Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w69 15/10 blz. 635-638
  • Van een doodstoestand tot een nieuw leven

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Van een doodstoestand tot een nieuw leven
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1969
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • EEN NIEUW LEVEN BREEKT AAN
  • EEN GELUKKIG MAKENDE LOOPBAAN
  • PREDIKEN VAN STAD TOT STAD
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1960
  • Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
  • Door dicht tot God te naderen kon ik mijn problemen aan
    Ontwaakt! 1993
  • Toegewijde dienst schenkt rijke beloningen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1965
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1969
w69 15/10 blz. 635-638

Van een doodstoestand tot een nieuw leven

Zoals verteld door Inez Wiese

MOEILIJKE jaren waren dat, van 1939 tot 1945! Wij hadden meer dan twintig jaar in Hamburg gewoond, mijn man en ik, en tijdens die oorlogsjaren ontstond er voedselschaarste. De toestand kon niet veel erger worden — dat dachten wij tenminste. Toen werden wij allen echter laat op een avond wakker van een vreemde doordringende lucht. Wij gingen de tuin in om een onderzoek in te stellen en welk een aanblik deed zich aan onze ogen voor! Alles in de tuin — groenten, bloemen, vruchten en de bomen zelf — was door de sterke gassen van een bom vernietigd. Nacht in nacht uit waren de bommenwerpers aan de gang. Hamburg was een bloedbad.

Wat een tegenstelling met mijn jeugd in Colombia, in Zuid-Amerika! Toen ik heel jong was, verhuisden mijn Engelse ouders naar Bogotá. Toen ik volwassen werd trouwde ik met een Duits onderdaan en verhuisden wij naar Hamburg. Wij hadden geen kinderen van onszelf, maar wij namen drie kinderen aan die hun moeder hadden verloren en zij werden voor ons als onze eigen kinderen.

Ons meisje was nu echter getrouwd en uit huis weg. Onze twee jongens sneuvelden in de oorlog. Al gauw werd mijn man zenuwziek en stierf aan een hartaanval. Ik was helemaal alleen, zonder inkomsten en niet in staat mij in verbinding te stellen met mijn bloedverwanten in Colombia. De Duitse regering legde beslag op mijn huis en stopte het vol ontheemden, terwijl mij slechts één kamer werd toegestaan.

De winter was het ergste van alles. Er was niets om het huis mee te verwarmen — geen elektriciteit, geen gas, geen kolen of hout. Ik ging vaak naar de Elbe, niet ver van mijn huis af, om langs de oevers van de rivier naar planken van de wrakken van schepen en sloepen te zoeken. Met dit materiaal konden wij stoken en de waterleiding, die bevroren was, ontdooien.

Ik vroeg mij steeds weer af: Wat is de bedoeling van dit alles? De oorlog was nu voorbij, maar Duitsland was aan de verliezende kant, dus werd ik een jaar lang in een kamp voor ontheemden geïnterneerd. De toekomst zag er zeer donker uit. Ik besloot echter te ontvluchten. Zonder een cent en hongerig nam ik met nog vijf anderen de vlucht. Wij bereikten België en daar hielp de consul van Colombia mij naar het land van mijn jeugd terug te keren.

Het leek echter alsof er niets was om voor te leven. Degenen die mij het naast en dierbaarst waren, waren — voor zover ik toen wist — voor altijd heengegaan. Het was alsof ik door een levende dood heenging. Ik had heel weinig belangstelling voor alles wat er om mij heen gebeurde.

EEN NIEUW LEVEN BREEKT AAN

Toen kwam het keerpunt. Dit gebeurde in 1947 in Barranquilla, waar ik in het betere gedeelte van de stad bij een paar familieleden logeerde. Op zekere dag kwam een man met het tijdschrift De Wachttoren aan de deur. Hij verklaarde dat hij een zendeling was, een van Jehovah’s getuigen. Het tijdschrift ging over de bijbel, zei hij. Ik had, wat mij betreft, nog nooit van Jehovah’s getuigen gehoord en wist heel weinig van de bijbel af. Ik besloot echter een abonnement te nemen vanwege zijn vriendelijke, tactvolle houding.

De Getuige kwam de week daarop terug. Toen ik toegaf dat ik heel weinig van de inhoud begreep, begon hij mij enkele dingen uit te leggen. Het eind van het liedje was in feite dat ik toestemde in een geregelde wekelijkse bijbelstudie. Ik begon uit mijn doodstoestand te ontwaken. Er rezen vragen. O, hoe verlangde ik ernaar alles over de paradijsaarde die volgens de beloften van de bijbel onder de Koninkrijksregering zou komen, te weten! Mijn vroegere reizen hadden mij de overtuiging geschonken dat de aarde, ondanks het feit dat ze door zelfzuchtige mensen werd bedorven, inderdaad een plaats van schoonheid was.

