Hemelse ondersteuning van de Koninkrijksprediking
„Jehovah’s engel [opende] de deuren van de gevangenis, bracht hen naar buiten en zei: ’Gaat heen, . . . en blijft . . . tot het volk spreken.’” — Hand. 5:19, 20.
1. (a) Kennis van welk feit kan iemand ertoe bezielen ijverig met zijn werk voort te gaan? (b) Wat hebben wereldleiders derhalve gedaan, maar waarom ondersteunt God hen niet?
HET is een vertroostende, geruststellende gedachte dat men bij zijn werk wordt ondersteund door de Almachtige God en zijn onzichtbare, hemelse engelen. Een zekere kennis van dit feit kan iemand met zo’n moed en ijver bezielen dat geen enkele belemmering, hoe groot ook, hem ertoe kan brengen het langzamer aan te gaan doen of ermee op te houden zich ijverig met het werk bezig te houden. Het is derhalve begrijpelijk dat religieuze en politieke regeerders van de wereld hun mensen vaak tot grotere prestaties hebben proberen te inspireren door hun te vertellen dat God hen steunde. Zij doen dit vaak in oorlogstijd, en het resultaat is dat beide elkaar bestrijdende partijen aanspraak maken op de ondersteuning van de Almachtige God. Deze mensen hebben echter geen zeker bewijs voor de hemelse ondersteuning van hun activiteiten. Het tegendeel is veeleer waar, want aangezien zij hun eigen doeleinden trachten te bereiken en weigeren op Gods wetten acht te slaan, is zelfs hun „gebed . . . iets verfoeilijk” voor Hem. — Spr. 28:9; Jak. 4:1-3.
2. (a) Welk bewijs is er dat Jezus hemelse ondersteuning ontving? (b) Waarom ontving Jezus deze hulp uit de hemel?
2 Aan de andere kant vertrouwde Jezus Christus, die zich getrouw aan Gods wil onderwierp en Zijn koninkrijksboodschap predikte, volledig op Gods ondersteuning. In de laatste nacht van zijn aardse bestaan, toen hij in de hof van Gethsémane was, zei hij tot zijn apostel Petrus: „Denkt gij dat ik geen beroep op mijn Vader kan doen om mij op dit ogenblik meer dan twaalf legioenen engelen te verschaffen?” (Matth. 26:53) Jezus beweerde niet alleen dat hij hemelse ondersteuning had, maar dit was iets wat hij zeker wist. Stelt u zich eens voor, slechts enkele minuten voordat Jezus daar in de hof tot Petrus had gesproken, „verscheen hem een engel uit de hemel, die hem sterkte”. En drie en een half jaar daarvoor, aan het begin van zijn aardse bediening, kwamen „engelen . . . hem dienen” (Luk. 22:43; Matth. 4:11). Dat Jezus deze hulp uit de hemel ontving, kwam doordat hij de wil van God deed. Jehovah God had een levendige belangstelling voor de activiteit van zijn Zoon op het gebied van de Koninkrijksprediking en hij ondersteunde hem.
3. Welke schriftuurlijke verzekering is er dat Jehovah zijn dienstknechten ondersteunt en beschermt?
3 Dat God werkelijk een aandeel heeft aan de bedieningsactiviteit van zijn dienstknechten blijkt uit de geïnspireerde geschriften van de apostel Paulus betreffende het predikingswerk: „Wat dan is Apóllos? Ja, wat is Paulus? Dienaren door bemiddeling van wie gij gelovigen zijt geworden, zoals de Heer aan een ieder heeft geschonken. Ik heb geplant, Apóllos heeft begoten, maar God bleef het wasdom geven; zodat noch hij die plant iets is, noch hij die begiet, maar God, die het wasdom geeft. Want wij zijn Gods medewerkers” (1 Kor. 3:5-7, 9). Wat geweldig, te weten dat Jehovah God zijn dienstknechten schraagt en ondersteunt! Evenals de bijbelse psalmist kunnen zijn medewerkers vol vertrouwen zingen: „Jehovah staat aan mijn zijde; ik zal niet vrezen. Wat kan de aardse mens mij doen? Jah is mijn beschutting en mijn macht, en mij wordt hij tot redding.” — Ps. 118:6, 14.
