Vreugde vinden in de Koninkrijkshoop
Zoals verteld door Alex Kellaris
TOEN ik op zekere dag, toen ik nog maar acht jaar oud was, neerknielde en bad: „Uw koninkrijk kome”, werden deze woorden diep in mijn geest gegrift. Ik sprong op en ging naar mijn moeder toe met de vraag: „Wat betekenen die woorden eigenlijk precies?” In plaats dat zij mijn vraag beantwoordde, zoals zij gewoonlijk deed, zei ze dat ik dat beter aan de priester kon vragen. Aangezien wij in ons dorp Lutron, in de Griekse provincie Korinthe, altijd naar de Grieks-Orthodoxe Kerk gingen, besloot ik haar raad op te volgen.
Wij waren altijd geregelde kerkgangers geweest. Mijn vader zat zelfs in het plaatselijke kerkbestuur. En wegens zijn grote belangstelling voor religie ontving ik veel religieus onderricht, terwijl ik later zelfs misdienaar werd. Ik had er dus goede reden voor met mijn vraag naar de priester te gaan, in het volste vertrouwen een goed antwoord te ontvangen. Hij bleef echter niet alleen in gebreke mijn vraag te beantwoorden, maar hij bestrafte mij door te zeggen: „Je hebt niet het recht een priester vragen te stellen. Een priester laat zich niet door anderen commanderen of ondervragen.” Onnodig te zeggen dat ik helemaal uit het veld was geslagen. En dan te bedenken dat het mijn moeders dierbaarste wens was dat ik eens priester zou worden!
Toen ik ouder werd, bleef die vraag mij altijd bij, en ik bleef mensen ernaar vragen, vooral degenen die religieus gezind schenen te zijn. Maar niemand kon mij een werkelijk bevredigend antwoord geven. Ik vond het maar vreemd dat wij die woorden steeds weer opnieuw in onze gebeden uitspraken zonder te weten wat ze eigenlijk betekenden.
In 1912, toen ik zestien jaar was, gaven mijn ouders mij toestemming naar de Verenigde Staten te emigreren, waar ik bij mijn broer in Toledo, Ohio, kon inwonen. Hierdoor begon er in meer dan een opzicht een nieuw leven voor mij. Toen ik op zekere dag uit het raam keek van het restaurant waar ik voor een van mijn familieleden werkte, zag ik een door een paard getrokken reclamewagen met aanplakbiljetten opzij. De koetsier luidde een bel om de aandacht te trekken. Het was een aankondiging van de vertoning van het „Photo-Drama der Schepping” — een film waarin het hele geschiedkundige bericht van de bijbel verteld zou worden.
Aangezien ik de stad niet kende, haalde ik mijn oom ertoe over mij naar de plaats te brengen waar deze film vertoond zou worden. Na de vertoning, die een ware openbaring voor mij was, vroeg ik aan de persoon die de vergadering leidde, A. H. Macmillan: „Wat betekent ’Uw koninkrijk kome’?” Mijn jeugdige ernst amuseerde hem en hij vroeg me Daniël 2:44 te lezen, niet eenmaal, maar tweemaal. Toen hij zag dat ik het nog steeds niet begreep, legde hij uit: „Het koninkrijk van God is zijn hamer door middel waarvan hij alle koninkrijken van de wereld zal vernietigen en alle overlevenden zegeningen zal schenken.”
DE KONINKRIJKSHOOP MET ANDEREN DELEN
Dat antwoord verschafte mij precies wat ik wilde weten. De volgende dag vertelde ik mijn vrienden en familieleden enthousiast wat ik had gezien en geleerd. En de volgende drie avonden ging ik terug om de rest van de vertoningen van het Drama te zien.
Verlangend meer over deze pas gevonden hoop te weten te komen, bezocht ik een aantal boekwinkels in de hoop boeken over het onderwerp te vinden. In een van deze winkels was ik zo gelukkig Deel Eén te kunnen kopen van de Schriftstudiën, over het onderwerp „Het goddelijke plan der eeuwen”. Het was in het Grieks en kostte mij maar een paar dubbeltjes! Maar wat bleek het een waardevolle bron van kennis te zijn en wat schonk het mij een vreugde!
In de loop des tijds was ik in de gelegenheid de andere zes delen van deze reeks van de „Studies” van rondreizende colporteurs te kopen. Hoe meer ik ze las, des te meer ik mij ertoe verplicht voelde deze wonderbare Koninkrijkshoop met anderen te delen.
Het duurde niet lang of de Eerste Wereldoorlog brak uit, en tot mijn verbazing werd het zevende deel van de Schriftstudiën door de regering verboden. Agenten die exemplaren van de verboden publikatie zochten, begonnen mij lastig te vallen, en daarom besloot ik naar Springfield, in de Amerikaanse staat Ohio, te verhuizen, waar ik enkele familieleden had. Dit bleek heel gunstig te zijn, want daar was ik al gauw in contact met de Bijbelonderzoekers, zoals Jehovah’s getuigen toen werden genoemd, en ik kon geregeld met hen bijeenkomen voor bijbelstudie. In die dagen kwamen wij in alle stilte bijeen op de zolder van een zeven verdiepingen hoog kantoorgebouw waar een van de Bijbelonderzoekers als liftbediende werkte. Hier ontmoette ik ook Chester Goings, met wie ik op een later tijdstip op het hoofdbureau van het Wachttorengenootschap dienst zou verrichten.
Ik bleef getuigenis geven over de Koninkrijkshoop, vooral onder Grieks-sprekende mensen. Ik kan mij herinneren dat op zijn minst twee families hun standpunt voor Gods koninkrijk innamen.
Sprekers uit Columbus, Ohio, kwamen openbare lezingen uitspreken, waardoor onze kennis van Gods wil geweldig vermeerderde. In het begin zag ik er de noodzaak niet van in opnieuw gedoopt te worden. Maar naarmate ik tot rijpheid groeide, besefte ik dat die vroegere doop als kind nutteloos was geweest. Daarom werd ik op 31 december 1923 te Wheeling, in West-Virginia, gedoopt.
KONINKRIJKSVREUGDE OF WERELDS SUCCES?
Nu ik met de wedloop „om de prijs van de roeping naar boven, die God door bemiddeling van Christus Jezus doet toekomen” was begonnen, was ik er altijd op uit mijn dienst ten behoeve van de Koninkrijksbelangen uit te breiden (Fil. 3:14). Ik hoopte vaak dat ik van nut zou zijn op het hoofdbureau van het Genootschap in Brooklyn, New York. Maar iemand vertelde me dat zij daar alleen ervaren hulp konden gebruiken, en daarom zette ik die gedachte voorlopig maar uit mijn hoofd.
Toen bezocht een „pelgrim”-broeder, of reizende vertegenwoordiger van het Genootschap, W. J. Thorn, onze gemeente. Toen ik samen met hem van huis tot huis predikte vroeg hij: „Broeder, waarom dien je het Koninkrijk niet full-time op Bethel?” „Omdat ik geen boeken kan maken”, antwoordde ik. „Maak je geen zorgen”, zei hij, „dat heb je gauw genoeg geleerd”, en met die woorden gaf hij mij een aanvraagformulier. Verheugd vulde ik het formulier in en verzond het naar het kantoor van het Genootschap.
Ik was beslist vrij om te gaan, want ik had net mijn aandeel in een zakelijke onderneming verkocht. Maar toen kwam plotseling de ene beproeving na de andere. Eerst ontving ik een bijzonder verleidelijk en lucratief zakelijk aanbod. Maar ik had genoeg van het materialisme en sloeg het daarom af. Vervolgens vatte een goede vriend en christelijke broeder van mij het plan op zijn familie in Griekenland te bezoeken en vroeg hij mij tijdens zijn afwezigheid zijn zaak te behartigen. Ik had al enige maanden op antwoord van het Genootschap gewacht. Daarom zei ik tegen hem: „Als ik binnen twee weken niets van het Genootschap hoor, zal ik voor je zaak zorgen.” Maar na een paar dagen kwam er een expresbrief. Ik werd uitgenodigd op Bethel dienst te verrichten.
Dat gaf de doorslag! Op 17 maart 1930 stapte ik het Bethelhuis binnen om een periode te beginnen die vervuld is geweest van vreugdevolle voorrechten — een periode die nu al ruim veertig vreugdevolle jaren heeft geduurd.
HET KONINKRIJK OP BETHEL DIENEN
Ondanks mijn gebrek aan ervaring, werd mij al gauw getoond hoe in de boekbinderij, bij de inhangmachine, te werken. Ik hield werkelijk van het werk. Ja, voordat ik het goed besefte, deed ik het drieëntwintig jaar achtereen. Ik heb het voorrecht gehad heel wat jongere mannen op te leiden, waarbij ik hen aanmoedigde hun Koninkrijksdienst trouw te blijven verrichten.
Behalve de voldoening schenkende werkzaamheden op Bethel, waren er ook nog de vele gelegenheden om aan alle takken van het Koninkrijkspredikingswerk deel te nemen. Tot nu toe heb ik de voorrechten kunnen smaken van het predikingswerk van huis tot huis, het brengen van nabezoeken bij geïnteresseerde mensen en het leiden van bijbelstudies. Ook is het een vreugdevol werk bijbelverklarende tijdschriften op straat aan te bieden. In de Riverside-gemeente van Jehovah’s getuigen in West-Manhattan is een boekstudiegroep die in het huis van een Griekse familie wordt gehouden. Sinds deze in 1937 werd opgericht, heb ik het genoegen gehad hier de studiedienaar van te mogen zijn.
Stelt u zich mijn voldoening voor in de loop der jaren „kinderen” en zelfs „kleinkinderen” van deze groep, bekendmakers van de boodschap van Gods koninkrijk te zien worden!
Een bijzonder belangrijke gebeurtenis in de Bethelgeschiedenis was voor mij het begin van de Theocratische Bedieningsschool voor Bethelwerkers. Dat was in 1942. Ik liet mij meteen inschrijven en ik bezoek de school nog steeds en houd oefenlezingen. De schitterende opleiding waarin die school voorziet heeft velen, met inbegrip van mijzelf, de bekwaamheid verleend openbare lezingen te houden.
EEN RUIMERE KIJK OP GODS GROOTSE WERK
De dienst die ik al deze jaren op het Bethelhoofdbureau heb mogen verrichten, heeft er beslist veel toe bijgedragen mijn kijk op de Koninkrijksbelangen en op het wonderbare werk dat Jehovah op de gehele aarde laat verrichten, te verruimen. Getuigen uit alle delen van de Verenigde Staten en uit alle andere delen van de wereld komen hier om het Bethelhuis te bezichtigen of om de Gileadschool te bezoeken ten einde een opleiding als zendeling te ontvangen. Het is bijzonder versterkend te zien hoe mensen van alle nationaliteiten dezelfde ijver voor Gods dienst bezitten.
Dit valt vooral op tijdens grote vergaderingen van Gods volk, zoals bijvoorbeeld de congressen die ik in 1935 in Europa mocht bezoeken. Eerst genoot ik van de heerlijke oceaanreis op een schip dat door het Genootschap was gecharterd, de Arosa Star. Toen kwamen de onvergetelijke congressen en daarna kwam de gelegenheid naar Griekenland te gaan, waar het Koninkrijkswerk onder grote moeilijkheden voortgang vond. In mijn geboorteplaats sprak ik met veel mensen over de bijbelse boodschap van hoop — ik hield zelfs twee openbare lezingen op het dorpsplein en een in het huis van een ouderling van de Grieks-Orthodoxe Kerk. Elke avond sprak ik tot diep in de nacht met mijn christelijke broeders en zusters.
Ik had de gelegenheid enkele invalide Getuigen in Sparta te bezoeken. Toen een van hen van mijn komst hoorde, stond hij op en kleedde zich aan, en zodra ik het huis binnenkwam, viel hij mij om de hals en zei: „Nu kan ik in vrede sterven, want ik heb een van de gezalfden van de Heer van het hoofdbureau in Brooklyn gezien”. De doktoren hadden hem niet veel hoop gegeven, maar hij heeft daarna nog vijf jaar geleefd.
Ik merkte nu dat de brieven die ik aan mijn vader had geschreven, meer vrucht hadden afgeworpen dan ik had verwacht. Op zekere dag vluchtte een Getuige, die door een woedende menigte werd achtervolgd, zijn huis binnen. Mijn vader ging het gepeupel met een geweer tegemoet en dreigde iedereen neer te schieten die te dichtbij kwam. Hoewel hij nooit zijn standpunt voor Gods koninkrijk heeft ingenomen, had hij geleerd dat onverdraagzaamheid jegens degenen die de boodschap van de bijbel prediken niet bij een ware christen past.
Toen kwam het opwindende jaar 1969, toen ik opnieuw het grote voorrecht had naar Europa te reizen, deze keer per vliegtuig. Het prachtige congres in Neurenberg vormde het hoogtepunt. Hier viel mij de vreugde ten deel met Getuigen uit alle delen van Griekenland, uit Australië, Frankrijk, België en vele andere landen bijeen te komen. De liefde onder de broeders was duidelijk kenbaar. Ik kan werkelijk zeggen dat ik nog nooit een vergadering heb bijgewoond die zo opbouwend was.
Ook deze keer bracht ik een bezoek aan Griekenland en ontmoette ik mede-Getuigen in Athene, Korinthe en Sparta. Het was werkelijk bijzonder aangenaam naar hun vele ervaringen te luisteren. Zo vertelde bijvoorbeeld een bejaarde Griekse pionierbedienaar dat hij een groep werklieden ontmoette die aan het schaften waren. Zij nodigden hem uit met hen mee te eten en intussen luisterden allen naar een communist die hun vertelde over het „Rode Paradijs”. Toen de man klaar was met zijn toespraak, zei de pionierbedienaar tactvol: „Ik ben nu 87 jaar oud, en als u dit ouderdomsproces kunt stilzetten en mijn dood kunt afwenden, ben ik bereid uw standpunt te aanvaarden.” Natuurlijk kon de man deze waarborg niet geven. Daarom vervolgde de pionierbedienaar met Jehovah’s voorziening voor de gehele mensheid uit te leggen. De man luisterde belangstellend; hij aanvaardde de Koninkrijksboodschap en is nu een ijverige Getuige.
In een klein dorpje vroeg een bezoeker aan de plaatselijke priester: „Wat is er in dit dorp aan de hand? Iedereen schijnt bij de Getuigen te behoren!” De priester antwoordde: „Misschien hoor ik er binnenkort ook wel bij.”
Een Getuige werd door een priester voor het gerecht gebracht op de beschuldiging dat hij rondging als een „wolf in schaapskleren”. De verdachte zei tot de rechter: „Edelachtbare, ik draag net zulke kleren als iedereen. De priester is degene die andere kleren draagt.” Hierop verliet de priester de zaal, waarna de rechter de zaak niet onontvankelijk verklaarde.
Alles samengenomen was het bijzonder aanmoedigend de ijver van de Getuigen in Griekenland te zien. Mannen die in de gemeenten en in het gehele land verantwoordelijkheid dragen, besteden er vele uren aan de gemeente van God te weiden, waarbij in aanmerking genomen moet worden dat hun werk dubbel zwaar is vanwege de vele beperkende bepalingen. Maar zij zijn vreugdevol, en zij hebben beslist veel liefde voor de broeders op het hoofdbureau van het Genootschap, die hard werken om hen van geestelijk voedsel te blijven voorzien. Ik ben werkelijk dankbaar dat het Genootschap het voor mij mogelijk heeft gemaakt zoveel van onze Europese mededienstknechten van het Koninkrijk te bezoeken.
Nu ik tweeënzeventig jaar oud ben, besef ik meer dan ooit dat het Koninkrijk waar ik als jongen om heb gebeden, werkelijk ’s mensen enige hoop is. Ik ben dankbaar voor de mate van gezondheid en kracht waardoor ik dagelijks in het Bethelhuis dienst kan blijven verrichten, terwijl ik bovendien elke maand tussen de vijftien en twintig uur besteed aan activiteiten in verband met de Riverside-gemeente van Jehovah’s getuigen in de stad New York — een ijverige groep Koninkrijksverkondigers. Vooral tegen jonge mensen zou ik willen zeggen: Besteedt de jeugdige kracht die jullie nu nog hebben aan de belangen van het Koninkrijk! Geen enkele andere activiteit kan zulk een voldoening en vrede des geestes schenken.