Hoe meer ik in kennis van de boodschap van de bijbel toenam, hoe meer ik van hoop en het verlangen om te leven werd vervuld. Mijn ogen straalden weer, ditmaal wegens oprechte belangstelling voor Gods koninkrijk. Ik had weliswaar mijn familie verloren, doch nu vond ik een andere, een grotere en zich uitbreidende familie, die allen kinderen des geloofs waren. Hoe opwindend!

Al gauw na dit geestelijk ontwaken, besloot ik mijn leven door bemiddeling van Christus Jezus geheel aan Jehovah God op te dragen. Het was het minste wat ik doen kon om mijn waardering voor Gods liefde te tonen, daar hij mij immers uit een met de dood te vergelijken toestand van wanhoop had gered en mij de gelegenheid had gegeven mijn leven met activiteiten ter ondersteuning van Zijn koninkrijk te vullen. Op 4 juli 1948 symboliseerde ik mijn opdracht door de waterdoop.

Ik kreeg hernieuwde kracht en herstel van gezondheid en daarbij veel vreugde door anderen te helpen kennis van de bijbel te verkrijgen. Ik ging steeds meer uren besteden aan het verbreiden van de boodschap van huis tot huis. Het kwam echter nooit bij mij op dat ik het Wachttorengenootschap kon vertegenwoordigen door als volle-tijdprediker te dienen, totdat degene die mij in de bediening vergezelde en die zelf een volle-tijdprediker was, het onder mijn aandacht bracht. Ik vulde meteen een aanvraagformulier voor de volle-tijd- of „pioniersdienst” in en stuurde dit op.

EEN GELUKKIG MAKENDE LOOPBAAN

Mijn toewijzing als een „pionier”-bedienaar was gedateerd 10 maart 1949. Gelukkig zag ik die morgen kans vroeg de deur uit te gaan met mijn tas vol lectuur. Toen ik echter in het stadsdeel kwam waar ik zou werken, gebeurde er iets vreemds. Alles werd mij zwart voor de ogen, ik voelde mij plotseling slap en viel op de grond! Juist op dat moment gingen mijn verwanten in een auto voorbij, herkenden mij — stel u hun verbazing voor! — en brachten mij thuis. Ik moest een paar dagen rustig thuis blijven.

Toen ik er later nog eens over nadacht, kwam het mij zo voor dat ik er eigenlijk grondig van afgeschrikt had moeten zijn om met de pioniersactiviteiten door te gaan. Integendeel echter, ik herstelde spoedig en nam mij voor, de verloren tijd in te halen. Mijn verwanten, die katholiek waren, konden mijn ijver voor Jehovah niet begrijpen. Zij probeerden echter niet mij tegen te houden. En ik heb de vreugde gesmaakt tot op deze dag in het volle-tijdpredikingswerk te blijven. Jehovah krijgt hiervoor de eer, want hij heeft de mate van lichamelijke en geestelijke kracht geschonken die ik gedurende deze twintig heerlijke jaren nodig heb gehad.

In Barranquilla heb ik de eerste zeven jaar daarvan doorgebracht. Wat een vreugde was het de theocratische toename te zien van slechts tien verkondigers van het Koninkrijk tot vier gemeenten van Jehovah’s getuigen! En thans heeft de stad twintig gemeenten. Vanuit deze stad ook beleefden veertig van ons Colombiaanse afgevaardigden de vreugdevolle ervaring in 1953 het grote internationale congres in het Yankee stadion, in de stad New York, bij te wonen. Woorden kunnen onze reactie niet uitdrukken bij het zien van die duizenden en nog eens duizenden Getuigen en de grote spandoeken die de groeten vermeldden van onze christelijke broeders in Brazilië, Ecuador, China, Colombia, enzovoort. Hoe volkomen op hun plaats waren de woorden van de apostel Johannes in Openbaring 7:9: „Ik [zag], en zie! een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natiën.”

Na afloop van het congres kon ik niet vlug genoeg naar Colombia terugkeren om degenen met wie ik een bijbelstudie had er alles over te vertellen. Zij moesten weten dat Jehovah’s getuigen niet slechts een paar mensen zijn die in hun eigen stad of dorp van huis tot huis gaan. De Colombianen zijn dit sedertdien inderdaad uit ervaring te weten gekomen. Kring-, districts- en nationale vergaderingen zijn steeds groter geworden, en op onze internationale vergadering (1966-1967) in Barranquilla waren bijna 6000 personen aanwezig. Dat was werkelijk een feest voor ons, want wij gingen op zeer aangename wijze met Getuigen uit een aantal landen om.

PREDIKEN VAN STAD TOT STAD

Cali was de volgende Colombiaanse stad waaraan ik werd toegewezen. Het is wonderbaarlijk te bedenken dat daar nu vijf gemeenten zijn. Hier had ik het vreugdevolle voorrecht bij zendelingen in het zendingshuis te wonen. Hoe veilig en tevreden voelde ik mij onder het geestelijke toezicht van rijpe broeders in het geloof! Het was ook fijn dat ik nieuwe zendelingen kon helpen Spaans te leren. Ik kon echter zien dat de voornaamste factor waardoor zij in staat waren goede vorderingen te maken en al gauw toespraakjes in het Spaans begonnen te houden, Jehovah’s geest was.

In 1960 rees de behoefte aan meer volle-tijdwerkers in Bogotá. Ik was toevallig in staat te gaan en weldra was ik daar met vijf andere „pioniers” aan het werk. In de jaren die volgden, werd onze dienst daar werkelijk gezegend want er zijn nu tien gemeenten in Bogotá.

In Bogotá besefte ik de noodzaak erin te volharden een hechte grondslag te leggen voor het geloof van hen die wij onderwijzen. Ik studeerde met een jonge vrouw, haar drie kinderen en haar ouders. De man was een tegenstander en dreigde haar de kinderen af te nemen. Op een avond kwam hij na een drinkgelag met zijn vrienden thuis, zwaaide met een revolver en dreigde, in aanwezigheid van de kinderen, dat hij haar zou doodschieten als zij weigerde de bijbelstudie op te geven. De kinderen pleitten doodsbang en huilend voor hun moeder. Zij bood hem echter rustig en moedig het hoofd, door te zeggen: „Je kunt mij doden, maar ik zal er niet mee ophouden het Woord van God te bestuderen. In de eerste plaats dien je te weten dat onze kinderen getuigen zullen zijn van je daad en bovenal zul je de Almachtige God rekenschap moeten geven van het bloed dat je op het punt staat te vergieten.” Daarop liep hij met grote stappen het huis uit. Zij werd mettertijd gedoopt en heeft het nu druk met prediken en het bezoeken van de vergaderingen met haar kinderen in de Koninkrijkszaal. Haar man heeft haar nooit weer verboden te studeren.

Drie jaar geleden kwam ik naar Medellín. Deze op één na grootste stad in het land ligt hoog in het Andesgebergte. Ook hier heb ik het voorrecht bij zendelingen te wonen die afgestudeerd zijn van de Wachttoren Bijbelschool Gilead. Dit is zeer bemoedigend, want ik ben nu ruim negenenzeventig jaar en beschik niet meer over de lichamelijke kracht die ik lange tijd heb gehad. Wij hebben geen auto en moeten heel veel lopen om onze bediening te volbrengen. Verscheidene mensen met wie ik de bijbel bestudeer, hebben echter zoveel waardering dat zij elke week voor studie naar „mijn huis” komen. Op die manier kan ik energie sparen en elke maand mijn doel van 100 uur bereiken. En Jehovah’s zegen rust stellig op onze arbeid, want de gemeente hier groeide zo snel dat het nodig werd haar in drie aparte gemeenten te splitsen. Op elke vergadering zien wij nieuwe gezichten.

Terugblikkend op deze twintig jaar als „pionier”-bedienaar van het evangelie, is het een gelukkige tijd geweest, gevuld met hard werken, doch wat ook diepe voldoening heeft geschonken. Wat vind ik het wonderbaarlijk dat Jehovah mij als het ware uit een doodstoestand heeft getrokken en mijn levensduur verlengd heeft! Zelfs nu mijn lichaamskracht is afgenomen, houdt hij de weg voor mij open om op bescheiden schaal de grootse belangen van zijn koninkrijk te dienen. Hij ’verwerpt mij niet ten tijde des ouderdoms’ en ’begeeft mij niet, nu mijn kracht vergaat’ (Ps. 71:9). Steeds zijn daar de eeuwige armen ter ondersteuning. Wat mij betreft, ik ben vastbesloten „standvastig [te zijn], onwrikbaar, altijd volop te doen hebbend in het werk van de Heer”. — 1 Kor. 15:58.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen