Goddeloze geestenkrachten weerstaan
EEN van Jehovah’s getuigen in de Amerikaanse staat Connecticut schrijft de volgende ervaring die handelt over het gebruik van ouijaborden waarbij verscheidene vrouwen betrokken waren:
„In de lente van het jaar 1969 ontdekte een van de Getuigen dat haar beide nichten en hun vriendinnen met ouijaborden ’speelden’. Zij hadden er elk een en verklaarden dat elk bord zijn eigen persoonlijkheid had. De kracht achter het ene bord beweerde de geest van een overleden persoon van Aziatische afkomst te zijn, terwijl de andere beweerde met de identiteit van een vrouwspersoon overeen te komen die een Europese achtergrond had.
Nadat zij de borden een tijdje hadden gebruikt, begonnen zich vreemde dingen voor te doen. Een van de vrouwen kreeg van de geest te horen dat zij een geschenk zou krijgen dat in details werd beschreven, en hij verklaarde dat het geschenk oorspronkelijk afkomstig was van een koninklijk persoon die op een andere planeet woonde. Enkele dagen later werd haar het nauwkeurig omschreven geschenk door een kennelijk onevenwichtig persoon bezorgd!
Een van de andere vrouwen werd door middel van het bord verteld dat de geest van plan was zich van haar geest en lichaam meester te maken en dat haar, ingeval zij weigerde, letsel zou overkomen. Toen zij vroeg van welke aard het ’letsel’ zou zijn, antwoordde het bord dat zij eerst haar benen zou bezeren. Korte tijd later liep zij tegen een laag tafeltje op waardoor zij haar benen bezeerde.
Weer een andere vrouw kreeg door middel van het bord te horen dat haar man plotseling door een ongeluk om het leven zou komen, welk vooruitzicht haar een panische angst bezorgde. Het was omstreeks die tijd dat de Getuige hun aandacht op de bijbel ging vestigen. Daar zij nog maar kort met Jehovah’s getuigen verbonden was, vroeg zij mij of ik hun bij mij thuis over het ouijabord wilde vertellen. Ik nodigde hen allen uit en, toegerust met het tijdschrift Awake! van 22 juni 1968 (zie Ontwaakt! van 22 oktober 1968) dat ik de dag daarvoor in de bus had ontvangen en waarin een artikel aan het ouijabord was gewijd, begon ik de in totaal negen personen die waren gekomen te vertellen over de demonische krachten die achter hun ’speelgoed’ schuil gingen. Na ongeveer drie uur van vragen en antwoorden werd de samenkomst beëindigd.
Diezelfde avond gingen zij allen, na mijn huis te hebben verlaten, naar het huis van een van de vrouwen die bij het bord betrokken waren om met haar onze schriftuurlijke argumenten tegen deze spiritistische praktijk te bespreken. Zij besloten hun ’speelgoed’ te vernietigen.
Als een rechtstreeks gevolg van deze vreemde voorvallen leid ik nu twee bijbelstudies per week bij één vrouw en haar vijf kinderen, plus de mensen die zij bij zich thuis uitnodigt, zodat gewoonlijk nog drie anderen aanwezig zijn. Op een andere avond studeer ik met nog een man en zijn vrouw, hun hospita en haar twee zoons. De man neemt de bijbelse waarheden in zich op als een droge spons.”