applaus! Ik kan mij herinneren dat ik een van de twee trappen naar het podium op ging om mijn gratis persoonlijke exemplaar van dit bijbelse studiehulpmiddel in ontvangst te nemen, terwijl broeder Rutherford glimlachend toekeek.
Ja, wat was dat een geweldig congres voor mij! Gedoopt te worden en tot die 15.000 kinderen te behoren en die prachtige geestelijke boodschap en dat mooie boek te ontvangen! Vanaf die tijd tot nu toe heb ik al het mogelijke gedaan om anderen over Gods koninkrijk te vertellen.
HET KONINKRIJK ALS VOLLE-TIJDPREDIKER BEKENDMAKEN
Na mijn doop moest ik eerst mijn middelbare schoolopleiding voltooien, maar in het begin van 1944 dacht ik aan een carrière als volle-tijdbekendmaker van Gods koninkrijk. Ik vulde een aanvraagformulier in voor de pioniersdienst, de volle-tijdprediking van het Koninkrijk onder leiding van het Wachttoren Bijbel & Traktaatgenootschap. Na mijn aanstelling bestelde ik mijn lectuur, en ik was heel blij toen die eerste doos boeken uit Brooklyn aankwam.
Op de eerste dag van juni begon ik met de bediening en reed ik op mijn fiets naar het gebied. Die avond studeerde ik van de middelbare school af. Dat was het einde van twaalf jaren van schoolonderwijs en het begin van mijn vele jaren in de volle-tijdbediening ten einde anderen over Jehovah God en zijn koninkrijk te vertellen.
Later ontving ik een aanvraag voor de speciale pioniersdienst en kreeg ik de toewijzing om in Medina, Ohio, te werken. Toen ik daar was, ontving ik de aanvragen voor zowel Brooklyn Bethel als de Gileadschool. Toen ik Gilead had gekozen, werd ik voor de twaalfde klas uitgenodigd. Na afgestudeerd te zijn, bleef ik een tijd lang speciale pionier, en toen kwam er een brief met de mededeling dat ik aan de Filippijnen was toegewezen. Hoe zou het allemaal gaan? Zou ik volharden? Deze en vele andere vragen kwamen in mijn geest op.
MIJN NIEUWE TEHUIS BETER LEREN KENNEN
Mijn grootvader, die een immigrant uit Duitsland was, zei me dat ik het voedsel moest eten dat de mensen aten en dat ik hun manier van doen moest overnemen. Dit bleek een nuttige suggestie te zijn waardoor het leven veel gemakkelijker voor mij is geworden.
Op 1 juni 1951 arriveerde ik in de haven van Manila. Die avond ging ik met verscheidene Getuigen naar een stadsgedeelte van Manila om de tijdschriften De Wachttoren en Ontwaakt! aan voorbijgangers aan te bieden. Ik vond mijn nieuwe omgeving buitengewoon interessant. De mensen waren vriendelijk en de meesten van hen konden Engels spreken. Die avond ontmoette ik veel Getuigen die langs kwamen. Mijn aandacht was soms niet helemaal bij het tijdschriftenwerk, want er kwam een man naar mij toe die mij op de schouder klopte en vroeg of hij een tijdschrift van me kon krijgen.
Ik kreeg mijn eerste zendingstoewijzing, een huizenproject van de regering. Roxas District genaamd. Na aldaar verscheidene maanden Gods koninkrijk gepredikt te hebben, kon ik bij het Genootschap een voorstel indienen om de groep nieuwe Getuigen aldaar tot een gemeente te organiseren. Ik kreeg het voorrecht de opziener te zijn. Bij het getuigenisgeven over Gods koninkrijk van huis tot huis bemerkte ik dat bijna iedereen me in hun woonkamer uitnodigde. Ik kon bijna bij elke deur een toespraakje houden.
ALS KRINGOPZIENER DIENST VERRICHTEN
Na slechts negen maanden in mijn zendingstoewijzing geweest te zijn, ontving ik het voorrecht als kringdienaar of -opziener dienst te verrichten en gemeenten van Getuigen te bezoeken ten einde hen aan te moedigen en bij hun bediening te helpen. Door dit werk kwam ik in de provincies terecht. Het leven was daar heel anders dan in de stad. Er was heel weinig vervoer en het getuigeniswerk werd meestal te voet gedaan. Het herinnerde me aan de tijd toen Jezus Christus en zijn apostelen van stad tot stad gingen om het goede nieuws van Gods koninkrijk bekend te maken.
Wanneer ik een gemeente bezocht, nam bijna elke Getuige deel aan de velddienst. Elke ochtend vergaderden zij om 8 uur v.m. in de Koninkrijkszaal. Velen waren daar reeds om 7 uur v.m. aanwezig. Gedurende de week van mijn bezoek sliepen velen van de Getuigen die verder van de Koninkrijkszaal af woonden zelfs elke nacht in de Koninkrijkszaal, en in de nacht van zondag op maandag gingen zij dan weer om ongeveer 2 uur v.m. enthousiast en blij naar huis.
De speciale predikingsactiviteiten gedurende de week maakten ons allen heel gelukkig. Soms wandelden wij twee uur achtereen naar het gebied, terwijl wij onder het lopen vaak Koninkrijksliederen zongen. En als wij dan met een groepje van vijftien tot twintig verkondigers achter elkaar aan over de bergpaadjes liepen en zongen, maakte het mijn hart werkelijk blij dat ik mijn buitenlandse toewijzing had aanvaard.
