Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w69 1/11 blz. 667-669
  • De bijbelse waarheid heeft mij bevrijd van vrees voor de hel

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • De bijbelse waarheid heeft mij bevrijd van vrees voor de hel
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1969
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • STEEDS MEER VRIJHEID GENIETEN
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1961
  • Dankbaar voor een heerlijk leven van dienst
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1984
  • Vol waardering voor de dienst van de „getrouwe en beleidvolle slaaf”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1974
  • Wat een eer dienst te mogen verrichten met Jehovah’s progressieve organisatie!
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1969
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1969
w69 1/11 blz. 667-669

De bijbelse waarheid heeft mij bevrijd van vrees voor de hel

Zoals verteld door Paul Hammer

MIJN leven begon op 3 mei 1879 in Trondheim, Noorwegen. Daar mijn ouders lid waren van de Noorse staatskerk, werd ik luthers opgevoed. Vanaf mijn prille jeugd werd de leerstelling van een brandende hel diep in mijn geest geprent. Ik leerde dat ik een onsterfelijke ziel had en na de dood òf naar de hemel, òf naar een vurige hel zou gaan. Aangezien ik dacht dat ik niet goed genoeg was om naar de hemel te gaan, maakte ik mij heel wat zorgen als ik eraan dacht naar een plaats van hellevuur te moeten gaan. Ik werd door deze leerstelling werkelijk in gevangenschap gehouden.

Op zoek naar vrijheid en vrede des geestes, besloot ik naar de Verenigde Staten te emigreren, hetgeen ik in 1901 deed. Ik dacht dat als ik mijn bezittingen zou verkopen en uit Noorwegen weg zou gaan, ik niet langer in gevangenschap zou verkeren. In Amerika bemerkte ik echter dat ik, net als in Noorwegen, nog altijd in gevangenschap van vrees voor een brandende hel verkeerde. Ik zette mijn speurtocht naar waarheid en vrijheid dus voort, hoewel ik weinig hoop had die te vinden.

Ik vroeg land aan in Noord-Dakota, welk verzoek werd ingewilligd, en in mijn speurtocht naar de bijbelse waarheid volgde ik jarenlang bij tussenpozen een godsdienstcursus van de lutherse Kerk. Bij gebrek aan iets beters bleef ik erheen gaan, hoewel ik het onderwijs vaak teleurstellend vond. In 1918 stopte ik met deze cursus, daar ik toen in aanraking kwam met de internationale Bijbelonderzoekers, zoals Jehovah’s getuigen toen bekendstonden. Ik schafte mij de zeven delen van de Schriftstudiën aan en nam ook een abonnement op De Wachttoren.

Op 11 november 1918 ontving ik mijn vragenlijst voor militaire dienst in het leger van de Verenigde Staten en nu had ik iets anders om mij zorgen over te maken, daar ik er absoluut op tegen was mijn medemensen te doden. Gelukkig voor mij eindigde de oorlog nog diezelfde dag. Toen gebeurde er iets wat mij hielp mij uit religieuze gevangenschap los te rukken. De Volkenbond werd opgericht en de kerken begroetten deze als de hoop voor de wereld. Toen de predikant van de lutherse Kerk ten gunste van de Bond begon te preken en ervoor ging bidden, verliet ik zijn kerk.

Ik zocht nu de Bijbelonderzoekers op en wij spraken tot 2 uur ’s nachts. Ik bleef volhouden dat zij iets moesten doen om de wereldtoestanden te helpen verbeteren. Zij toonden mij evenwel aan de hand van de bijbel aan dat mensen deze toestanden niet kunnen verbeteren, maar dat wij op Jehovah God moeten wachten. Na veel gestudeerd en gebeden te hebben, nam ik mijn standpunt voor Jehovah en zijn koninkrijk in als een van zijn zonen der bevrijding. Nu was ik vrij en had iets om voor te leven. Nu was er iets wat ik kon doen. Het was maart 1919, te Fargo in de staat Noord-Dakota, dat ik mijn opdracht om Jehovah’s wil te doen door de doop symboliseerde, met de hemelse hoop in het vooruitzicht.

Enkele van de beloften die sedertdien bijzonder kostbaar voor mij waren, staan in Efeziërs 2:4-7 opgetekend: „Maar God, die rijk aan barmhartigheid is, heeft ons wegens zijn grote liefde, waarmee hij ons heeft liefgehad, te zamen met de Christus levend gemaakt, zelfs toen wij dood waren in overtredingen — door onverdiende goedheid zijt gij gered — en hij heeft ons mede opgewekt en ons mede plaats doen nemen in de hemelse gewesten in eendracht met Christus Jezus, opdat in de toekomende samenstelsels van dingen de alles overtreffende rijkdom van zijn onverdiende goedheid getoond zou worden in zijn goedgunstigheid jegens ons in eendracht met Christus Jezus.”

Ik voelde nu dat ik, met deze hoop in het vooruitzicht, de raad in Zefanja 3:8 (NW) ter harte kon nemen: „’Daarom, blijft mij verwachten,’ is de uitspraak van Jehovah, ’tot de dag dat ik opsta tot de buit.’” Ik was nu bereid op Jehovah te wachten totdat hij de aangelegenheden van de aarde in orde zou brengen. Welk een voorrecht en vreugde was het Jehovah’s voornemens te begrijpen! Eindelijk was ik vrij van gevangenschap aan Satan en zijn vals-religieuze leringen!

Terwijl ik met de Bijbelonderzoekers bleef studeren en omgaan, voelde ik dat ik meer diende te doen om anderen te helpen dezelfde vrijheid te genieten die ik thans bezat. In 1925 verscheen er in De Wachttoren een kennisgeving waarin om meer werkers werd gevraagd op het hoofdbureau van het Wachttorengenootschap in Brooklyn, dat ook bekend is als Bethel. Ik dankte Jehovah dat hij mijn gebeden had verhoord en diende een aanvraag in om daar te dienen. In de zomer van 1925 werd ik naar Bethel geroepen.

STEEDS MEER VRIJHEID GENIETEN

De Betheldienst kenmerkte een nieuwe periode van vrijheid voor mij. Ik behoefde mij niet langer om voedsel en onderdak te bekommeren doch kon al mijn tijd en aandacht aan Jehovah’s dienst wijden. Mijn eerste toewijzing was die van portier. Ik dacht net zo over dit voorrecht als de psalmist, die schreef: „Ik wil liever staan aan den drempel van het huis mijns Gods dan verblijven in de tenten der goddelozen.” Wat een vreugde viel mij ten deel op het hoofdbureau van Jehovah’s organisatie op aarde te dienen! — Ps. 84:11 10.

In 1929 vroeg broeder Rutherford, de toenmalige president van het Wachttorengenootschap, mij op een boerderij van veertien en een halve hectare op Staten Island te gaan dienen. Hier was ook het radiostation WBBR van het Genootschap gevestigd. Na enkele jaren daar te hebben gewerkt, diende ik tot 1936 weer als portier op Bethel, en werd toen toegewezen aan de Koninkrijksboerderij te South Lansing, in de staat New York, nabij Ithaca, om voor de varkens en kippen te zorgen. Het Genootschap had de boerderij een jaar tevoren gekocht en deze omvatte vele honderden hectaren. Naarmate de Bethelfamilie zich uitbreidde, had ik het alleen al druk met de zorg voor de varkens. Ik ging een cursus volgen in het fokken van dieren om mijn werk beter te kunnen behartigen. In de weekeinden hadden wij, net als alle andere christelijke getuigen van Jehovah, een aandeel aan de velddienst en hielpen wij anderen uit gevangenschap aan vals-religieuze leerstellingen bevrijd te worden.

Het was een opwindende dag voor ons boeren, toen de president van het Wachttorengenootschap, nu N.H. Knorr, bekendmaakte dat met ingang van februari 1943 op de Koninkrijksboerderij de Gileadschool voor zendelingen zou worden gevestigd en dat wij het voorrecht zouden hebben samen met de studenten te werken en zij met ons. Dit bleek zowel voor de boerderijfamilie als voor de studenten een ware zegen te zijn. In 1949 onderbrak ik voor enkele weken mijn werkzaamheden op de boerderij ten einde mijn vrienden en verwanten in Trondheim, Noorwegen, te bezoeken, bij welke gelegenheid ik hun een grondig getuigenis omtrent Gods koninkrijk gaf. Deze reis was mogelijk gemaakt door een onverwachte erfenis. In 1955 had ik het voorrecht de Europese congressen te bezoeken en kreeg ik nogmaals de gelegenheid mijn vrienden en familieleden in Trondheim te bezoeken, hun een grondig getuigenis te geven en bijbelse lectuur bij hen achter te laten.

Ongeveer vijf jaar later werd de Gileadschool naar het hoofdbureau in Brooklyn verplaatst. Gedurende een aantal jaren hadden wij toen de Koninkrijksbedieningsschool bij ons, een school waarin gemeenteopzieners een opleiding kregen. Ruim een jaar geleden werd een gedeelte van de Koninkrijksboerderij verkocht en daarom werden de meesten van ons boeren naar de Wachttorenboerderij overgeplaatst, ongeveer honderdvijfenveertig kilometer buiten de stad New York en enkelen van ons werden naar het hoofdbureau in Brooklyn overgeplaatst. Zo ben ik, na dertig jaar op de Koninkrijksboerderij, weer terug in Brooklyn Bethel. In 1965 kreeg ik een hartaanval, maar nu is mijn gezondheid aanzienlijk verbeterd zodat ik op negentigjarige leeftijd nog altijd in staat ben elke ochtend en elke middag twee uur kantoorwerk te doen.

Als ik nu terugblik op vierenveertig jaar Betheldienst, dank ik Jehovah dagelijks voor zijn goedheid en heb ik, evenals de psalmist David, gevoeld hoe goedheid en liefderijke goedgunstigheid mij al de dagen van mijn leven hebben gevolgd, en ik wil in het huis van Jehovah wonen tot in lengte van dagen. — Ps. 23:6, NW.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen