„Verheugt u altijd in de Heer”
Zoals verteld door J.P. Sioras
„NATIE zal tegen natie opstaan en koninkrijk tegen koninkrijk . . .” Na getuige te zijn geweest van de wereldschokkende gebeurtenissen van de Eerste Wereldoorlog, kon ik die woorden van Jezus, zoals ze staan opgetekend in Matthéüs 24:7, niet langer negeren. Ik voelde mij genoopt om meer over deze en andere profetieën van de bijbel te weten te komen. Maar eerst moest ik in het bezit zien te komen van een bijbel in de taal die ik het beste verstond — Grieks. Dat duurde twee jaar. In de zomer van 1914 had ik in Lewiston, in de Amerikaanse staat Maine, het „Photo-Drama der Schepping” gezien. Deze opmerkelijke vertoning van bijbelse geschiedenis door middel van lantaarnplaatjes en films had een diepe indruk op mij gemaakt. Maar op de een of andere wijze kwam ik niet in contact met degenen die deze prachtige vertoning verzorgden.
Twee jaar later hield een speciale spreker van de zevendedagadventisten een serie openbare lezingen in onze stadsgehoorzaal. Opnieuw werd mijn belangstelling voor bijbelstudie gestimuleerd, vooral voor het bijbelboek Daniël. Ik begon de bijbel geregeld te lezen en leerde zelfs vele passages uit het hoofd — iets wat in mijn latere leven zeer waardevol zou blijken te zijn. Ik kreeg echter nog steeds geen duidelijk begrip van de bijbelse boodschap. Ik had hulp nodig.
Toen, in 1917, verspreidde een van de Bijbelonderzoekers (nu bekend als Jehovah’s getuigen) mij een boek getiteld „The Divine Plan of the Ages” (Het Goddelijke Plan der Eeuwen). Vervolgens hoorde ik een openbare lezing die werd uitgesproken door J. F. Rutherford, een vertegenwoordiger van de Watch Tower Bible and Tract Society, de uitgevers van het genoemde boek en van vele andere hulpmiddelen voor bijbelstudie. Het was bijzonder interessant om op te merken dat deze vergadering door vele geestelijken van verscheidene denominaties werd bijgewoond.
VREUGDEVOLLE OPENBARINGEN
Toen er in 1918 een eind kwam aan de oorlog had ik een uitstekende gelegenheid de publikaties van het Genootschap, waarvan ik er tegen die tijd vele had aangeschaft, grondig te gaan lezen. Ik was naar een kleine stad verhuisd waar geen Bijbelonderzoekers waren, maar ik hield contact met het kantoor van de Watch Tower Society in Brooklyn. Mijn dagelijks werk duurde elke door-de-weekse dag van 4 uur n.m. tot middernacht. Hierdoor had ik een ideale tijd voor studie en meditatie — in de stilte van de nacht, op zijn minst tot 4 uur v.m.
Daar ik onderricht had ontvangen van de Grieks-orthodoxe Kerk, had ik geleerd dat het christelijke geloof gebaseerd is op de Schrift en de overleveringen van de apostolische vaders, waarbij de apostolische vaders de eerste plaats innamen. Ik vroeg me vaak af wat de apostel Paulus bedoelde toen hij schreef: „Verheugt u altijd in de Heer” (Fil. 4:4). In mijn vroegere religie was er niet veel geweest om verheugd over te zijn, en de afstand tussen ons gewone mensen en God en Christus scheen zo groot. Wat een vreugde was het nu, te vernemen dat de hoop op redding die in de bijbel wordt geleerd, iets was wat iedere berouwvolle zondaar kon grijpen — en niet slechts zij die op goede voet stonden met de „heiligen” van de Griekse Kerk! En nu begon ik in te zien waarom de priesters van de Orthodoxe Kerk geen werkelijke krachtsinspanningen deden om hun parochianen de hele bijbel te leren, toen ik de tekst in 1 Timótheüs 2:5 tegenkwam: „Er is één God en één middelaar tussen God en de mensen, een mens, Christus Jezus.” Al die andere „middelaren” en „heiligen” waren dus nutteloos!
Niet tevreden met het lezen van de bijbel en de hulpmiddelen van het Genootschap, hongerde ik naar omgang. Zodra ik erover vernam, begon ik een gemeente van Bijbelonderzoekers te bezoeken in een stad ruim zeventig kilometer van mijn huis verwijderd. Hier begon ik werkelijke vreugde te ervaren toen ik met anderen geestelijk voedsel in mij opnam. En hier leerde ik welke verantwoordelijkheid er met een kennis van Gods voornemens gepaard gaat. Ja, ik ging beseffen dat God en Christus van mij verwachtten dat ik de goede dingen die ik leerde, met anderen zou delen en ze niet slechts zelfzuchtig voor mijzelf zou houden. Ik begon daarom in mijn eigen kleine stad tot de mensen te spreken en hun lectuur aan te bieden. Ik kan moeilijk onder woorden brengen wat een vreugde en voldoening dit mij schonk. Ik deed Gods wil, en dat was mijn grootste wens.
Het jaar 1919 was bijzonder vreugdevol voor mij. Ik zal het nooit vergeten, want in dat jaar bezocht ik een congres van Bijbelonderzoekers in Cedar Point, Ohio, en in dat jaar werd ik, samen met tweehonderd andere gelovigen, als bewijs dat ik mijn leven aan God had opgedragen, gedoopt. Dat was ook het jaar waarin het nieuwe tijdschrift van het Genootschap, Het Gouden Tijdperk verscheen. Ik abonneerde mij onmiddellijk en heb tot op heden elke uitgave ervan gelezen. Natuurlijk staat het nu bekend als Ontwaakt!
Wat mij altijd heeft verbaasd, is de wonderbaarlijke manier waarop Jehovah God ten aanzien van hen die hun liefde voor hem tonen, de belofte heeft vervuld die in Spreuken 4:18 staat opgetekend: „Het pad der rechtvaardigen is als het glanzende morgenlicht, dat steeds helderder straalt tot den vollen dag.” Ja, door zijn voornemens geleidelijk aan hen te onthullen, heeft Jehovah zijn volk in deze tijd reden tot verheuging gegeven. En dit doet mij denken aan het feit dat hij de Israëlieten tijdens hun tocht door de wildernis op een geleidelijke wijze van manna voorzag (Ex. 16:21). Maar wij ontvangen geestelijk manna, een rijke bron van voedsel voor het hart en de geest.
Elke uitgave van het tijdschrift De Wachttoren las ik heel nauwkeurig door zodra het kwam, want ik had geleerd dat het tijdschrift inlichtingen over bijbelprofetieën bevatte die Jehovah aan zijn volk kenbaar wilde maken — inlichtingen die hen zouden aanmoedigen en sterken voor het werk dat bestaat in het prediken van het „goede nieuws van het koninkrijk” (Matth. 24:14). Door de jaren heen heeft het ons vreugde geschonken via de kolommen van dit tijdschrift vers-voor-versverklaringen te ontvangen van bijbelboeken als Daniël, Openbaring, Jeremia, Zacharia, Ruth, Esther en andere. En in de loop der jaren is het begrip altijd steeds helderder geworden. Wij hadden de vreugdevolle verzekering dat Jehovah met zijn volk was om hen op de juiste weg te leiden.
VREUGDEVOLLE DIENSTVOORRECHTEN
Niet lang nadat ik mij aan het dienen van God had opgedragen, verhuisde ik naar Detroit, Michigan, waar ik nog meer werkelijke zegeningen ontving. Ik was verbonden met een grote gemeente, en er was een veel groter veld voor dienst — want hier waren mensen van alle rassen en nationaliteiten. De acht jaren die ik in Detroit heb doorgebracht, hielpen mij om in kennis toe te nemen en veel over de organisatie van de Koninkrijkspredikingsactiviteit te leren. Nooit miste ik een vergadering, of het was ten gevolge van omstandigheden die ik niet in mijn macht had. Mijn geloof werd sterk. Ik kreeg zelfs het voorrecht om gedurende die periode in verscheidene hoedanigheden medeleden van de gemeente te mogen dienen. Dit was stellig nog meer reden tot vreugde!
In oktober 1929 ontving ik een uitnodiging om naar het hoofdbureau van het Genootschap te komen en een lid van de staf ervan te worden, een lid van de Bethelfamilie in Brooklyn, New York. Zonder te aarzelen, nam ik de uitnodiging aan. Ik had op zo’n voorrecht zelfs niet gehoopt. Eerst ontving ik de toewijzing om twee maal per jaar Grieks-sprekende gemeenten te bezoeken. Er werden regelingen getroffen dat ik drie maanden op stap zou zijn om deze groepen te bezoeken en dan drie maanden op het hoofdbureau andere werkzaamheden zou verrichten die door de organisatie werden vereist.
In 1937 kwam er een grote verandering — een verandering ten goede, mag ik wel zeggen. Alle gemeenten waar een vreemde taal werd gesproken, werden samengesmolten met de Engelse gemeenten. Het resultaat was, grotere harmonie en grotere activiteit. Mijn schema werd natuurlijk veranderd, maar er was veel ander werk te doen in een organisatie die zich snel uitbreidde, en ik schepte vreugde in mijn werk op het hoofdbureau. Het leven op Bethel is vreugdevol als men het voorrecht om daar te zijn, beschouwt als iets wat van Jehovah afkomstig is, en als men werkelijk volgens bijbelse beginselen wil leven. En er waren vele prachtige voorbeelden voor ons — mannen en vrouwen die hier kwamen in hun jeugd en loyaal bleven totdat zij ’stierven in hogen ouderdom, oud en van het leven verzadigd’, zoals Abraham. — Gen. 25:8.
Wat een gunstige positie heeft Bethel tot nu toe ingenomen vanwaar de groei van de organisatie van Koninkrijksverkondigers over heel de aarde waargenomen kan worden! Ik herinner mij hoe er in 1929, toen ik naar Bethel kwam, maar enkele verkondigers in heel weinig landen waren. Thans wordt het werk over de gehele wereld, in 200 landen, verricht en door een vreugdevolle menigte van 1.155.826 verkondigers van het goede nieuws van Gods koninkrijk. Naarmate wij de ontwikkelingen hebben gezien, is het allemaal zo vreugdevol geweest! Alleen God kon zo’n geweldige groei en doeltreffendheid hebben verschaft.
OOK JONGEREN KUNNEN ZICH VERHEUGEN
Wanneer ik om mij heen kijk naar de zich uitbreidende gelegenheden voor jongeren in Jehovah’s grootse werk, denk ik terug aan mijn eigen jeugd. Al heel jong wilde ik meer over God en de juiste weg weten. Mijn belangstelling ging ernaar uit Gods wil te leren kennen. Waarom was er zoveel goddeloosheid in de wereld? Waarom bekommerden de geestelijken zich zo weinig om de bijbel en zoveel om geldcollectes? Waren er ergens ook ware christelijke bedienaren? Dit zijn enkele van de vragen waarover ik placht na te denken.
Op zeventienjarige leeftijd begon ik werkelijk te zoeken. Ik bezocht verschillende kerken, maar werd keer op keer alleen maar teleurgesteld. De herders in de christenheid hadden niets dan schillen voor hun kudden. Het was niet moeilijk om in te zien dat deze valse herders degenen waren over wie in de bijbelse profetie in Ezechiël 34:10 werd gesproken: „Zie, Ik zál die herders! Ik eis mijn schapen van hen terug, en Ik zal een eind maken aan dat schapen-weiden van hen. De herders zullen niet langer zichzelf weiden, Ik zal mijn schapen uit hun mond redden, zodat die hun niet meer tot voedsel dienen.”
Ja, ik was ervan overtuigd dat Gods waarheid ergens moest zijn. Er moesten beslist mensen zijn die de bijbel met de hulp van Gods geest bestudeerden en dit deden met het onzelfzuchtige doel de bijbelse boodschap aan anderen bekend te maken. Ik ben Jehovah dankbaar en ben blij dat hij mij met zijn Getuigen in contact heeft gebracht terwijl ik nog in de kracht van mijn jeugd was! En nu schenkt het mij grote vreugde jonge mensen te zien die gretig de Koninkrijksboodschap aangrijpen en snel hun aangelegenheden zo regelen dat zij al hun tijd aan de prediking ervan kunnen besteden. Sommigen van hen zijn door godvruchtige ouders geholpen, maar anderen hebben zelf de juiste weg gekozen, zodat zij wijselijk ’hun Schepper gedenken in hun jongelingsjaren’ (Pred. 12:1). Zij zullen er nooit spijt van hebben dat zij die stap hebben gedaan.
Wanneer ik persoonlijk terugkijk naar de tijd van mijn opdracht in 1919, wordt mijn hart van vreugde vervuld. Denk eens aan! Het grootste gedeelte van mijn leven heb ik in de dienst van de Schepper kunnen besteden, terwijl ik gelukkigerwijs gered ben van de ijdele levenswijze in dit oude samenstel van dingen! En als bekroning van dit alles mag ik nu nog deze grote schare jongeren zien die hun banden met het oude samenstel verbreken en zich gewillig voor Jehovah’s dienst aanbieden.
HERNIEUWDE KRACHT
Natuurlijk worden wij ouder en kunnen dan niet meer zoveel in het werk des Heren doen als vroeger. Wordt onze vreugde hierdoor verminderd? Neen, maar er wordt alleen wel in onze geest geprent dat wij dank zij de kracht die Jehovah schenkt, de druk van Satans goddeloze stelsel kunnen blijven weer staan. Wij verwerven die kracht door zijn Woord te bestuderen en door hem in gebed te naderen. Op deze wijze bouwen wij een sterk geloof op — het soort van geloof dat onze kracht in ons latere leven vernieuwt, zoals het in de bijbelse belofte tot uitdrukking wordt gebracht: „Wie den HERE verwachten, putten nieuwe kracht; zij varen op met vleugelen als arenden; zij lopen, maar worden niet moede; zij wandelen, maar worden niet mat” (Jes. 40:31). Bedenk hoe er over Mozes, toen deze 120 jaar oud was, werd gezegd dat ’zijn oog niet was verduisterd en zijn kracht niet was geweken’ (Deut. 34:7). Met zijn oude ogen zag hij het land dat God aan Israël had beloofd.
Ook thans sterkt Jehovah zijn dienstknechten wanneer zij oud worden. Niet altijd komt deze hulp in fysiek opzicht, maar wel in geestelijk opzicht. In tegenstelling tot degenen die zonder God zijn, degenen die het leven moe worden en vinden dat zij te oud zijn om te leren en om nog ergens naar vooruit te kunnen zien, blijven Jehovah’s dienstknechten mentaal en geestelijk jong. Elke dag biedt hun voorrechten van eervolle dienst voor de grootse Schepper. En hun toekomst is aantrekkelijk, ja, inspirerend.
Wat een geweldig en vreugdevol voorrecht is het, in dit meest kritieke uur van de menselijke geschiedenis te leven en in Gods dienst werkzaam te zijn! Gods koning zit thans in de hemel op de troon. Onder zijn leiding heeft de wereldomvattende bekendmaking van het Koninkrijk reeds het punt bereikt dat het bijna voltooid is. Het volgende punt op zijn programma is, zich op te maken en alle vijanden van waarheid en rechtvaardigheid — zowel de zichtbare als de onzichtbare vijanden — te vernietigen. Dat zal een grootse redding zijn voor allen die God en Christus liefhebben en dienen. Thans is het de gelukkige dag waarover werd voorzegd: „Men zal te dien dage zeggen: Zie, deze is onze God, van wien wij hoopten, dat Hij ons zou verlossen; dit is de HERE, op wien wij hoopten; laten wij juichen en ons verblijden over de verlossing die Hij geeft.” — Jes. 25:9.