Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w74 1/9 blz. 540-542
  • Jehovah heeft mij goddelijke vreugde geschonken

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Jehovah heeft mij goddelijke vreugde geschonken
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1974
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • VREUGDE DOOR VERGADERINGEN
  • DE VREUGDE VAN DE BETHELDIENST
  • VREUGDE IN OUDERDOM EN ONGEHUWDE STAAT
  • Kun jij je beschikbaar stellen?
    Onze Koninkrijksdienst 2001
  • Is dit misschien de beste carrière voor jou?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2001
  • Hoe gebruik jij jouw leven?
    Koninkrijksdienst 1974
  • Met waardering het „Huis van God” bezien
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1994
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1974
w74 1/9 blz. 540-542

Jehovah heeft mij goddelijke vreugde geschonken

Zoals verteld door Babette Herrlinger

VREUGDE is altijd het thema van mijn leven geweest, een leven van dienst met en in Jehovah’s organisatie. Mijn gevoelens van vreugde zouden weinig beter vertolkt kunnen worden dan met de woorden van lied nummer 101 uit de bundel ’Zingen en uzelf begeleiden met muziek in uw hart’, een lied dat de titel draagt: „Onze goddelijke vreugde”. Graag zal ik nu met Jehovah’s hulp en geest willen vertellen hoe Jehovah mij goddelijke vreugde heeft geschonken. — Jes. 65:14; Fil. 4:4.

Mijn geboorteplaats was Altenstadt bei Geislingen a/d Steige, nu eenvoudig bekend als Geislingen an der Steige, in Duitsland, waar ik in 1894 het levenslicht aanschouwde. Ik was een gelukkig kind en ook mijn ouders waren gelukkig net als de mensen om hen heen, hoewel zij geen ware bijbelse hoop bezaten. Voor zover als in hun vermogen lag, leerden zij ons, drie meisjes en vier jongens, wat goed is en dat we hard moesten werken. Toch ontbrak er iets aan het leven. Ik kende God niet echt. We waren gelukkig, maar het was toch niet „de vrede van God, die alle gedachte te boven gaat”. Dat was de soort van vreugde waar ik naar verlangde. — Fil. 4:7.

In 1913 ging ik naar Zürich, in Zwitserland, om daar bij mijn tante te gaan werken, die een bakkerswinkel dreef. Een jaar later brak de Eerste Wereldoorlog uit. Drie van mijn broers moesten de oorlog in. Dat was een harde ervaring. Nu had ik meer nodig dan een gelukkige opvoeding om steun te vinden. Ik had iets nodig dat alleen God kan geven — geestelijke eigenschappen om mij te helpen dit tijdperk van dood en verdriet onder de ogen te zien. De religies waarmee ik bekend was, hadden geen werkelijke hoop of vreugde te bieden. Op zondagen had ik de gewoonte naar de bossen te gaan om daar op stille plekken te bidden en te mediteren. Ik kende op dat moment God nog niet bij zijn naam Jehovah, maar ik wist dat hij de enige bron van ware vreugde kon zijn. Mijn situatie kwam sterk overeen met die van de Ethiopische eunuch waarover de bijbel ons vertelt, een man die de Schrift las, maar leiding nodig had om er het juiste begrip van te krijgen (Hand. 8:30, 31). Jehovah kende mijn probleem en begon mijn gebeden te verhoren.

In 1914 kwam een van Jehovah’s getuigen (die toen nog bekend stonden als „Bijbelonderzoekers”) bij mij in de winkel om een brood te kopen. Hoe weinig besefte ik toen nog dat zij het belangrijkere „brood des levens” bezat waar ik naar verlangde (Joh. 6:31, 35). Zij sprak over Gods koninkrijk en hoewel mijn tante geen belangstelling toonde, luisterde ik met gretige aandacht. Wat zij vertelde was zo anders, zo logisch, zo verfrissend! Ik nodigde haar uit in de keuken te komen.

Altijd zal mij bijblijven hoe geduldig en vriendelijk zij mij die wonderbare bijbelse belofte uitlegde: „En hij zal elke traan uit hun ogen wegwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschreeuw, noch pijn zal er meer zijn” (Openb. 21:4). Hoe zou dit ooit kunnen plaatsvinden? Ik vroeg waar ik meer hierover kon horen, waarop zij mij uitnodigde voor de wekelijkse vergaderingen van de Getuigen.

VREUGDE DOOR VERGADERINGEN

Hoe fijn was die eerste vergadering! Welk een vreugde vond ik daar! Hier in die christelijke vergaderzaal was de ware christelijke broederschap die ik tot dan toe had gemist. Hoe goed is de bijbelse raad om als ware christenen op vergaderingen bijeen te komen! (Hebr. 10:25) Ik was zo diep onder de indruk dat ik me vanaf toen vast voornam vergaderingbezoek tot een vast onderdeel van mijn wekelijkse schema te maken. Zonder vergaderingen kon ik geen ware goddelijke vreugde bezitten.

Naarmate men toeneemt in rijpheid, gaat de vreugde zich verdiepen. In die tijd waren de vergaderingen net als thans bijzonder heilzaam. Wij bestudeerden publikaties als De drie werelden, Tabernakel-schaduwen en de Schriftstudiën. Mijn goddelijke vreugde nam toe, terwijl zich in mij de hoop begon te ontwikkelen op een dag met Jehovah en zijn geliefde Zoon in het hemelse koninkrijk te zijn. Ik droeg mijn leven aan Jehovah op, en werd als teken daarvan gedoopt.

Toen ik enkele jaren terug hier in onze Koninkrijkszaal van Bethel in Brooklyn zat en de film „God kan niet liegen” zag, gingen mijn gedachten terug naar de tijd dat er een andere film bijzonder populair was — „Het Photo-Drama der Schepping”. Ik wilde dat iedereen dat Drama zou horen en zien. Samen met een van mijn christelijke zusters schreef ik naar het Wachttorengenootschap een brief met het verzoek of er geen regelingen getroffen konden worden voor vertoningen in Geislingen. Zij die kwamen werden rijkelijk gezegend en hoe groot was mijn vreugde toen ik zag hoe de mensen in mijn geboorteplaats meer belangstelling begonnen te krijgen voor de bijbelse waarheid. Thans is er in Geislingen een christelijke gemeente van actieve Getuigen, en zelfs nu nog ontvang ik brieven waarin wordt verteld over oudere mensen die zich nog heel goed mijn eerste pogingen herinneren om hen in kennis te brengen met het goede nieuws.

Ook congressen zijn voor mij altijd een bron van grote vreugde geweest. In 1922 bezocht ik bijvoorbeeld zo’n grote vergadering in Stuttgart, in Duitsland, waar wij tijdens de hoofdlezing werden aangespoord met de woorden: „verkondig, verkondig, verkondig de Koning en zijn Koninkrijk”. Degenen van ons die al jaren een aandeel aan het Koninkrijkswerk hadden gehad, leerden dat wij nog niet „naar huis gingen” naar het hemelse koninkrijk om met onze Heer Jezus Christus te zijn. Nee, nog niet! Er was hier op aarde voor ons nog veel meer werk te doen.

Vreugdevol bleef ik aan de prediking van het Koninkrijk deelnemen, hoewel dit niet altijd zonder tegenstand ging. Satan de Duivel was druk bezig met het zaaien van slecht zaad onder de getrouwe dienstknechten van Jehovah. Er begon zich een „boze slaaf”-klasse te manifesteren (Matth. 24:48-51). Ik wist dat er iets in de gemeente gaande was. Als een van Jehovah’s „schapen” had ik het verlangen op juiste wijze geleid te worden, en niet door personen die enkel zelfzuchtige bedoelingen met Gods kudde hadden. Hoe gelukkig was ik toen J. F. Rutherford, de president van het Wachttorengenootschap, tijdens het grote congres in Bazel, in 1926, een verhelderende lezing over de kwestie hield. Een week later sprak hij voor onze kleine groep in Zürich, tijdens welke gelegenheid hij ons aanmoedigde loyaal aan Jehovah’s organisatie te blijven. Nu wisten we welke weg we moesten volgen. Jehovah leidde ons naar grotere vreugden en voorrechten in zijn dienst.

DE VREUGDE VAN DE BETHELDIENST

Ik wist dat er een wereldomvattend getuigeniswerk tot stand moest worden gebracht en wilde dichter bij het hoofdbureau van Jehovah’s aardse organisatie zijn, dus besloot ik naar Amerika te gaan. De dag van vertrek brak aan. Ik liet mijn liefste vriendinnen in Zürich achter en bereikte in september 1926 New York. Enkele maanden later diende ik mijn aanvraag voor de Betheldienst in. De meeste jonge mensen die thans een aanvraag indienen en bekwaam zijn, krijgen al binnen enkele maanden een oproep om te komen. Ik moest echter tien jaar wachten. Daardoor ging ik mij afvragen of hetgeen ik wilde, wel werkelijk Jehovah’s wil was. Maar ik wachtte, vastbesloten vreugdevol bezig te blijven met het werk dat ik in die tussentijd deed.

Het kwam nooit bij me op naar Zwitserland terug te keren. Ik wist dat als het Jehovah’s wil was dat ik op Bethel zou dienen, ik op de juiste tijd mijn oproep zou ontvangen. Ik bleef hem de zaak in gebed voorleggen, terwijl er ondertussen voor mij als predikster van het goede nieuws van zijn Koninkrijk heel wat te leren viel.

Wanneer een dienstknecht van Jehovah lang genoeg op diens zegen wacht, is het, wanneer die zegen werkelijk komt, een extra vreugde. Dat ondervond ik ook. Stel u voor hoe blij ik was toen eindelijk dat lang verbeide moment aanbrak en ik een brief van broeder Rutherford ontving met de uitnodiging een lid van de Bethelfamilie te worden!

Op Bethel begon er voor mij een nieuw leven. Ik was mij er terdege van bewust dat het als vrouw mijn plicht was God nederig te dienen, en ik nam mij vast in mijn hart voor alles te doen wat Jehovah me door bemiddeling van zijn organisatie zou opdragen. Ik kreeg de toewijzing om als huishoudzuster te dienen, hetgeen betekende dat ik iets moest doen, wat een gewone huisvrouw nooit hoeft te doen — elke morgen zesentwintig bedden opmaken! Daarnaast moesten de vloeren worden gedweild, de ramen worden gelapt, wasbakken en spiegels worden gereinigd, kleden gezogen en stof worden afgenomen, terwijl ook een gedeelte van de toiletten onder mijn hoede viel.

Op het eerste gezicht zal dit misschien saai en hard werk lijken, maar niet op Bethel! Ik leerde elke dag tegemoet te zien met de blijde gedachte iets voor mijn broeders hier te kunnen doen. Zij zouden het niet prettig vinden om na een dag hard werken op het kantoor of de drukkerij thuis te komen op een slordige kamer met onopgemaakte bedden. Nee, dit werk te mogen doen geeft een gevoel van voldoening. Alles zo netjes en schoon te mogen maken schenkt vreugde en tevredenheid.

Al heel veel woorden van waardering en dank heb ik mogen ontvangen van de broeders van wie ik de kamers mocht schoonhouden. Een huishoudzuster krijgt een zekere aangename band met de bewoners van een kamer, ook al ziet zij ze misschien niet vaak. Het was altijd een vreugde te weten dat mensen je diensten waardeerden. Wat ik ook ontdekte, was dat een huishoudzuster artistiek kan zijn en er vreugde in kan scheppen om elke week de dingetjes in de kamers wat anders te rangschikken.

Alleen, met het verstrijken der jaren worden we ouder, en met de ouderdom komen de problemen. Ik herinner me nog hoe ik op een bepaald moment het gevoel had het werk niet meer aan te kunnen. Toen had ik echter een van-hart-tot-hart-gesprek met een van de oudere zusters uit ons geliefde gezin. Nooit zal ik dat gesprek vergeten. Zij opende mijn ogen voor andere wegen van vreugde, de vreugde bijvoorbeeld van vertrouwen in Jehovah, vertrouwen dat hij ons voor elke nieuwe dag kracht zal geven. Wanneer je jong bent, onderschat je vaak de noodzaak van dat vertrouwen. Maar naarmate je ouder wordt, en het gemis aan eigen kracht zich steeds duidelijker doet voelen, worden al je problemen anders, hetgeen je dichter tot Jehovah trekt zodat je hem vaker in gebed nadert. Zo leerde ik veelvuldiger te bidden om kracht, terwijl ik me tegelijkertijd een efficiëntere werkmethode eigen maakte. Per slot van rekening blijven ook acteurs tot op hoge leeftijd hun kunst vervolmaken, ook al zijn hun lichamelijke vermogens niet meer zoals vroeger. Dus ook wij, degenen die in Jehovah’s dienst staan — een dienst die verhevener is dan alle kunsten — kunnen zelfs tot op hoge leeftijd streven naar een nog grotere doelmatigheid bij ons werk.

VREUGDE IN OUDERDOM EN ONGEHUWDE STAAT

Terugkijkend op mijn jaren van Betheldienst, ben ik dankbaar voor de waardevolle opleiding die ik hier ontving. De combinatie van zoveel verschillende persoonlijkheden, allen toegewijd aan Jehovah en allen op één plaats bijeen, met hun onvolmaaktheden, hun diverse eigenaardigheden en interessante gewoonten, verschaft stellig een geweldig opleidingsterrein. Ik leerde dat ik in geen enkel aspect van het leven zo goed was als ik aanvankelijk had gemeend. Bethel heeft mij nederigheid geleerd — die in Jehovah’s ogen zo kostbare hoedanigheid (Jak. 4:6; 1 Petr. 3:4). Ik heb geduld, volharding, vrede en dankbaarheid ontwikkeld. Er zijn situaties geweest waarin ik mijn eigen nederigheid en bereidheid om met anderen samen te werken, heb kunnen toetsen. Het is mijn gebed dat Jehovah me zal blijven vormen als een vat voor een eervol gebruik in zijn huis.

Tevens heb ik de zegen mogen ervaren van de ongehuwde staat. In mijn dienst voor Jehovah heb ik verkozen ongehuwd te blijven. Maar voel ik mij ooit eenzaam? In het geheel niet. Werkelijk, de momenten dat ik alleen ben, zijn mijn meest kostbare momenten. Ik kan dan met Jehovah in gebed spreken, en me dan zonder afgeleid te worden, wijden aan meditatie en persoonlijke studie. En voel ik behoefte aan gezelschap in mij opkomen, dan hoef ik alleen maar even naar de kamer van een vriendin te gaan, of ik ga in de prachtige tuin van Bethel zitten, of ik zoek een rustig plekje op in de ontvangsthal van Bethel, waar je vaak kunt genieten van heerlijke muziek als iemand op de piano speelt. Het ongehuwd-zijn heeft niet weinig tot mijn vreugde bijgedragen.

Betheldienst houdt ook in dat men met een van de plaatselijke gemeenten in de omgeving verbonden is. Alle leden van de Bethelfamilie hebben het voorrecht van huis tot huis te prediken en nabezoeken te brengen bij geïnteresseerde personen, alsmede bijbelstudies te leiden bij mensen die hongeren en dorsten naar rechtvaardigheid — en dit alles in samenwerking met een van de 187 gemeenten die zich in het gebied van New York bevinden. Toen ik hier kwam, was er in heel Brooklyn slechts één gemeente. Hoe vreugdevol die geweldige groei te hebben mogen aanschouwen!

Ik heb ook getuige mogen zijn van de bouw van drie nieuwe Bethelhuizen en vier nieuwe drukkerijen voor het vervaardigen van bijbels en bijbelse lectuur. Welk een wonderbare bewijzen van Jehovah’s milde hand waarmee hij zijn toegewijde volk verrijkt!

Het is ook altijd een vreugde geweest te mogen horen over de fenomenale groei van Koninkrijksbelangen in het land van mijn jeugd. Tot de tallozen die in Duitsland hebben geluisterd naar de Koninkrijksboodschap en zich hebben geschaard in de rijen van Gods aanbidders, behoort ook de zoon van mijn tante in Zürich bij wie ik heb gewerkt. Hij en zijn gehele gezin zijn nu Getuigen, hetgeen mij grote vreugde schenkt.

Ik ben nu tachtig jaar. En alles in acht genomen, is mijn lichamelijke toestand redelijk. Terugkijkend op mijn bijna veertig jaar Betheldienst, kan ik niet anders dan Jehovah loven voor alles wat hij mij gegeven heeft en bovenal voor de vreugde die hij mij ten deel heeft doen vallen. Ik doe nu nog wat huiswerk en andere lichte karweitjes in het Bethelhuis. Ik heb geen spijt. Ik heb hier goddelijk onderricht mogen ontvangen. Ik ben getuige geweest van de rijke zegen die Jehovah in deze „laatste dagen” op zijn volk heeft uitgestort. Voor mij is dit wonderbaarlijk, voldoeninggevend en vreugdevol. Mijn leven is allesbehalve eentonig geweest. Ik heb gezien hoe ten aanzien van Jehovah’s volk op de gehele aarde zijn grootse belofte in vervulling is gegaan: „Ziet! Míjn knechten zullen zich verheugen, . . . Míjn knechten zullen een vreugdegeroep aanheffen wegens de goede hartetoestand.” — Jes. 65:13, 14.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen