Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w70 1/10 blz. 585-592
  • Rechters en raadgevers van een Nieuwe-Ordeningmaatschappij

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Rechters en raadgevers van een Nieuwe-Ordeningmaatschappij
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1970
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • „GAVEN IN MENSEN”
  • BOLWERK TEGEN AFVAL
  • RECHTERS EN RAADGEVERS IN DEZE TIJD
  • EEN GEVAL TER ILLUSTRATIE
  • De plaats van de gemeente in de ware aanbidding
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1961
  • Alle natiën in Jehovah’s huis bijeenbrengen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1960
  • Laat de gemeente opgebouwd worden
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2007
  • Gemeente
    Hulp tot begrip van de bijbel
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1970
w70 1/10 blz. 585-592

Rechters en raadgevers van een Nieuwe-Ordeningmaatschappij

„Ik wil weer rechters voor u terugbrengen zoals eerst, en raadslieden voor u zoals in het begin. Hierna zult gij worden genoemd: Stad der Rechtvaardigheid, Getrouwe Stad.” — Jesaja 1:26.

1. Welke situatie bestond er in Israël gedurende Jesaja’s tijd, en waartoe leidde dit? Wanneer werden hun rechters hersteld?

TOEN God bovenstaande woorden in de achtste eeuw v.G.T. door bemiddeling van de profeet Jesaja tot de natie Israël sprak, waren zij een natie die onder zijn wet stond, maar het was voor het volk moeilijk recht te verkrijgen en het werd toegelaten dat onrechtvaardigheid in het land hoogtij vierde (Jes. 1:23). Dit leidde uiteindelijk tot zulk een grote instorting dat God het tien-stammenkoninkrijk Israël in gevangenschap aan de Assyriërs liet wegvoeren. Later werd het zuidelijke koninkrijk van Juda en Benjamin door koning Nebukadnezar van Babylon in ballingschap weggevoerd. God herstelde zijn volk in 537 v.G.T., nadat Cyrus, de koning van Perzië en de bevelhebber van Babylon, het bevel had uitgevaardigd waardoor de joden werden bevrijd. De natie ontaardde echter opnieuw en haar rechters werden corrupt. — Matth. 23:23; Luk. 20:47.

2. Hoe heeft God in een vollediger en belangrijker betekenis rechtvaardige rechters hersteld?

2 In een vollediger en belangrijker betekenis vervulde God zijn belofte om rechtvaardige rechters te herstellen en werkelijke trouw aan zijn rechtvaardige wetten tot stand te brengen, met de oprichting van de christelijke gemeente. In de eerste eeuw G.T., gedurende het leven van de twaalf apostelen, kwam Gods wet in haar volle duidelijkheid en zuiverheid op de voorgrond te staan. Degenen die tot opzieners over de christelijke gemeente werden aangesteld, waren rechtvaardige mannen die door Gods heilige geest werden geleid. Jezus Christus zelf had alle oorspronkelijke rechters onder hen aangesteld, namelijk de getrouwe apostelen (Mark. 3:14; Hand. 9:15). Door de leiding die deze rechters en raadgevers aan de gemeente gaven, bewandelde ze een voorspoedige en succesvolle weg. In Handelingen 16:4, 5 lezen wij bijvoorbeeld: „Terwijl zij nu voortreisden door de steden, brachten zij hun daar ter nakoming de verordeningen over waartoe door de apostelen en oudere mannen die zich in Jeruzalem bevonden, was besloten. Ja, daarom werden de gemeenten aanhoudend in het geloof bevestigd en namen ze van dag tot dag voortdurend in aantal toe.”