JEHOVAH VERSCHAFT HEMELSE ONDERSTEUNING
4. Wie zouden eraan kunnen twijfelen dat Gods dienstknechten hemelse ondersteuning genieten, en wie in de oudheid had daar klaarblijkelijk helemaal niet aan gedacht?
4 Gelooft u werkelijk dat Jehovah God zijn dienstknechten schraagt en zijn hemelse engelen gebruikt om hen te ondersteunen? Mensen die niet goed met de werken van Jehovah bekend zijn, zouden hieraan kunnen twijfelen. In de tiende eeuw v.G.T. was er een man in de natie Israël die daar klaarblijkelijk helemaal niet aan had gedacht. Dit was de bediende van Jehovah’s profeet Elisa.
5, 6. (a) Waarom wilde de Syrische koning Elisa gevangen nemen? (b) Hoe kwam het dat Elisa en zijn bediende, ondanks het feit dat zij volledig waren omsingeld, werden gered?
5 De Israëlieten waren Gods uitverkoren volk, en toen de natie Syrië in een oorlog met Israël verwikkeld geraakte, onthulde Jehovah derhalve aan zijn dienstknecht Elisa welke militaire manoeuvres de koning van Syrië van plan was uit te voeren. Doordat de Israëlieten aldus van tevoren door Elisa werden gewaarschuwd, waren zij herhaaldelijk in staat strikken te vermijden die voor hen waren gespannen. Toen de Syrische koning ten slotte te weten kwam wie zijn zorgvuldig ontworpen militaire krijgslisten onthulde, zond hij een zware krijgsmacht naar Elisa toe om hem gevangen te nemen. Het bijbelse verslag verklaart: „Zij nu kwamen des nachts en omsingelden de stad. Toen de dienaar van de man van de ware God [Elisa] vroeg opstond om zich op te maken, en naar buiten ging, wel, daar omringde een krijgsmacht de stad met paarden en strijdwagens. Terstond zei zijn bediende tot hem: ’Ach, mijn meester! Wat zullen wij doen?’” — 2 Kon. 6:14, 15.
6 Het zag ernaar uit dat de Syriërs op het punt stonden Elisa gevangen te nemen. Hij en zijn bediende waren omsingeld. Er was geen ontkoming mogelijk. Of wel soms? Elisa was overtuigd van hemelse ondersteuning, en daarom zei hij tot zijn bediende: „’Wees niet bevreesd, want er zijn er meer die met ons zijn dan die met hen zijn.’ Toen bad Elisa en zei: ’O Jehovah, open alstublieft zijn ogen, opdat hij moge zien.’ Onmiddellijk opende Jehovah de ogen van de bediende, zodat hij zag; en zie! het bergland was vol vurige paarden en strijdwagens rondom Elisa” (2 Kon. 6:16, 17). Ja, Elisa werd door een sterke legermacht van engelen gesteund! Zij redden hem en zijn bediende door de vijandelijke troepen met blindheid te slaan. De bijbelse psalm is stellig waar: „De engel van Jehovah legert zich rondom degenen die hem vrezen, en hij verlost hen.” — Ps. 34:7; 91:11.
7, 8. (a) Waarom werden drie Israëlieten in het Babylon uit de oudheid in een vurige oven geworpen? (b) Welke bescherming ontvingen deze mannen, en van wie?
7 Jehovah heeft echter niet slechts deze ene keer, maar bij vele andere gelegenheden in het verleden zijn hemelse engelen gebruikt om zijn getrouwe dienstknechten te ondersteunen en te redden. In Babylon is het gebeurd dat de drie Israëlieten Sadrach, Mesach en Abednego weigerden zich voor een enorm groot gouden beeld dat op last van koning Nebukadnezar was opgericht, neer te buigen en het te aanbidden. In getrouwheid aan de bijbelse wat wilden zij alleen Jehovah God aanbidden (Ex. 20:3-5; Deut. 6:5). Koning Nebukadnezar liet hen derhalve alle drie in een oververhitte vurige oven werpen. Deze was zo heet dat zelfs de sterke mannen die hen erin wierpen, werden gedood. Wat gebeurde er echter met de drie Israëlieten?
8 Toen koning Nebukadnezar in de vlammen keek, riep hij uit: „’Hebben wij niet dríe fysiek sterke mannen gebonden midden in het vuur geworpen?’ Zij antwoordden en zeiden tot de koning: ’Ja, o koning.’ Hij antwoordde en zei: „Ziet! Ik aanschouw vier fysiek sterke mannen die midden in het vuur vrij rondlopen, en er is geen letsel aan hen, en het uiterlijk van de vierde gelijkt op dat van een zoon der goden.’” Het was verbazingwekkend! Deze getrouwe dienstknechten van Jehovah ontvingen goddelijke ondersteuning! Nadat Nebukadnezar hun had verzocht uit het vuur te voorschijn te komen, waarbij hij opmerkte dat zij niet eens verschroeid waren of naar vuur roken, zei hij: „Gezegend zij de God van Sadrach, Mesach en Abednego, die zijn engel heeft gezonden en zijn knechten heeft verlost die op hem vertrouwden.” — Dan. 3:24-28.
9, 10. (a) Waarom werd Daniël in een leeuwekuil geworpen? (b) Hoe werd hij daar beschermd, en door wie?
9 Slechts enkele jaren later ondersteunde Jehovah God zijn Israëlitische dienstknecht Daniël eveneens door bemiddeling van engelen. Tegen deze tijd was Babylon door de Meden en Perzen omvergeworpen, terwijl Daniël in een belangrijke positie in de nieuwe regering was aangesteld. Zijn succes bracht andere hoge functionarissen er echter toe zijn ondergang te zoeken. In hun goddeloosheid brachten zij de koning ertoe een wet aan te nemen op grond waarvan het dertig dagen lang verboden was tot enige god of tot enig mens behalve de koning smeekbeden op te zenden, een wet waaraan Daniël zich niet kon houden. Hierdoor was de koning gedwongen Daniël in de leeuwekuil te laten werpen, aangezien Daniël er nog niet één dag mee kon ophouden Jehovah God te aanbidden. — Dan. 6:1-17.
10 Die nacht kon de koning niet slapen. Ten slotte haastte hij zich in de ochtendschemering naar de leeuwekuil en riep met een droeve stem: „O Daniël, knecht van de levende God, heeft uw God die gij met standvastigheid dient, u van de leeuwen kunnen verlossen?” Daniël antwoordde: „Mijn eigen God heeft zijn engel gezonden en de muil der leeuwen gesloten, en ze hebben mij niet te gronde gericht” (Dan. 6:18-22). De hemelse engelen hebben waarlijk op een wonderbare wijze dienst verricht om Gods getrouwe dienstknechten in het verleden te ondersteunen.
DE EERSTE CHRISTENEN ONTVINGEN HEMELSE ONDERSTEUNING
11. (a) Op wie droeg Jehovah zijn gunst over? (b) Waarom hadden dezen hemelse ondersteuning nodig?
11 Na verloop van tijd nam Jehovah zijn gunst van de ontrouwe Israëlitische natie weg en schonk deze aan de volgelingen van zijn uitgezonden Zoon, Jezus Christus. En net zoals Gods hemelse strijdkrachten Jezus en getrouwe Israëlieten vóór zijn tijd hadden ondersteund en gesterkt, deden zij dit ook ten aanzien van de leden van de christelijke gemeente. Dezen hadden stellig ondersteuning nodig, want de boodschap die zij betreffende Jezus en het hemelse koninkrijk van God predikten, was bij de eerste-eeuwse religieuze leiders buitengewoon impopulair.
