Zou u afstand doen van uw kind?
„AFSTAND doen van mijn kind?” Deze gedachte zal de meeste ouders met afschuw vervullen en verschrikt doen terugdeinzen. Toch is er een bepaalde situatie waarin ouders in veel landen, vooral Afrikaanse landen, vrijwillig afstand doen van hun kinderen. Zij geven of „lenen” hun kinderen in dat geval aan vrienden of familieleden.
Lijkt dat u een harteloze gewoonte toe? Trekt u de conclusie dat ouders die zoiets doen geen ouderlijke gevoelens hebben en geen werkelijke liefde voor hun eigen vlees en bloed koesteren?
REDENEN VOOR DE GEWOONTE
Voordat u deze gewoonte ronduit veroordeelt, is het goed enkele van de redenen te beschouwen die ouders hiervoor kunnen hebben. En ook al woont u in een land waar het niet de gewoonte is kinderen „uit te lenen”, u zult, wanneer u het evenwichtige schriftuurlijke standpunt met betrekking tot deze gewoonte leert kennen, worden geholpen de bijbelse beginselen te begrijpen die van toepassing zijn op de manier waarop ouders in uw werelddeel met hun kinderen omgaan.
Zendelingen die in sommige delen van Afrika werkzaam zijn, hebben bericht dat verschillende serieuze ouders hun een jong kind hadden aangeboden. In plaats dat die ouders harteloos waren, hielden zij juist heel veel van hun kinderen, maar zij waren van mening dat als het kind er in materieel opzicht beter op werd wanneer iemand anders ervoor zorgde, het voor hen de moeite waard was het offer te brengen.
Arme en misschien ongeletterde ouders vragen vaak aan familieleden of kennissen die er financieel beter aan toe zijn of die dichter bij de een of andere school wonen, of zij de verantwoordelijkheid voor de opvoeding van een of meer kinderen op zich willen nemen. De economie en het schoolonderwijs blijken dus aan deze gewoonte ten grondslag te liggen. En is het niet waar dat zulke ouders in deze opzichten de toekomst van hun kinderen in gedachten hebben? Zij redeneren dat het offer dat zij nu brengen, de weg kan banen voor toekomstige betere tijden, wanneer kinderen die een goede schoolopleiding hebben genoten, voldoende kunnen verdienen om zichzelf en hun ouders te onderhouden.
Het is waar dat pleegouders in deze omstandigheden een extra financiële last te dragen krijgen. Er zijn echter ook enige materiële voordelen, omdat het „uitgeleende” kind naar alle waarschijnlijkheid als tegemoetkoming in de kosten, allerlei diensten zal verrichten voor de leden van het huisgezin. En een kind zal deze diensten misschien heel bereidwillig verrichten als de prijs voor betere levensomstandigheden en onderwijsgelegenheden. Ouders die uitsluitend aandacht hebben voor de materialistische kant van het leven, zullen uiteindelijk misschien met trots op een zoon of dochter kunnen wijzen die op een van de hogere scholen heeft gestudeerd en de kostwinner van het gezin is geworden.
NADELEN EN GEVAREN
De omstandigheden zijn echter niet altijd in het voordeel van hetzij de ouders of de „uitgeleende” kinderen. Aangezien deze kinderen het zonder de liefde van een moeder en het strenge onderricht van een vader moeten stellen, zijn zij vaak net als ontwortelde planten die te lijden hebben van frustratie en het gevoel dat niemand zich om hen bekommert. Hierbij kan nog de mogelijkheid gevoegd worden dat zij in het pleeggezin niet volledig als gezinsleden worden aanvaard en misschien wel bij de andere kinderen worden achtergesteld.
Bovendien zijn misschien niet alle kinderen in mentaal of emotioneel opzicht in staat aan de verwachtingen te voldoen die ambitieuze ouders omtrent hen koesteren. Zij zullen de onderwijsmogelijkheden die hun worden geboden, misschien niet volledig kunnen benutten. En wat valt er te zeggen over de mogelijkheid dat er in het pleeggezin niet voldoende streng onderricht wordt gegeven? Heel wat ouders hebben de ongelukkige ervaring moeten verwerken dat hun kinderen zonder respect voor waarheid of goedheid of zelfs voor hun eigen moeder of vader bij hen terugkeerden.
Wanneer die pleegkinderen onder het waakzame oog van hun ouders vandaan zijn, ontwikkelen zij vaak gedachten en gewoonten die in strijd zijn met wat hun ouders als juist beschouwen. Misschien wordt er, als het al te laat is, ontdekt dat de kinderen misdadig zijn geworden. Misschien zijn zij wel met slechte metgezellen omgegaan, terwijl zij niemand hadden tot wie zij zich voor goede raad konden wenden. Er kan gewoonlijk niet van pleegouders worden verwacht dat zij „uitgeleende” kinderen met dezelfde zorg omringen als hun eigen kinderen.
DE BELANGRIJKSTE OVERWEGING
Wat zwaarder weegt dan al deze genoemde beschouwingen, is, hoe God over het „uitlenen” van kinderen denkt. De Grote Vader van al zijn aardse kinderen weet dit het beste. Zijn raad met betrekking tot deze kwestie is beslist de allerbeste raad die gegeven kan worden, en deze kan op de bladzijden van de Heilige Schrift aangetroffen worden.