De eerste kring die mij werd toegewezen, omvatte alle steden waar Tagalog werd gesproken; op het ogenblik is dat zelfde gebied in twee districten verdeeld. De expansie gaat bijzonder snel. Mijn dienst als kringdienaar daar in het Tagalog-sprekende deel van de Filippijnen was werkelijk een hoogtepunt in mijn leven. Gods Woord naar de eenvoudige huizen in het landgebied te brengen, te zien hoe deze nederige mensen, zonder stoelen in hun huis maar op de grond zittend, naar elk woord luisterden dat werd gesproken, een bijbelstudie bij hen te leiden en later te zien dat zij bij mijn volgende bezoek aan de gemeente in de Koninkrijkszaal aanwezig waren — dit alles schonk mij het verlangen nog harder te werken om anderen over Gods koninkrijk te vertellen voordat het werk zou zijn geëindigd.
Op maandag naar een andere gemeente reizen, was een ware traktatie. Vroeg in de ochtend wachtte ik in een landelijke omgeving op de bus. Als deze kwam, was hij meestal vol, maar dat gaf niet, aangezien er altijd wel een plaatsje voor nog een passagier gevonden kon worden. Het dak van de bus lag vol met vrachtgoed, en soms was dit ook in de bus het geval, met achterin misschien een koe. Op de treeplank waren soms een paar varkens; op de grond van de bus lagen vaak zakken rijst. De bus hobbelde met een snelheid van ongeveer twintig tot vijfentwintig kilometer per uur voort, maar na verloop van tijd bereikten wij toch onze bestemming.
Eén jaar heb ik dienst verricht in de Batangas-Mindorokring, die drie provincies omvatte. Mindoro is een groot eiland aan de westkust van Luzon. Daar, in de stad Bongabon, vond ik mijn levenspartner. Nenita en ik hebben nu dertien jaar in het Koninkrijkswerk samengewerkt.
CONGRESVOORRECHTEN
In 1963 ontving ik de toewijzing vergaderingsdienaar tijdens de Internationale Rond-de-wereldvergadering van Jehovah’s getuigen te zijn. Dit zou het grootste congres zijn dat tot op die tijd op de Filippijnen was gehouden. Het Rizal Memorial voetbalstadion werd afgehuurd, maar er was geen plaats voor de cafetaria en de verschillende afdelingen. Daarom moest er een grote ruimte worden bijgebouwd. Bovendien werd er besloten een dak boven het onoverdekte gedeelte te bouwen, aangezien het congres gedurende het regenseizoen gehouden zou worden. Twee weken vóór het begin van het congres begonnen wij dit dak te bouwen. Sommige employés van het stadion zeiden dat het nooit zou lukken. Maar slechts een handjevol timmerlieden slaagde er met een goede organisatie en Jehovah’s zegen in het dak op de afgesproken datum te voltooien, en op de openingsdag was het klaar.
Wij hadden dit congres voor 20.000 bezoekers gepland, maar toen het aantal aanwezigen werd geteld, bleek dat er meer dan 37.000 op de openbare lezing aanwezig waren!
De congrestijd verschaft ons altijd een aangename onderbreking, terwijl wij de gelegenheid krijgen met andere kring- en districtsopzieners uit alle delen van het land te spreken en hun ervaringen en de geweldige toename die Jehovah ons hier geeft, te vernemen.
DISTRICTSWERK
Op 1 juni 1968 ontving ik het grootse voorrecht als een districtsdienaar of -opziener aangesteld te worden. Dit heeft ons veel vreugden en opwindende ervaringen geschonken. Het is heerlijk elke twee weken met Jehovah’s volk op een kringvergadering bijeen te komen. In ons huidige district bestaat elke kring uit 200 tot 500 Getuigen. Wij bevinden ons nu in het deel van het land waar Hiligaynon de belangrijkste taal is. Elke kring heeft zijn eigen dialect, maar de basistaal hier is Hiligaynon.
In dit district bevinden zich bijna 4000 Getuigen. Het district omvat veel prachtige eilanden en heeft één vulkaan. Veel van onze christelijke broeders verdienen de kost door suikerriet en rijst te verbouwen of door werkzaamheden te verrichten in het visserijbedrijf.
Soms is reizen nog erg moeilijk. Op sommige plaatsen is het alleen mogelijk ’s ochtends te reizen, aangezien dit ’s avonds of ’s nachts gevaarlijk is. Vaak rijden wij met een bus naar een bepaalde plaats en moeten daar overstappen om in de stad van onze bestemming te komen. Wanneer er evenwel overgestapt moet worden, bemerken wij vaak dat er op deze tijd van de dag geen bussen zijn. Wij moeten dan in het huis van een Getuige in die plaats overnachten om de volgende ochtend verder te gaan. Dit betekent dat er soms twee dagen voor nodig zijn om een korte afstand af te leggen. Het is echter aanmoedigend overal de gastvrijheid van onze broeders te ervaren.
Ik ben nu meer dan twintig jaar op de Filippijnen en er is geen andere plaats op aarde waar ik liever zou willen zijn om anderen over Gods koninkrijk te vertellen. Jehovah heeft mij alles gegeven wat ik nodig heb, ja, zelfs veel meer dan ik ooit had verwacht.