12. Welke tegenstand ondervonden Petrus en Johannes, en hoe reageerden zij hierop?
12 Wel, kort na Jezus’ opstanding en de uitstorting van heilige geest op 120 van zijn volgelingen met Pinksteren gedurende het jaar 33 G.T. werden de apostelen Petrus en Johannes op een zekere avond gearresteerd en gevangen gezet. Hoewel dit de eerste maal was dat zij zich in de gevangenis bevonden, waren zij niet bevreesd. De volgende dag reeds gaven zij een moedig getuigenis aan de religieuze leiders die hen hadden gearresteerd. Op hun bevelen om met de prediking op te houden, reageerden de apostelen door te zeggen: „Oordeelt zelf of het in Gods ogen rechtvaardig is meer naar u te luisteren dan naar God. Maar wat ons betreft, wij kunnen niet ophouden te spreken over de dingen die wij gezien en gehoord hebben.” Wat een moed! Wat een vrijmoedigheid! Gods Zoon Jezus Christus had hun het bevel gegeven te prediken, en zij zouden zich er door niemand of niets van laten weerhouden! Schaakmat gezet door de vastberadenheid van de apostelen uitten de religieuze regeerders nog bedreigingen tegen hen en lieten hen vervolgens gaan. — Hand. 4:1-22; Matth. 28:19, 20; Hand. 1:8.
13, 14. (a) Om wat baden de christenen na de vrijlating van Petrus en Johannes? (b) Hoe werd er op het moedige, onbevreesde getuigenis van de apostelen gereageerd?
13 Petrus en Johannes gingen onmiddellijk weg en berichtten deze dingen aan hun christelijke medepredikers. Nadat de getrouwe groep christenen had gehoord welke tegenstand er aan het predikingswerk werd geboden, verhieven zij hun stem tot God en verzochten: „Jehovah, schenk aandacht aan hun bedreigingen, en geef uw slaven dat zij met alle vrijmoedigheid uw woord blijven spreken.” Zodra zij deze smeekbede geuit hadden, zo zegt de bijbel, „schudde de plaats waar zij vergaderd waren, en zij werden allen zonder uitzondering met heilige geest vervuld en spraken het woord Gods met vrijmoedigheid.” Hun gebed werd beantwoord! Ja, door deze manifestatie van ondersteuning vanuit de hemel werden zij met ijver en vrijmoedigheid bezield om het predikingswerk voort te zetten, ongeacht voor welke tegenstand zij zouden komen te staan! „Ook bleven de apostelen met grote kracht het getuigenis . . . geven”, zegt het bijbelse verslag. — Hand. 4:23-33.
14 De resultaten waren geweldig. „Er bleven gelovigen in de Heer toegevoegd worden, menigten van zowel mannen als vrouwen”, zegt de bijbel (Hand. 5:14). Veel mensen in Jeruzalem hadden er belangstelling voor over Jezus Christus en het koninkrijk van God te horen. Echter niet de religieuze leiders; zij waren buiten zichzelf van woede. Zij waren vastbesloten het predikingswerk een halt toe te roepen: „De hogepriester en allen die met hem waren, de destijds bestaande sekte der Sadduceeën, stonden op en werden met jaloezie vervuld, en zij sloegen de handen aan de apostelen en zetten hen in de openbare plaats van hechtenis” (Hand. 5:17, 18). Voor Petrus en Johannes was dit de tweede keer dat zij gevangen zaten, maar deze keer hadden zij gezelschap. De overige apostelen werden te zamen met hen opgesloten. Dit duurde echter niet lang.
15. (a) Welke gedachten over engelen kunnen de apostelen in de gevangenis door de geest gespeeld hebben? (b) Wat werd door de verschijning en de instructies van de engel daar in de gevangenis, aan de apostelen duidelijk gemaakt?
15 Er geschiedde die nacht een opmerkelijke bevrijding waardoor opnieuw werd bevestigd dat God hen in het predikingswerk steunde. De apostelen waren op de hoogte van de bijbelse psalmen waarin wordt gezegd dat God „zijn eigen engelen . . . een bevel [zal] geven, om u te behoeden op al uw wegen” en dat Zijn engel „zich rondom degenen [legert] die hem vrezen, en [hen] verlost” (Ps. 91:11; 34:7). Zij wisten van de wonderbaarlijke, door engelen teweeggebrachte reddingen in het verleden. Ook herinnerden zij zich Jezus’ woorden: „Ik zeg u dat hun engelen in de hemel altijd het aangezicht aanschouwen van mijn Vader, die in de hemel is” (Matth. 18:10). Toen zij zich in de gevangenis bevonden, kunnen deze gedachten over Gods engelen hun voor de geest gekomen zijn. Hoe verrassend moet het evenwel zijn geweest toen ’Jehovah’s engel in de nacht de deuren van de gevangenis opende, hen naar buiten bracht en zei: „Gaat heen, stelt u op in de tempel en blijft alle woorden omtrent dit leven tot het volk spreken”’! (Hand. 5:19, 20) Kon het nog duidelijker zijn dat Jehovah de prediking van zijn volk steunde? Wat een vreugde, wat een vertrouwen, wat een dankbaarheid was hun deel! Hun handelwijze was juist! Die religieaanhangers hadden het bij het verkeerde eind en streden tegen God.
16. Hoe ontving Petrus later een overeenkomstige hemelse ondersteuning?
16 Enige tijd later, toen het predikingswerk krachtig werd tegengestaan, werd er een overeenkomstige hemelse ondersteuning verschaft. Koning Herodes Agrippa liet de apostel Jakobus door het zwaard doden. Vervolgens liet hij ook Petrus arresteren en in de gevangenis werpen. Deze keer was Petrus’ leven werkelijk in gevaar. Herodes had zich voorgenomen hem voor te leiden, waarna hij hem ongetwijfeld wilde laten terechtstellen (Hand. 12:1-5). Die zelfde nacht stond er echter een engel van Jehovah naast Petrus, de ketens vielen van zijn handen en hij werd voorbij de schildwachten naar de vrijheid geleid (Hand. 12:6-10). Ja, Petrus werd door een wonder bevrijd, zodat hij de leiding kon blijven nemen in het bevorderen van het predikingswerk!
17. Welk rechtstreekse aandeel hadden engelen aan het predikingswerk, zoals blijkt uit Filippus’ ontmoeting met de Ethiopische eunuch?
17 Gods engelen traden niet alleen op om Zijn aardse dienstknechten te beschermen, maar zij hadden ook een rechtstreeks aandeel aan het predikingswerk door christenen te helpen met rechtvaardig gezinde personen in contact te komen. Bij een zekere gelegenheid bijvoorbeeld sprak „Jehovah’s engel . . . tot Filippus en zei: ’Sta op en ga naar het zuiden, naar de weg die van Jeruzalem naar Gaza loopt.’ . . . Toen stond hij op en ging, en ziedaar! een Ethiopische eunuch . . . zat in zijn wagen, terwijl hij hardop de profeet Jesaja las.” Filippus werd naar de wagen toe geleid, en toen hij de bijbelse waarheden betreffende Jezus Christus uitlegde, nam de man ze verheugd aan en werd gedoopt. Wat een groots voorrecht genoten de christenen om onder leiding van de hemelse engelen dienst te verrichten! — Hand. 8:26-38.
18, 19. Hoe had Gods engel er een aandeel aan dat er opdracht werd gegeven de prediking ook tot niet-joden uit te breiden?