Ouders die belijden de ware God te dienen, moeten in gedachten houden dat Jehovah hen voor het welzijn van hun kinderen verantwoordelijk stelt totdat zij de leeftijd van persoonlijke verantwoordelijkheid hebben bereikt. Vaders en moeders die in gebreke blijven voldoende stoffelijke voorzieningen voor afhankelijke kinderen te treffen, evenals volwassenen die in gebreke blijven voor behoeftige ouders te zorgen, worden terecht beschreven als „erger dan een ongelovige” (1 Tim. 5:8). Dit is echter nog niet alles. Ouders die God werkelijk liefhebben, zullen graag de uitnemende raad in praktijk willen brengen die in Deuteronomium 6:6, 7 staat opgetekend:
„Deze woorden, die ik u heden gebied, moeten op uw hart blijken te zijn; en gij moet ze uw zoon inscherpen en erover spreken wanneer gij in uw huis zit en wanneer gij op de weg gaat en wanneer gij neerligt en wanneer gij opstaat.”
Ja, de geestelijke behoeften van kinderen zijn even belangrijk als hun fysieke welzijn. Ze zijn zelfs nog belangrijker. Daarom geeft Gods Woord ouders de raad: „Gij, vaders, irriteert uw kinderen niet, maar blijft hen in het strenge onderricht en de gezaghebbende raad van Jehovah grootbrengen” (Ef. 6:4). Hoe kunnen ouders gewetensvol aan deze vereisten van God voldoen wanneer kinderen gedurende hun ontvankelijkste jaren aan anderen worden „uitgeleend”, zodat zij opzettelijk maanden of jaren achtereen van hun ouders worden gescheiden?
En Gods geboden aan kinderen zijn eveneens belangrijk. Zijn Woord zegt: „Gij kinderen, weest uw ouders gehoorzaam in alles” (Kol. 3:20). „Bewaar, o mijn zoon, het gebod van uw vader, en verlaat de wet van uw moeder niet” (Spr. 6:20). Hoe kunnen zij doen wat in Gods Woord staat als hun ouders niet eens bij hen zijn? En hoe kunnen zij ouders eren en respecteren die, door hun handelwijze, klaarblijkelijk een belangrijk deel van hun juiste ouderlijke verplichtingen uit de weg gaan en ze op iemand anders afschuiven?
HET EVENWICHTIGE STANDPUNT
Om een evenwichtige kijk op deze gehele kwestie van het „uitlenen” van jonge kinderen te krijgen, zou men de vraag kunnen stellen: „Is een wereldse opvoeding of economisch voordeel het hierbij betrokken offer waard? Dit offer kan de vrede des geestes van het kind en de ordelijke ontwikkeling onder het rechtstreekse toezicht van liefdevolle ouders omvatten. Ook al lijkt het oppervlakkig dat een kind in een pleeggezin zowel in fysiek als in materieel opzicht beter af is, hoe is het dan gesteld met de schriftuurlijke raad in 1 Timótheüs 6:17-19 om iemands hoop niet „op onzekere rijkdom te vestigen, maar op God”, opdat wij „het werkelijke leven stevig mogen vastgrijpen”? De betere economische positie van het kind vormt er nog helemaal geen waarborg voor dat het Gods goedkeuring zal verwerven.
Wanneer ouders met het probleem worden geconfronteerd of zij hun kinderen wel of niet gedurende een maand of twee of langer zullen „uitlenen”, doen zij er goed aan hun beweegredenen zorgvuldig te onderzoeken en zich af te vragen: Wil God dat ik dit doe? Stel dat het kind bereid of zelfs verlangend is een tijdlang bij zijn ouders weg te gaan, vormt dat er dan een deugdelijke reden voor om met zo’n regeling akkoord te gaan? Het is helemaal niet ongewoon wanneer kinderen dingen willen die niet goed voor hen zijn.
Ouders zijn misschien van mening dat het absoluut juist is afstand van hun kinderen te doen wanneer er in hun omgeving geen gelegenheden voor het ontvangen van elementair onderwijs bestaan. Zou het echter niet veel beter zijn te overwegen met het gehele gezin te verhuizen om zodoende dichter bij een school te wonen in plaats dat men het door God geschonken voorrecht en de door Hem opgelegde verantwoordelijkheid om op de ontwikkeling van zijn eigen kinderen toe te zien, aan iemand anders overdraagt?
En in landen waar men in de gemeente van Jehovah’s getuigen kan leren lezen en schrijven, hebben veel ouders van deze gelegenheid gebruik gemaakt en hebben zij zonder enige onkosten hunnerzijds niet alleen leren lezen en schrijven, maar ook hoe zij hun kinderen de waardevolle waarheden van Gods Woord de bijbel, de schitterendste onderwijsbron die er bestaat, kunnen inprenten. Doordat vaders, moeders en kinderen door de bijbelse waarheid dichter tot elkaar zijn getrokken, verheugen zij zich in een rijker en gelukkiger gezinsleven. En zulke ouders zouden nu voor geen geld ter wereld afstand van hun kinderen willen doen!
Indien u in Europa, Noord-Amerika of een andere plaats woont waar het niet de gewoonte is kinderen „uit te lenen”, herkent u dan gewoonten waarop dezelfde beginselen van toepassing gebracht kunnen worden? Sommige ouders zenden hun kinderen naar een kostschool of gedurende vele maanden naar een zomerkamp, ook al wordt de kinderen hierdoor de liefde, bescherming en geestelijke en morele leiding onthouden die zij zo hard nodig hebben. De gevaren en nadelen van zulk een handelwijze zijn misschien even groot als die welke bij het „uitlenen” van kinderen betrokken zijn. Er bestaat voor liefdevolle ouders overal ter wereld derhalve alle reden toe de uiterste zorg te betrachten wanneer zij met een gewoonte of regeling te maken krijgen die erop neerkomt dat zij afstand moeten doen van hun kind. De beloning van voorzichtigheid en een op Gods Woord gebaseerde beslissing kan eeuwig geluk voor allen betekenen, want „de bevelen van Jehovah zijn recht, het hart verheugend”. — Ps. 19:8.