’Kwaad lijden als een juiste soort van soldaat’
Zoals verteld door G. Oltmanns
’TEN koste van alles zullen wij Gods geboden houden, ook al betekent dit dat wij ons leven zullen verliezen, en wij zullen voor aanbidding blijven bijeenkomen. Indien uw regering ons geweld aandoet, zal ze zich tegenover de Almachtige God te verantwoorden hebben.’ Dit waren de laatste gedachten van een resolutie die op 7 oktober 1934 op de kanselarij van het Derde Reich werd ontvangen. Honderden exemplaren van dezelfde boodschap waren afkomstig van gemeenten van de verboden „ernstige Bijbelonderzoekers”, die in andere landen bekendstonden als Jehovah’s getuigen.
Ik zal die dag nooit vergeten, want op die ochtend waren wij om tien uur voor gebed bijeengekomen en na een bespreking besloten wij vervolgens unaniem deze boodschap aan Hitlers regering te zenden. Wij konden Hitler nooit als leider volgen of hem als zodanig erkennen, want wij hadden het reeds op ons genomen ’voortreffelijke soldaten’ te zijn van Jezus Christus, de ware door God geschonken „leider en gebieder voor de nationale groepen” (2 Tim. 2:3; Jes. 55:4). Vooral voor mij was het een opwindende gebeurtenis.
Ik had de Bijbelonderzoekers voor het eerst in mei 1924 ontmoet. Dit gebeurde toen ik een van mijn collega’s bij zijn verhuizing hielp. Ik zag een oude mandoline staan en begon er zonder enige reden het oude lied „Loof de Heer, de grote God der goden” op te spelen. Dat deed het. Wij waren onmiddellijk in een diepgaande bijbelbespreking verwikkeld, want de collega bleek een Bijbelonderzoeker te zijn. Ik was Luthers opgevoed, maar ik was beslist heel erg onder de indruk van zijn bijbelkennis. Ik gaf er echter geen blijk van het met zijn ideeën eens te zijn.
Toen werden mij over de post boeken toegezonden — het ene boek na het andere — de zeven delen van een werk dat was getiteld „Schriftstudiën” en dat door C. T. Russell was geschreven. Ik begon er nu en dan in te lezen. Toen begon ik meer tijd opzij te zetten om ze te bestuderen. Ten slotte las ik tot diep in de nacht door. Soms was ik echt geïrriteerd als ik las hoe het lutheranisme aan de kaak werd gesteld. Andere keren was ik het volledig met de schrijver eens.
Omstreeks deze tijd stemde ik erin toe een lezing bij te wonen van een bekend spreker, een katholieke priester, die een groep oorlogsveteranen uit de Eerste Wereldoorlog zou toespreken, in de meeste gevallen nog jonge mannen. Hij beroemde zich erop dat hij in de loopgraven zoveel zielen had gered. Maar wat hij over één jongeman zei, die in zijn stervensuur weigerde door de priester „bediend” te worden, gaf mij werkelijk een schok. De stervende man had de priester zijn rug toegekeerd. „Daarom”, zo verklaarde de spreker, „schreeuwde ik in zijn oor: Moge de Duivel je zondige ziel naar de hel voeren!” Mijn walging over zulk een onchristelijk gedrag bewoog mij ertoe naar het kantoor van het Wachttorengenootschap te schrijven en vijftig brochures te bestellen over het onderwerp: „Hel: Wat is de hel? Wie zijn er? Kunnen zij eruit komen?” Zonder het te beseffen, was ik op weg een actieve Getuige van Jehovah te worden.
In 1925 kwam ik als gevolg van mijn wereldse werk in de buurt van Oldenburg terecht. Ik bezocht daar de gemeente van Jehovah’s getuigen en was verbaasd toen de presiderende bedienaar mij verwelkomde alsof hij wist dat ik zou komen. Toen ik hem vroeg hoe hij mij kende, zei hij: „Het kantoor van het Genootschap heeft ons over u geschreven. Wij hebben u verwacht. Wij zijn blij dat u bent gekomen.” Spoedig daarna kwam voor mij de gelegenheid mijn opdracht aan Jehovah God door middel van de waterdoop te symboliseren.
In 1928 trouwde ik met een ijverige Bijbelonderzoekster die tot nu toe als mijn levensgezellin en medestrijdster aan mijn zijde is gebleven. Ondertussen bestond er bij ons geen twijfel over dat er een geestelijke oorlog gevoerd moest worden, want een groot gedeelte van het gebied waarin wij predikten, werd door katholieken bewoond. Er bestond geen waarborg voor een vreedzame activiteit. In de kranten begon men leugens over ons te verbreiden. Niettemin bleven wij de Koninkrijksboodschap in steden, dorpen en op het platteland bekendmaken.
DE STRIJD SPITST ZICH TOE
Wat waren wij blij dat wij tot het voorjaar van 1933 zo grondig en gewetensvol hadden gewerkt! Want nu doemde de komst van Hitlers regering op als de waarschuwing van donkere onweerswolken. Zouden wij onder moeilijke omstandigheden volharden? Zouden wij, nu ons werk door de bruingelaarsde ondersteuners van Hitlers „duizendjarige heerschappij van vrede” werd bedreigd en verstoord, de leiding blijven volgen van onze Leider in de hemel, Christus Jezus?
Er werd druk op ons uitgeoefend. Ons gezinnetje van vier personen kwam op straat te staan en wij moesten het vaak zonder voedsel stellen. Ik heb nog steeds het officiële document van de president van de regering, waaruit ik citeer: „Zolang u deze mening toegedaan blijft, zult u zelf voor het welzijn van uw gezin moeten zorgen.” Wij baden of wij de kracht mochten hebben zonder te schipperen te volharden. Wij weerstonden de tegenstander en iedere keer als het leek dat er geen uitweg was, zond Jehovah ons toch weer hulp.
Ik was als gevolg van de toestanden gedwongen van huis weg te gaan en zelfs het zwaarste werk te aanvaarden. In 1934 werkte ik bijvoorbeeld als hotelportier, als bordenwasser en later als buffethulp op het Noordzee-eiland Helgoland, 200 kilometer van huis. Maar zelfs toen slaagden wij er nog steeds in de tijdschriften De Wachttoren te krijgen. Wat vormden ze een aansporing! En wij kwamen te weten waarom Jehovah’s dienstknechten moesten volharden, ook al werden zij tot het uiterste beproefd. Jehovah’s naam en soevereiniteit stonden op het spel. Wij hadden het voorrecht te bewijzen dat Satan een leugenaar was in zijn uitdagende bewering dat God geen mensen op aarde kon hebben die hem onder vervolging trouw zouden blijven. — Job 1:9-11.
’GEVANGENEN VOOR DE HEER’
Op 4 juni 1938 viel ik in de klauwen van de Gestapo. Ik werd door een speciaal gerechtshof in Hannover berecht en heb mijn „straftijd” in zes verschillende gevangenissen uitgezeten. Ongeveer twintig maanden lang, was ik van alle contact met mede-Getuigen verstoken, terwijl ik soms zelfs cellulair vastzat. Ik moest uit mijn voorraad bijbelkennis putten om geestelijk staande te kunnen blijven. Op zekere dag schoof een vriendelijke bewaker een bijbel in mijn cel. Het deed me denken aan de engel die Elia versterkte — zo onverwachts gebeurde dit (1 Kon. 19:5-8). En het was vertroostend terug te zien op de reden waarom ik leed — omdat ik mij niet had laten intimideren en tot zwijgen had laten brengen, door te weigeren de woorden van Jehovah, de Heilige, te verbergen. — Job 6:10.
Het allergevaarlijkst waren de wereldlingen die in deze tijd raad probeerden te geven. Een vroegere gevangene uit een concentratiekamp, die wegens politieke redenen had vastgezeten en aan wie ik getuigenis had gegeven over het Koninkrijk, beschreef zijn eigen ervaringen en zei: „Wees slim en teken. Van de 400 Getuigen in ons kamp hebben elke dag vijftien die hadden geweigerd te tekenen, de ’hel’ gekregen.” Ik wist echter heel goed welke handelwijze Jehovah zou eren.
In januari 1940 kwam ik uiteindelijk in het kamp Sachsenhausen, bij Berlijn, terecht. Hier trof ik 400 andere Getuigen aan. Sinds maart 1938 waren zij geïsoleerd en waren hun de rechten die andere gevangenen genoten, onthouden. Geen kranten, geen boeken en, in het begin, geen post. Later mochten wij één brief van vijf regels per maand ontvangen. Spotters schimpten: „Waar is jullie Jehovah nu?” Er waren ook sterfgevallen. Eén oude man stierf in mijn armen, getrouw tot de dood. Zijn laatste woorden hielden een aanmoediging voor ons in om getrouw te blijven.
En er waren nog altijd gelegenheden om over het Koninkrijk getuigenis af te leggen. Dertig van ons groepje moesten bijvoorbeeld meehelpen een nieuw SS-hoofdkantoor in Berlijn te bouwen. Aan het einde van een gesprek dat ik met een SS-leider had, zei ik: „Mijnheer, u bent een soldaat. Ik ben ook een soldaat.” Ik had 2 Timótheüs 2:2-4 in gedachten. Wanneer ik hierna in moeilijkheden kwam, hielp hij me altijd door tot zijn mannen te zeggen: „Laat Oltmanns met rust. Oltmanns is een soldaat!”
In het voorjaar van 1941 werd wat nu lied elf is in de liederenbundel ’Zingen en uzelf begeleiden met muziek in uw hart’ gecomponeerd. Jehovah sterkte ons werkelijk om onversaagd voorwaarts te gaan. Te zamen met de apostel Paulus konden wij vol vertrouwen verklaren: „Wij worden in elk opzicht bestookt, . . . in verlegenheid gebracht, . . . vervolgd, . . . neergeworpen, maar niet vernietigd.” — 2 Kor. 4:8, 9.
In september 1941 kwam er een kleine verademing. ’s Middags hoorden wij hoe er via de luidspreker over het kamp werd geschald: „Jehovah’s getuigen, Bijbelonderzoekers, attentie! Slechts vijf minuten om te eten, en dan onmiddellijk vertrekken!” Wij mochten het strafgebied, waar wij van de anderen geïsoleerd waren geweest, verlaten. Nu werden wij net als andere gevangenen in het kamp behandeld. Men begon ons als betrouwbare werkers te waarderen. „Zij moeten door vleierijen gewonnen worden, aangezien zij onder druk alleen maar vastberadener worden” — zo werd in een brief van de SS gezegd. „Wij hebben hen ook na de oorlog in het oosten nodig, waar zij het evangelie van vrede aan de Slavische volken kunnen prediken.”
Wij bleven dus met onze gemeentelijke studies doorgaan. Sommige bewakers in de torens zagen hier zelfs naar uit, want zij hoorden ons dan inheemse liederen zingen, vervolgens een Sionslied, dat werd gevolgd door gebed en onze studie. Op zekere dag kwam er echter een nieuwe blokoudste. Zouden wij onze studie als vanouds kunnen hebben? Waarom niet? Wij baden erom en begonnen toen met de studie. Plotseling, in het midden van onze studie van Daniël hoofdstuk 11, ging de deur van ons vertrek open en daar stond onze nieuwe blokoudste. Ik geloof dat hij meer geschrokken was dan wij. Hij stond ongeveer een minuut stil en gebaarde toen dat wij konden doorgaan. Wat hebben wij ons slotlied enthousiast gezongen!
In augustus 1942 werden wij door een lid van een van de sekten van de christenheid verraden. Op zekere ochtend werd alles doorzocht, met inbegrip van de strozakken waarop wij sliepen. Er werd veel lectuur gevonden. Toen werden er straffen uitgedeeld — vijftien van ons groepje ontvingen vijfentwintig stokslagen. Eén rustige gezalfde broeder, die de schuld op zich wilde nemen om de anderen te beschermen, ontving vijftig stokslagen. Vervolgens moesten wij allemaal een grote hoeveelheid zware stenen sjouwen.
In maart 1943 werden wij in veewagens geladen waarvan de ramen met prikkeldraad waren afgezet, en per spoor via België en Parijs naar het schilderachtige Sint-Malo vervoerd. Hier zagen wij voor het eerst palmbomen. Met een veerboot werden wij overgebracht naar het Engelse eiland Alderney, dat destijds door het Duitse leger was bezet. Het deed ons na al die maanden van hechtenis heel goed zo’n verfrissende zeereis te maken. Op dit rotsachtige eiland gaf iemand mij een Engelse bijbel, een Duits-Engels woordenboek en de boeken Government (Regering) en Reconciliation (Verzoening). SS-mannen dachten dat ik de taal probeerde te leren, maar in werkelijkheid werd ons groepje opnieuw geestelijk opgebouwd.
EEN KEERPUNT
Toen kwam de invasie van de Geallieerden in 1944. De doodsstrijd van het „duizendjarige Reich” zou beginnen, en zelfs wij konden dat voelen. Drie weken later nam een van de laatste Duitse boten die Cherbourg zouden verlaten, ons aan boord en vervoerde ons naar het zonnige eiland Guernsey. Het plan was het schip met zijn gehele lading hulpeloze gevangenen te laten zinken, maar de kapitein ging hier niet mee akkoord. Ten slotte bereikten wij Jersey en enkele dagen later loodste een goede roerganger ons door de blokkade van de Geallieerden heen en zette ons weer in Sint-Malo af.
Toen begon er een treinrace dwars door Europa. Geallieerde piloten trachtten de locomotief buiten werking te stellen, maar zij zagen ervan af de wagons te bombarderen, omdat zij wisten dat er gevangengenomen partisanen en Amerikaanse gevangenen, alsmede ons groepje Getuigen, in werden vervoerd. Toen wij door Frankrijk reisden, waren de mensen erg vriendelijk voor ons, terwijl zij ons vaak voortreffelijke wijn gaven als wij om water vroegen. Het is evenwel heel verdrietig dat enkelen van ons groepje deze reis niet overleefden. Op één plek werden drie Getuigen in één graf begraven. Hun vleselijke lichaam hield het niet langer uit, hoewel zij in geestelijk opzicht sterk waren.
Er gingen weken voorbij. Wij reden door Vlaanderen, Holland en Duitsland. Ook daar stopten wij niet. Wij werden naar verschillende plaatsen in Tsjecho-Slowakije gebracht en uiteindelijk naar het kamp Munnigholz in Steyr. Wat waren wij dankbaar toen de maand mei aanbrak en wij de witte vlag zagen wapperen! Wij huilden van vreugde. Wij verlangden er toch zo naar met de andere leden van ons gezin verenigd te worden! Zouden zij nog leven? En bovendien wilden wij weer graag aan de christelijke strijd deelnemen, de geestelijke oorlogvoering waarvoor wij als soldaten waren ingelijfd. Het verkeer lag echter stil. Het land was verwoest.
Gelukkig vonden wij een oude legertruck die wij repareerden. Wij hadden ook een banier gemaakt met daarop de woorden „Jehovah’s getuigen keren huiswaarts vanuit de concentratiekampen”. Met deze banier en berketakken op de truck, en nog steeds in onze gestreepte gevangeniskleren, reisde ons groepje van vijftig Getuigen vreugdevol door Beieren en Saksen naar Leipzig. Daar scheidden onze wegen en zoals ik voordien had beloofd kwam ik precies op tijd ’s avonds thuis. Het was 4 juni — precies zeven jaar nadat ik door de Gestapo was opgepakt!
WEER THUIS — MAAR NIET MET VERLOF
De kinderen waren ook veilig thuis toen ik aankwam. Het was opwindend het rapport van de rechter over hen te lezen toen zij nog maar twaalf en negen jaar oud waren. „Wij willen niet Heil Hitler zeggen”, hadden zij gezegd. „Wij willen Hitlers vlag niet groeten. Wij willen ons niet bij de B.D.M. aansluiten, ook al weten wij dat wij dan niet bij moeder mogen blijven. Onze vader is in het concentratiekamp omdat hij in God gelooft. De pastoors zeggen dat zij ook in God geloven, maar zij zijn niet in een concentratiekamp omdat zij schipperen.” Zij waren stellig gezegend met een liefdevolle moeder die er dapper mee was doorgegaan Gods Woord dagelijks met hen te bestuderen.
Dit was echter geen tijd voor verlof. Door middel van zijn organisatie riep Jehovah alle soldaten van Christus op om wakker en druk bezig te blijven. Ik ontving het voorrecht als een speciale reizende vertegenwoordiger van het Wachttorengenootschap in noordwest-Duitsland aangesteld te worden. Zou ik dit kunnen volhouden? Een zwak hart vormde geen aanmoediging voor mij. Jehovah verhoorde echter onze gebeden en de broeders waren overal erg aanmoedigend. De gemeenten van Jehovah’s getuigen sprongen zelfs uit de grond als paddestoelen na een warme zomerregen.
En wat is onze beker sindsdien overgevloeid! Het dienstwerk werd in 1947 hersteld; ons eerste naoorlogse congres in Kassel in 1948; de grootse, onuitsprekelijke vreugde om in 1950 de oceaan over te vliegen voor het reusachtige „Toename der Theocratie”-congres in Newyorks Yankee Stadion, waar zeventig vertegenwoordigers uit Duitsland aanwezig waren. Wij hadden een vuurproef doorstaan. Nu vloeide onze beker van zegening over.
Onvergetelijk waren ook de congressen in Neurenberg, die op het terrein van de nazi-partij werden gehouden. De 144 pilaren werden symbolen van de overwinning van Gods zegevierende koninkrijk onder de scepter en kroon van zijn aangestelde Koning Christus Jezus. In 1955 vulden meer dan 107.000 loyale onderdanen van die „Leider en Gebieder” deze terreinen en zongen liederen tot lof van Jehovah der legerscharen. Vanaf de toren zag ik over deze grote menigte heen en er welden vreugdetranen in mijn ogen op. Onder de Koning Christus leerden grote mensenmenigten wat geen enkele wereldse religieuze of politieke organisatie had kunnen doen — hoe mensen van alle natiën in vrede en liefdevolle samenwerking verenigd kunnen zijn.
Welnu, jonge mensen, die op de drempel staan van een zorgeloze volle-tijddienst, zeg niet: „Ik ben niet bekwaam genoeg om dienst te verrichten” of „Het is te veel voor mij.” Gaat voorwaarts in Jehovah’s kracht. Hij zal jullie ondersteunen en sterken, evenals hij dit met een „wolk van getuigen” in het verleden en in de tegenwoordige tijd heeft gedaan. Houdt in gedachten dat Gods ware aanbidders strijders zijn, want wij leven te midden van een vijandige wereld. Totdat Jehovah’s uiteindelijke overwinning voorgoed een einde maakt aan Satans gehele organisatie is het zowel jullie als ons voorrecht ’voortreffelijke soldaten van Jezus Christus’ te zijn die bereid zijn een theocratische strijd te voeren en te volharden.