18 Niet lang hierna gelastte Jehovah’s engel bij een zekere gelegenheid dat de Koninkrijksboodschap tot onbesneden niet-Israëlieten of niet-joden gebracht moest worden. Gedurende drie en een half jaar na Jezus’ dood, of tot 36 G.T., werden alleen joden en joodse proselieten in de christelijke gemeente aanvaard. De gelegenheid om leden van het hemelse koninkrijk te worden, werd aldus tot deze personen beperkt. Slechts een beperkt aantal joden trok evenwel voordeel van deze wonderbaarlijke gelegenheid, en daarom was in 36 G.T. Gods tijd aangebroken om onbesneden personen van alle nationaliteiten eveneens in de gelegenheid te stellen erfgenamen van het hemelse koninkrijk te worden.
19 In een visioen verscheen derhalve een engel aan de godvrezende niet-jood Cornelius. De engel zei tot Cornelius dat hij de apostel Petrus moest laten halen en Petrus tot hem moest laten prediken, waardoor hij met Jehovah’s christelijke gemeente in contact zou komen. Cornelius gehoorzaamde, en toen zijn boodschappers Petrus vonden, legden zij hem uit: „Cornelius . . . heeft via een heilige engel goddelijke instructies ontvangen u bij zich thuis te laten komen en te horen wat gij allemaal te zeggen hebt” (Hand. 10:1-22). Petrus reageerde gunstig op de hemelse leiding en had het voorrecht de eerste onbesneden niet-joden in de christelijke gemeente op te nemen.
20. Hoe ontving de apostel Paulus hemelse leiding bij zijn predikingswerk?
20 De apostel Paulus en zijn zendingsmetgezellen ontvingen eveneens vaak hemelse leiding. Wanneer de bijbel bijvoorbeeld verslag uitbrengt over een van hun zendingsreizen, wordt erin gezegd: „Zij trokken ook door Frygië en het land van Galátië, omdat het hun door de heilige geest was verboden het woord in het district Asia te spreken. Toen zij voorts tot aan Mysië waren gekomen, deden zij pogingen naar Bithynië te gaan, maar de geest van Jezus stond hun dit niet toe. Daarom gingen zij Mysië voorbij en zakten af naar Tróas. En gedurende de nacht kreeg Paulus een visioen: er stond een zekere man, een Macedoniër, die hem een dringend verzoek deed en zei: ’Kom over naar Macedonië en help ons.’ Zodra hij nu het visioen had gezien, zochten wij een gelegenheid naar Macedonië te vertrekken, daar wij de gevolgtrekking maakten dat God ons had geroepen om hun het goede nieuws bekend te maken” (Hand. 16:6-10). Wat ontving de apostel Paulus een rechtstreekse hemelse leiding! Hoe duidelijk is het dat de eerste christenen bij hun predikingswerk hemelse ondersteuning en leiding ontvingen!
HEMELSE ONDERSTEUNING IN DEZE TIJD
21. Welk bewijs is er dat Jehovah’s christelijke getuigen in de hedendaagse tijd hemelse ondersteuning genieten?
21 Maar hoe staat het in deze tijd? Ontvangen Jehovah’s christelijke getuigen die Zijn gebod gehoorzamen om het goede nieuws van het Koninkrijk te prediken, hemelse ondersteuning en leiding? Hier kan geen twijfel over bestaan. De pogingen om hun predikingswerk uit te roeien, zijn net zo onsuccesvol geweest als zulke pogingen in de eerste eeuw dit waren. Ruim dertig jaar geleden zwoer de tiran Adolf Hitler bijvoorbeeld: „Dit gebroed zal in Duitsland worden uitgeroeid.”a Ondanks concentratiekampen en onmenselijke vervolging, zijn Jehovah’s getuigen niettemin blijven bestaan; zij zijn nu tienduizenden personen sterk en prediken nog steeds in Duitsland, terwijl Hitler dood is en zijn partij is verdwenen. Ook in veel andere landen, zoals Portugal, Spanje, Cuba, Malawi, de Verenigde Arabische Republiek, enzovoort, zijn in de afgelopen jaren tientallen getuigen van Jehovah gearresteerd en gevangen gezet, terwijl toch de Koninkrijksboodschap nog steeds wordt gepredikt. Het is duidelijk dat Jehovah’s engelen er een belangrijk aandeel aan hebben gehad dit mogelijk te maken, evenals zij dit in de eerste eeuw hebben gedaan.
22. Hoe wordt in de Schrift te kennen gegeven dat de engelen in deze „laatste dagen” een aandeel aan het predikingswerk zouden hebben?
22 In de Schrift wordt te kennen gegeven dat de engelen ook in deze „laatste dagen” een zeer rechtstreeks aandeel aan het predikingswerk zouden hebben. De bijbelse profetie zegt dat Christus „zijn engelen [zou] uitzenden” om „zijn uitverkorenen [te] vergaderen” (Matth. 24:31). De engelen zijn echter niet alleen behulpzaam geweest bij de bijeenvergadering van de „uitverkorenen”, die uiteindelijk leden van Christus’ hemelse bruid zullen worden, maar zij hebben er ook een aandeel aan gehad mensen van de natiën te scheiden, zoals Jezus verklaarde: „Wanneer de Zoon des mensen gekomen zal zijn in zijn heerlijkheid, en alle engelen met hem, dan zal hij . . . de mensen van elkaar scheiden, zoals een herder de schapen van de bokken scheidt.” — Matth. 25:31-33; zie ook Openbaring 14:6-10.
23-25. Welke hedendaagse ervaringen geven te kennen dat de engelen een aandeel hebben aan de hedendaagse Koninkrijksprediking?
23 Zijn er in deze tijd bewijzen voor dat engelen aan de Koninkrijksprediking deelnemen? Beschouw het volgende eens: Enkele jaren geleden had een jong echtpaar exemplaren van het tijdschrift De Wachttoren ontvangen en ze met belangstelling gelezen. Hoe meer de man las, des te meer hij ervan overtuigd raakte dat het tijdschrift de bijbelse waarheid bevatte. Op een zekere zaterdagavond knielden hij en zijn vrouw neer en baden of God, als dit zijn waarheid was, zo goed wilde zijn een prediker van het goede nieuws te zenden om Zijn wegen aan hen duidelijk te maken. De volgende dag reeds kwam een van Jehovah’s getuigen bij hen aan de deur met de Koninkrijksboodschap! Het echtpaar was stomverbaasd, maar de prediker misschien nog meer, want hij werd letterlijk beetgepakt en het huis ingetrokken, waarna hem een stoel werd aangeboden en hij over de bijbel moest vertellen. Deze man is nu een dienaar in de bediening in een van de gemeenten van Jehovah’s getuigen.
24 In een soortgelijke ervaring werd een van Jehovah’s getuigen onlangs binnengenodigd en gevraagd: „Wie heeft u gezonden?” De Getuige vroeg waarom de huisbewoner dit wilde weten, en hem werd gezegd: „Gisteravond bad ik tot God om iemand te zenden die mij zou helpen de bijbel te begrijpen.” Er werd met deze zachtmoedige persoon onmiddellijk met een bijbelstudie begonnen.
25 Op een halfjaarlijkse vergadering van Jehovah’s getuigen in Texas vertelde een Getuige onlangs: „Normaal rijdt mijn dochter altijd met een buurvrouw naar school, maar op een zekere ochtend in januari besloot ik om de een of andere reden haar er zelf te brengen. Toen ik naar huis terugreed, zag ik een dame lopen, en aangezien het koud was, bood ik haar aan haar naar haar plaats van bestemming te brengen. Zij zag mijn getuigenistas en vroeg wat voor soort van boeken erin zaten. Toen zij hoorde dat één boek een bijbel was en een ander een bijbels studiehulpmiddel raakte zij helemaal opgewonden. De vorige avond had zij God gebeden haar naar Zijn volk te leiden. Nu vroeg zij mij een bijbelstudie met haar te beginnen, en zij stond erop dat ik meteen bij haar zou binnenkomen.”
26, 27. Welke ervaring waarbij twee vrouwen zijn betrokken die elkaar in een wasserette ontmoetten, vormt een verder bewijs voor leiding door de engelen?
26 Nog een ervaring die op hemelse leiding duidt, begon enkele jaren geleden in een wasserette in Cleveland, Ohio. Twee vrouwen spraken met elkaar over de wereldtoestanden. Aan het einde van het gesprek zei de ene vrouw tot de andere, iemand van wie zij niet wist dat zij een van Jehovah’s getuigen was: „Het zou fijn zijn als u mij thuis kon bezoeken om dit gesprek voort te zetten.” Ongelukkig genoeg wist de Getuige later niet meer waar zij het adres had gelaten. Twee maanden later ontdekte zij het, en onmiddellijk bracht zij het bezoek. De vrouw was bijzonder blij haar te zien en riep uit: „Ik heb elke dag gehoopt dat u mij zou komen opzoeken, maar ik wist uw naam niet, en daarom kon ik u niet opbellen.” De vrouw had kort geleden haar vader verloren en had hierover en over nog andere problemen veel verdriet. Er werd onmiddellijk een bijbelstudie met haar begonnen, en zij nam snel in bijbelkennis toe en deelde het goede nieuws binnen korte tijd met anderen.
27 Later vertelde deze vrouw dat zij op dezelfde dag dat de Getuige bij haar kwam, het besluit had genomen zich van het leven te beroven omdat zij zich niet meer tegen haar moeilijkheden opgewassen voelde. Voordat zij dit plan wilde uitvoeren, vroeg zij God echter in gebed de dame te zenden met wie zij in de wasserette had gesproken, omdat zij misschien hulp kon bieden. Bijna onmiddellijk ging de huisbel over en daar was de Getuige! En bedenk wel dat de Getuige het verkeerd opgeborgen adres van de vrouw nog maar kort daarvoor had gevonden! De engelen hebben er thans stellig een actief aandeel aan Gods dienstknechten naar met schapen te vergelijken personen te leiden, net zoals zij dit in de eerste eeuw deden. Wat is het een voorrecht onder hemelse leiding een aandeel te hebben aan de prediking van het goede nieuws van het Koninkrijk!
28. Waarom hebben wij alle reden om een juiste kijk op de Koninkrijksprediking te behouden?
28 Wij hebben alle reden om de juiste kijk te blijven behouden en de Koninkrijksprediking thans als het allerbelangrijkste werk op aarde te blijven bezien. Alleen Gods koninkrijk kan een duurzame regering invoeren en de vrede brengen die de mensheid zo heel hard nodig heeft. Welke belemmeringen er derhalve ook mogen zijn, laat deze u er niet toe brengen het langzamer aan te gaan doen of met de prediking van „dit goede nieuws van het koninkrijk” op te houden. Houd altijd in gedachten dat Jehovah God en zijn hemelse engelen u in dit werk steunen. U bent een medewerker van God zelf (1 Kor. 3:9). Word dus nooit bevreesd, ontmoedigd of mistroostig. U kunt veeleer „goede moed . . . hebben en . . . zeggen: ’Jehovah is mijn helper.’” Hij is inderdaad degene die u ondersteunt. — Hebr. 13:6.
[Voetnoten]
a Overgenomen uit een onder ede afgelegde verklaring door K. R. A. Wittig, die in 1934 als een Duitse regeringsfunctionaris aanwezig was toen Hitler deze uitspraak deed. Op 13 november 1947 werd deze verklaring ten overstaan van een notaris in Frankfort aan de Main ondertekend.
[Illustratie op blz. 375]
Jehovah’s engel droeg Filippus op, Gods waarheid tot een Ethiopiër te prediken. Christenen in deze tijd prediken ook onder leiding van hemelse engelen