„GAVEN IN MENSEN”

3. Wat deden de „gaven in mensen” voor de gemeente?

3 God koos ook nog andere mannen als „gaven” voor de gemeente uit en schonk hun speciale bekwaamheden, zodat de jonge organisatie stevig bevestigd kon worden. Met het oog hierop staat er in Efeziërs 4:8, 11, 12 geschreven: „Daarom zegt hij: ’Toen hij naar boven opsteeg, heeft hij gevangenen meegevoerd; hij heeft gaven in mensen gegeven.’ En hij heeft sommigen gegeven als apostelen sommigen als profeten, sommigen als evangeliepredikers, sommigen als herders en leraren, met het oog op de opleiding van de heiligen, voor het werk der bediening, tot opbouw van het lichaam van de Christus.” Christus’ apostelen stelden onder leiding van heilige geest andere mannen aan, zoals Timótheüs en Titus, ijverige en loyale mannen die rechters en raadgevers zouden zijn om erop toe te zien dat er in de gemeente rechtvaardigheid zou worden gehandhaafd (1 Tim. 1:3, 4; hst. 5; Tit. 1:5-13). Bovendien gaven de apostelen en andere rijpe mannen veel schriftelijke raad. Nu deze geschriften aan de Hebreeuwse Geschriften zijn toegevoegd, kan er worden gezegd dat „de gehele Schrift . . . door God [is] geïnspireerd en nuttig [is] om te onderwijzen, terecht te wijzen, dingen recht te zetten, streng te onderrichten in rechtvaardigheid, opdat de mens Gods volkomen bekwaam zij, volledig toegerust tot ieder goed werk”. — 2 Tim. 3:16, 17.

BOLWERK TEGEN AFVAL

4. Hoe lang verheugde de gemeente zich in rechtvaardige rechters en raadgevers?

4 Zolang de apostelen leefden en in zekere mate gedurende het leven van de getrouwe aangestelde personen die de apostelen wellicht hebben overleefd, bleef de gemeente ermee voortgaan God getrouw te dienen. Sommigen hebben pogingen gedaan om onrechtvaardigheid en ongerechtigheid in te voeren, maar de krachtige autoriteit van de apostelen hield hen terug (2 Thess. 2:7, 8). Wij kunnen bijvoorbeeld wijzen op het optreden van de apostelen, die bepaalde zaken snel berechtten en rechtzetten.

5-7. Geef enkele voorbeelden waardoor wordt aangetoond hoe de rechtvaardige rechters en raadgevers optraden om de gemeente voor het aangezicht van God rein te houden.

5 Toen Ananías en Saffíra zich in hun hart voornamen tegen God te liegen, waardoor zij huichelarij in de gemeente binnenvoerden, doorzag Petrus onder leiding van Gods geest hun huichelarij en sprak hij het oordeel tegen hen uit, dat in werkelijkheid Gods oordeel tegen hen vormde. — Hand. 5:1-11; Matth. 18:18.

6 Wederom werd er een poging gedaan de gemeente te verontreinigen door er grove immoraliteit binnen te voeren. Dit gebeurde in de gemeente Korinthe. Degenen die met de zorg voor de Korinthische gemeente waren belast, stonden apathisch tegenover deze verraderlijke infiltratie, maar de apostel Paulus trad handelend op om het kwaadaardige kankergezwel uit hun midden weg te snijden. In 1 Korinthiërs 5:1-5, 13 schreef Paulus: „Er wordt zowaar hoererij onder u bericht, en zulk een hoererij als zelfs onder de natiën niet voorkomt, dat een zekere man een vrouw heeft van zijn vader. En zijt gij opgeblazen en hebt gij niet veeleer getreurd, opdat de man die deze daad heeft bedreven, uit uw midden werd weggenomen? Ik voor mij, hoewel lichamelijk afwezig maar in de geest tegenwoordig, heb stellig reeds, als was ik tegenwoordig, het oordeel geveld over de man die op een wijze als deze heeft gehandeld, dat in de naam van onze Heer Jezus, wanneer gij te zamen vergaderd zijt, ook mijn geest met de kracht van onze Heer Jezus, gij zo iemand aan Satan overgeeft voor de vernietiging van het vlees, opdat de geest behouden moge worden in de dag des Heren. . . . ’Verwijdert de goddeloze man uit uw midden.’” Anderen trachtten valse leerstellingen en een verkeerde geest in dezelfde gemeente in te voeren, terwijl deze mannen beweerden apostelen te zijn. Zij begonnen hooghartig over hun christelijke broeders te heersen en door het vleien en volgen van mensen sekten te bevorderen. — 1 Kor. 1:10-13; 4:8; 2 Kor. 11:19, 20.

7 Er waren nog meer ongerechtigheden en afwijkingen van Christus’ wet in die gemeente, maar de meeste ervan werden klaarblijkelijk door Paulus’ brieven gecorrigeerd. Dit wordt te kennen gegeven in zijn tweede brief aan hen. Hij prees hen omdat zij blijk gaven van godvruchtige droefheid over de immoraliteit die had geheerst, en voor hun berouw en energieke optreden om zich van deze onreinheid te ontdoen. Hij sprak gunstig over hun verbeterde geest en gaf vervolgens nog meer raad over de valse apostelen (2 Kor. 7:9-11; 11:12-15). Zulke krachtige brieven door de apostelen hadden tot gevolg dat de gemeenten werden beschermd en weer in overeenstemming werden gebracht met de wet van de Christus. Hierop doelend schreef Paulus in 2 Korinthiërs 10:5, 6: „Want wij werpen redeneringen omver en elke hoogte die wordt opgericht tegen de kennis van God, en wij brengen elke gedachte in gevangenschap ten einde ze gehoorzaam te maken aan de Christus, en wij houden ons gereed om bestraffing toe te dienen voor elke ongehoorzaamheid, zodra uw eigen gehoorzaamheid volledig is betracht.”

8, 9. Wat waren enkele overtredingen van Gods wet die door Paulus, Judas, Jakobus en Jezus werden gecorrigeerd om de Duivel te beletten de christelijke gemeente omver te werpen?

8 Andere overtredingen van de wet en de geest van Christus die de apostelen moesten corrigeren waren: verkeerde ideeën over de opstanding, aangezien sommigen leerden dat deze reeds was geschied, een soort „geestelijke opstanding” van degenen die leefden in plaats van een werkelijke opstanding van de doden (2 Tim. 2:18). Anderen zeiden onomwonden dat er geen opstanding was, zoals Paulus in 1 Korinthiërs 15:12, 35, 36 schreef: „Indien er nu van Christus gepredikt wordt dat hij uit de doden is opgewekt, hoe kunnen dan sommigen onder u zeggen dat er geen opstanding van de doden is? Niettemin zal iemand zeggen: ’Hoe worden de doden opgewekt? Ja, met wat voor soort van lichaam komen zij?’ Onredelijke mens! Wat gij zaait, wordt niet levend gemaakt tenzij het eerst sterft.” Bepaalde judaïsten, die zich christenen noemden, trachtten de christenen weer in slavernij aan zonde terug te brengen door hen op de werken van de Mozaïsche wet te laten vertrouwen. Dit was niet omdat zij God en zijn volk liefhadden, maar omdat zij vervolging van de zijde van de joden vreesden. Paulus’ brief aan de Galáten had ten doel deze valse leer te corrigeren. — Gal. 5:2-4; 6:12, 13.

9 In de brief van Judas, die geen apostel maar een halfbroer van Jezus Christus was, werd krachtig geageerd tegen immoraliteit, waarmee sommigen die de gemeente trachtten binnen te dringen, de gemeente trachtten te verontreinigen. In Judas 4 lezen wij: „De reden die ik daarvoor heb, is dat er zekere mensen heimelijk zijn binnengedrongen, reeds lang geleden door de Schriften voor dit oordeel bestemd, goddeloze mensen, die de onverdiende goedheid van onze God veranderen in een verontschuldiging voor losbandig gedrag en ontrouw blijken te zijn aan onze enige Eigenaar en Heer, Jezus Christus.” Jakobus, nog een halfbroer van Jezus, schreef ter veroordeling van begunstiging, zeggende: ’Er bestaat klassenonderscheid onder u en gij zijt rechters geworden die verdorven beslissingen neemt’ (Jak. 2:1-4). Jaren later, kort voor de dood van de apostel Johannes, begonnen deze slechte dingen in de gemeente de kop op te steken; Jezus’ boodschap aan de zeven gemeenten vormde een strenge terechtwijzing, zoals wij in Openbaring 2:6, 14, 15, 20 kunnen lezen. De Duivel deed zijn uiterste best om de eerste gemeente in het beginstadium ervan omver te werpen. Zolang de apostelen als rechters en raadgevers in leven waren, werd de gemeente rein gehouden en kon de afval geen vaste voet krijgen. Maar na de dood van de apostelen greep de afval om zich heen (2 Thess. 2:6-8). Paulus zei hierover in Handelingen 20:29, 30: „Ik weet dat er na mijn heengaan onderdrukkende wolven bij u zullen binnenkomen, die de kudde niet teder zullen behandelen, en uit uw eigen midden zullen mannen opstaan die verdraaide dingen zullen spreken om de discipelen achter zich aan te trekken.”

RECHTERS EN RAADGEVERS IN DEZE TIJD

10. Hoe kan er worden gezegd dat de laatste vervulling van Jesaja’s profetie is aangebroken?

10 En nu is de uiteindelijke en grootse vervulling van Jesaja’s profetie aangebroken! Jehovah’s organisatie is wederom op een volledig theocratische basis gegrondvest, want onder meer dan 25.000 gemeenten van Jehovah’s getuigen over de gehele wereld bestaat volledige eenheid, terwijl in elke gemeente dezelfde wet wordt aangehouden. Deze wet bestaat onder ons in de vorm van het onderricht en de raad van Jezus en zijn apostelen en discipelen. De organisatie is apostolisch, dat wil zeggen, ze is net zo werkzaam als onder het onmiddellijke toezicht van de apostelen. Rijpe, getrouwe mannen zijn als opzieners en dienaren in de bediening aangesteld om de gemeente te leiden en overtredingen van Gods wet te behandelen.

11. Hoe vormt de gemeente van Gods volk in deze tijd een bolwerk voor ware aanbidding, en wat verschaft ze voor degenen die inzien hoe deze wereld heeft gefaald?

11 In deze tijd kan de christelijke gemeente rein gehouden worden, waardoor Gods gunst erop blijft rusten en de eenheid in het tot stand brengen van het werk wordt bewaard. De gemeente van Gods volk die thans over de gehele wereld bestaat, vormt een bolwerk voor ware aanbidding (1 Tim. 3:15). Allen die inzien hoe deze wereld heeft gefaald en die de ongerechtigheden ervan beseffen, kunnen aldus naar een plaats gaan waar gerechtigheid wordt beoefend en kunnen uitzien naar de in de nabije toekomst liggende tijd dat Gods wet overal op aarde ten uitvoer wordt gelegd, waarbij ze allen met gerechtigheid en rechtvaardigheid bejegent en nooit zal toelaten dat opstand weer een val teweegbrengt. In Jesaja 60:17, 18 is dit als volgt voorzegd: „In plaats van het koper zal ik goud brengen, en in plaats van het ijzer zal ik zilver brengen, en in plaats van het hout, koper, en in plaats van de stenen, ijzer; en ik wil vrede tot uw opzieners aanstellen en rechtvaardigheid tot uw taakopleggers. Van geweld zal niet meer worden gehoord in uw land, noch van gewelddadige plundering of verbreking binnen uw grenzen. En gij zult uw eigen muren stellig Redding noemen en uw poorten Lof.”

12. Hoe worden de gemeenten van Gods volk thans bestuurd?

12 In deze „laatste dagen”, nu de christelijke gemeente tot volledige rijpheid is gekomen, zijn de aardse Koninkrijksbelangen toevertrouwd aan de „getrouwe en beleidvolle slaaf”, Gods „dienstknecht”-klasse, welke is samengesteld uit de overgebleven leden van de door de geest verwekte broeders van Christus op aarde (Matth. 24:45-47). Terwijl zij zich houden aan de wet van Christus, zoals deze in de bijbel staat opgetekend, leiden zij de gemeenten van Jehovah’s getuigen over de gehele aarde. Door bemiddeling van hen heeft de heilige geest mannen in de gemeenten aangesteld die aan bijbelse vereisten voldoen en die tot taak hebben zorg te dragen voor kwesties die zich zouden kunnen voordoen waarin Gods wet wordt overtreden. Paulus zei derhalve in Handelingen 20:28: „Schenkt aandacht aan uzelf en aan de gehele kudde, onder welke de heilige geest u tot opzieners heeft aangesteld, om de gemeente Gods te weiden, welke hij met het bloed van zijn eigen Zoon heeft gekocht.”

13. Welke regeling is er getroffen voor het behandelen van ernstige overtreding van Gods wet?

13 Er zijn drie rijpe mannen die gewoonlijk in zo’n geval zitting houden, namelijk de gemeentedienaar of opziener, de assistent-gemeentedienaar en de bijbelstudiedienaar. Dit moeten mannen zijn die er blijk van hebben gegeven getrouw te zijn en die gerechtigheid en barmhartigheid liefhebben (1 Tim. 3:1-10). Gevallen waarin iemand een ernstige overtreding heeft begaan welke invloed uitoefent op de gemeente en de positie die ze voor het aangezicht van God inneemt, alsmede dingen waardoor smaad op de gemeente wordt geworpen, worden door deze drie aangestelde mannen, die bekendstaan als het „dienstcomité van de gemeente”, behandeld. Deze mannen handelen ter bescherming van de leerstellige en morele zuiverheid van de gemeente. — 1 Tim. 4:11-16; 5:19-21; 6:3-5, 13, 14, 20; Tit. 3:9-11.

14. (a) Welke regeling voor het behandelen van geschillen bestond er in de eerste christelijke gemeente? (b) Waarom dienen christenen elkaar niet voor wereldse rechtbanken te dagen?

14 In de eerste christelijke gemeente was er geen klasse van personen die speciaal bevoorrecht werden (Matth. 23:8; Rom. 12:10). Iedereen had bij de opzieners, die door de heilige geest waren aangesteld, dezelfde gelegenheid en dezelfde rechten (Spr. 28:21; 1 Tim. 5:21). Als zich tussen leden van de gemeenten maar het kleinste probleem voordeed, konden zij het geschil aan deze mannen voorleggen en een rechtvaardig oordeel ontvangen dat op Gods wet was gebaseerd. De apostel Paulus gaf de raad dat het voor christenen niet nodig was elkaar voor rechtbanken van de wereld te dagen; hij zei dat zij hun geschillen aan de gemeente moesten voorleggen. Dit was redelijk, aangezien degenen die God had uitverkoren om medeërfgenamen met Christus in de hemel te zijn, op Gods bestemde tijd de wereld, ja, zelfs engelen, zouden oordelen. Zij zouden dus in werkelijkheid de theocratische regeling negeren en zichzelf als een christelijke gemeente een nederlaag toebrengen wanneer zij elkaar voor wereldse gerechtshoven zouden dagen. Het zou een smaad, een nederlaag voor hen vormen. Hoe zouden zij kunnen beweren God, de Rechter van allen, en zijn Zoon Jezus Christus te vertegenwoordigen, ja, hoe zouden zij anderen ertoe kunnen aanmoedigen de wereld te verlaten en zich bij hen aan te sluiten, als zij nog niet eens hun eigen geschillen konden beslechten? — 1 Kor. 6:1-8.

EEN GEVAL TER ILLUSTRATIE

15. (a) Wat zijn de twee voornaamste redenen waarom het comité gevallen behandelt waarin een verkeerd gedrag aan de dag is gelegd? (b) Hoe is de situatie in het geval dat ter illustratie wordt aangehaald?

15 Laten wij om te illustreren hoe de gemeente in deze tijd oordeelt wanneer er een verkeerd gedrag aan de dag is gelegd, een verkort verslag uitbrengen van een denkbeeldig geval dat zich in een bepaalde gemeente heeft voorgedaan. U zult opmerken dat de procedure eenvoudig, ongecompliceerd en informeel is. De redenen ervoor zijn: 1. Om de gemeente in Jehovah’s ogen rein te houden en zonder smaad, 2. om de overtreder indien mogelijk te helpen. Alle betrokkenen worden altijd met vriendelijkheid bejegend. Het geval betreft een opgedragen jongen in de tienerleeftijd wiens ouders getuigen van Jehovah zijn. Hij heeft in strijd met de raad van zijn ouders gehandeld en is in het slechte gezelschap terechtgekomen van enkele jongens uit de omgeving, hetgeen uiteindelijk tot diefstal heeft geleid. Toen de ouders dit ontdekten, wisten zij dat het van invloed was op de reputatie van de gemeente in de omgeving, aangezien niet alleen de ouders getuigen van Jehovah zijn, maar ook de zoon een opgedragen lid van de gemeente is. Zij brengen de kwestie ter correctie onder de aandacht van de verantwoordelijke leden van de gemeente opdat smaad van de gemeente kan worden weggenomen.

16. (a) Hoe is de houding van de jongen voor het comité? (b) Hoe gaat het comité te werk bij de behandeling van de kwestie?

16 De jongen, wiens diefstal door zijn ouders was ontdekt, had geprobeerd de zaak te bedekken. Maar voor het gemeentecomité ziet hij de ernst van de verkeerde daad waaraan hij zich schuldig heeft gemaakt in en belijdt hij zijn overtreding, waarbij hij blijk geeft van een berouwvolle geest en van zijn verlangen het goede te doen. Alle bewijzen, de omstandigheden en de factoren in het geval, worden openlijk besproken. De mening van de ouders, van de benadeelde partij en vooral van de jongen wordt aangehoord. Hij heeft geld gestolen uit het huis van een van de gemeenteleden om met zijn wereldse vrienden naar een bar en dansgelegenheid te gaan. Degene van wie hij heeft gestolen, is bereid de jongen wegens het duidelijk kenbare berouw te vergeven. Hierna trekt het comité zich terug om te bespreken hoe Gods wet op de feiten van het geval van toepassing is, om vervolgens het gezin weer toe te spreken. Wij horen de gemeenteopziener, broeder Christen, tot de jongen spreken, die wij Jan Dwars zullen noemen. (Er worden schriftplaatsen aangehaald om te tonen welke beginselen hierbij betrokken zijn.)

17. Hoe laat de gemeentedienaar, broeder Christen, zien op grond van welke beginselen het comité tot een beslissing is gekomen?

17 Christen: „Jan, het comité heeft het bewijs in deze zaak en alle omstandigheden en factoren die ermee in verband staan, beschouwd. Zoals je heel goed weet, kan het herhaaldelijk bedrijven van datgene waaraan jij je schuldig hebt gemaakt, je ervan weerhouden het koninkrijk Gods binnen te gaan. Zo ernstig is het [1 Kor. 6:9, 10]. Het is de plicht van de christelijke gemeente om zich rein te bewaren van deze dingen ten einde de geest van Jehovah op de gemeente te behouden [Deut. 23:14]. Je hebt je in slecht gezelschap opgehouden, Jan, waarbij je de raad van je ouders volkomen in de wind hebt geslagen [Ef. 6:1] en zelfs tegen onze waarschuwing bent ingegaan [Spr. 10:17; 12:1], en daardoor ben je ertoe gebracht deze zonde tegen Jehovah te begaan.”

18. (a) Hoe blijkt Jan werkelijk berouw tot uitdrukking te brengen? (b) Welke beginselen noemt broeder Christen met betrekking tot Jans poging de zaak te bedekken, en met betrekking tot Jans berouw?

18 De vader en moeder spreken dan met de jongen over de ernst van het feit dat hij in gebreke is gebleven naar hun raad te luisteren en over de slechte uitwerking die het op hem heeft gehad dat hij met de jongensbende is opgetrokken. Het gesprek verloopt dan als volgt:

Jan: „Het spijt me, vader en moeder. Het was helemaal verkeerd van mij. Ik heb mijn vrienden op de verkeerde plaats gezocht en ik geef het nu toe en belijd dat ik tegen Jehovah en de gemeente heb gezondigd. Ik wil God als een deel van de gemeente blijven dienen. Ik ben bereid alles te doen wat het comité zegt en elke straf te aanvaarden die mij wordt opgelegd om weer in een goede verhouding tot de gemeente te staan en in de juiste geestelijke positie ten aanzien van Jehovah te komen.”

Christen: „Goed, Jan; je bent opstandig geweest; je hebt onder de verkeerde mensen omgang gezocht. Je bent nu negentien jaar — beslist oud genoeg om zelf een juiste handelwijze te volgen. Maar je hebt verkeerd gehandeld en geprobeerd de zaak te bedekken, en je moest door je ouders bij ons worden gebracht [Job 31:33]. Je deed er echter goed aan om, toen je zag hoe slecht je positie voor Jehovah was, je zonde te belijden [Jak. 5:16], en wij geloven dat je er nu blijk van geeft op een godvruchtige wijze bedroefd te zijn — dat je werkelijk berouw hebt [Spr. 28:13; 2 Kor. 7:9, 10]. Wij geloven ook dat je inziet hoe slecht je gehandeld hebt en dat je de zaak voor Jehovah in het reine wilt brengen.”

Jan: „Ik besef dat ik mijn verstand niet heb gebruikt; ik weet niet wat mij bezielde om zover af te dwalen. Ik besef nu dat hetgeen ik deed mij werkelijk ongelukkig maakte. En, broeders, indien het mogelijk is wil ik echt bij de organisatie blijven. Zoals ik al gezegd heb, doe ik stappen om het gestolene terug te betalen. Ik ben bereid alles te doen wat Gods wet naar jullie mening van mij verlangt.”

19. (a) Hoe wijst broeder Christen op de ongehoorzaamheid aan Gods wet die aan Jans moeilijkheden ten grondslag lag? (b) Op grond waarvan had het comité Jan uit de gemeenschap kunnen sluiten?

19 Christen: „Ja, Jan, het is precies wat de bijbel zegt: ’Slechte omgang bederft nuttige gewoonten’ — zo eenvoudig is het [1 Kor. 15:33]. Dit dient een les voor je te zijn. Ook al ben je in al deze moeilijkheden geraakt, geef je nu toch van een berouwvolle houding blijk, terwijl je met Jehovah’s organisatie dienst wilt verrichten. Daarom kan je op basis van Christus’ slachtoffer, dat je zonden bedekt, barmhartigheid worden betoond [1 Joh. 2:1, 2]. De beslissing van het comité is dus dat je niet uit de gemeenschap zult worden gesloten, Jan [Jak. 2:13]. Maar wij stellen je gedurende een bepaalde tijd onder voorwaarden.”

Jan: „Broeder Christen, ik ben dankbaar voor de gelegenheid die mij wordt geboden om bij Gods organisatie te blijven en ik zal alles doen wat jullie zeggen om de zaak zoveel mogelijk in het reine te brengen. Ik weet dat ik voor mijn overtreding uitgesloten had kunnen worden.”

Christen: „Ja, maar je bent tot bezinning gekomen; je hebt beleden wat je hebt gestolen en hoeveel en je hebt de eerste stap gedaan om te doen wat juist is door overeen te komen het gestolene volledig terug te betalen.”

Vader: „Ik zal erop toezien dat hij het doet, broeder Christen.”

20. (a) Op grond waarvan kon de gemeente eisen dat Jan het gestolene, met rente, zou terugbetalen? (b) Hoe zouden Jans ouders hem kunnen helpen, en waarom moet hij zich geregeld bij een lid van het comité melden? (c) Hoe was Jan werkelijk een slaaf geworden?

20 Christen: „Heel fijn, broeder Dwars. Je dient erop toe te zien dat hij òf voor jou òf voor iemand anders werkt, zodat hij genoeg verdient om het gestolene volledig, met rente, terug te betalen [Ex. 22:3, 7] . . . Welnu, Jan, volgens Gods wet zijn je ouders verantwoordelijk voor jou; wij zullen het dus aan hen overlaten op deze zaak toe te zien en je te helpen weer in een gezonde geestelijke toestand te komen. Je ouders zullen je beperkingen moeten opleggen wat je omgang met de jongensbende betreft [Spr. 22:15]. Zij zullen je ook helpen weer geestelijk gezond te worden door erop toe te zien dat je de gemeentevergaderingen bezoekt [Hebr. 10:24, 25], terwijl zij je ook nog op andere manieren zullen bijstaan hersteld te worden. Er zal van je worden verlangd je eens per maand bij mij of bij een van de andere leden van het comité te melden en te vertellen hoe het met je gaat. Dit melden heeft niet uitsluitend ten doel je te controleren, Jan. Het is ook nodig opdat het comité je kan helpen en bovendien opdat het kan zien welke vorderingen je maakt [1 Thess. 5:14], zodat de gemeente zich niet Jehovah’s misnoegen op de hals haalt omdat ze een verkeerd gedrag onder haar leden zou toelaten [1 Kor. 5:5, 6]. Je ziet, Jan, in plaats dat je een slaaf van Jehovah was, die zijn wet gehoorzaamde, ben je in werkelijkheid een slaaf geworden van deze slechte groep jongens, met wie je bent opgetrokken [Rom. 6:16]. Je dacht dat het flink was te doen wat zij deden, zonder te beseffen in welke slavernij je in werkelijkheid terechtkwam.”

21. (a) Aan welk ernstige gevaar had Jan zich blootgesteld door met de wereldse jongensbende op te trekken? (b) Wat zal zowel Jan als de gemeente gelukkig maken?

21 Vader: „Ja, en sta er eens bij stil hoe die jongens autorijden! O, je had wel bij hen geweest kunnen zijn als er iemand werd doodgereden. Je had werkelijk bloedschuld op je kunnen laden voor het aangezicht van Jehovah!” — Num. 35:11, 25, 34.

Christen: „Dat is zo, Jan. Wel, broeder en zuster Dwars, als Jan doet wat hij zegt dat hij zich heeft voorgenomen en als jullie hem goed in het oog houden en helpen, zal het goed met hem gaan, en wat zal dit ons allen niet gelukkiger maken!” — Luk. 15:7; Jak. 5:19, 20.

22. (a) Is de toepassing van Gods wet een ingewikkelde aangelegenheid? (b) Wat zal het comité indien mogelijk altijd trachten te doen, en op grond waarvan wordt dit gedaan?

22 Dit toont de eenvoud aan waarmee zo’n geval wordt behandeld. Er wordt vastgehouden aan Gods wet, die zo duidelijk en eenvoudig is. Een slecht gedrag kan niet door de vingers worden gezien; toch zal barmhartigheid worden betoond indien er, als de houding van de persoon en de omstandigheden in aanmerking worden genomen, een basis voor wordt gevonden. In dat geval is de verdienste van Christus’ slachtoffer van toepassing.

23. Welke vooruitzichten liggen er voor Jan in het verschiet doordat hem barmhartigheid werd geschonken, en waarom moet hij niet terugvallen?

23 Indien de jongen zich herstelt, zal het hem na verloop van tijd worden vergund weer geheel en al in een goede positie ten aanzien van de gemeente te komen. Indien hij terugvalt tot zijn slechte handelwijze en een onberouwvolle zondaar is, een dief of een kwaaddoener, of indien hij erin volhardt zich bij anderen aan te sluiten wanneer zij zich aan een slecht gedrag schuldig maken, zal hij worden uitgesloten, dat wil zeggen, hij zal uit de christelijke gemeenschap worden gesloten. — 1 Kor. 5:11-13.

24. Wat heeft het voor Jehovah’s getuigen tot gevolg gehad dat zij er zorgvuldig op hebben toegezien Gods wet met betrekking tot het rein houden van de gemeente na te leven?

24 Christenen zijn blij dat Jehovah goedgunstig ’gaven in mensen’ aan de gemeente heeft geschonken in de persoon van rijpe mannen die Gods wet begrijpen en er als rechters en raadgevers aan vasthouden. Jehovah’s getuigen gaan te werk volgens het schriftuurlijke patroon. Zij zien er angstvallig op toe dat de organisatie rein wordt gehouden. Jehovah heeft getoond dat hij met hen is door hen in een goede positie ten aanzien van hem te brengen en doordat er van de zijde van wereldse mensen goed van hen wordt gesproken met betrekking tot hun reine moraal en ordelievende beginselen (1 Tim. 3:7; 1 Petr. 4:15, 16). God schenkt steeds meer geestelijke voorspoed en toename, waarbij tienduizenden zich elk jaar bij hun gelederen aansluiten en hun leven aan Jehovah opdragen, met het vooruitzicht in een nieuwe ordening zonder wetteloosheid te mogen leven. Het is zoals in Jesaja 60:22 staat: „De kleine zelf zal tot duizend worden, en de geringe tot een machtige natie. Ikzelf, Jehovah, zal het te zijner tijd bespoedigen.”

[Illustratie op blz. 587]

De brieven van de apostelen hielpen de eerste discipelen in overeenstemming met de wet van Christus te blijven

[Illustratie op blz. 590]

Geestelijk rijpe mannen dienen als rechters en raadgevers in de hedendaagse organisatie van Jehovah’s getuigen

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen