Vol waardering voor de dienst van de „getrouwe en beleidvolle slaaf”
ZOALS VERTELD DOOR MARY HANNAN
„WAAROM ga je niet mee naar de bijbelstudie?” vroeg mijn moeder op een zekere zondagochtend toen zij, mijn zuster en mijn oudste broer zich klaarmaakten voor de tien kilometer lange tocht naar de stad met paard en wagen. „Dat is goed, als u mij maar weer op tijd terugbrengt om naar de zondagsschool te gaan”, antwoordde ik. De tijd was vóór de Eerste Wereldoorlog. De plaats: een boerderij van dertig hectare in het zuiden van de Amerikaanse staat New Jersey. Ons gezin bestond uit vader, moeder, vier jongens en twee meisjes, terwijl wij op religieus gebied voornamelijk presbyteriaans georiënteerd waren.
Maar moeder koesterde al enige tijd andere gedachten. Iemand had haar een exemplaar gestuurd van een tijdschrift dat „De Wachttoren” heette en waarin het bijbelse bewijs werd verschaft dat er niet zo’n plaats als een brandende hel voor goddeloze mensen was. Moeder had altijd geloofd dat dit wel zo was, maar zij geloofde ook krachtig in de bijbel. U kunt u misschien voorstellen wat er in haar omging toen zij de waarheid over de hel vernam. Zij sprak er met iedereen over — met de buren, met familieleden en ook thuis, met ons kinderen. Sommigen van degenen met wie zij sprak, dachten dat zij bezig was haar verstand te verliezen.
Moeder begon de bijbel ijverig te onderzoeken. Zij kocht de „Schriftstudiën”, een serie in linnen gebonden boeken die door het Wachttorengenootschap waren uitgegeven, en verslond ze gretig. Zij begon geregeld bijeen te komen met een groepje bijbelonderzoekers die in een particulier huis in een nabijgelegen stad vergaderden. Vaak praatte ze met ons, kinderen, over wat zij leerde. Ook waren wij gewend dat er aan tafel uit de bijbel werd voorgelezen. Ik kan me nog goed een hoofdstuk herinneren dat een diepe indruk op mijn jeugdige geest maakte — het vijfenzestigste hoofdstuk van Jesaja’s profetie.
Ten slotte begon ik, om mijn moeder een plezier te doen, inderdaad samen met haar de bijbelstudievergaderingen bij te wonen, maar mijn zuster en ik speelden het altijd klaar om ook naar de zondagsschool te gaan. Hoe meer wij echter van moeder leerden, des te moeilijker vragen begonnen wij aan onze zondagsschoolonderwijzeres te stellen. Toen wij geen antwoord op onze vragen kregen, verloren wij al gauw alle belangstelling voor de zondagsschool.
EEN CARRIÈRE OPBOUWEN
Toen ik de middelbare school had beëindigd, besloot ik onderwijzeres te worden, en in het najaar van 1915 ging ik naar de State Normal School voor een opleiding die twee jaar zou duren. Op school moest ik invullen welke religie ik was toegedaan, om toestemming te krijgen elke zondag ongechaperonneerd naar een plaats van aanbidding te gaan. Aangezien ik geen bijbelonderzoekers in de buurt kende en nog niet alle banden met de Presbyteriaanse Kerk had verbroken, liet ik mij als een presbyteriaanse inschrijven.
Nu ik helemaal op mijzelf was, begon ik ernstig na te denken — vooral over religie. Heel weinig van mijn medescholieren waren bereid het onderwerp met mij te bespreken. Ik had echter de serie van zes „Schriftstudiën” meegenomen, en nu begon ik ze grondig te lezen, terwijl ik ook bijbleef met het lezen van de bijbel.
Intussen woedde de oorlog in Europa, en overal werd oorlog als iets edels verheerlijkt waarin persoonlijke offers werden gebracht. Op een zondagochtend besloot ik de kerkdienst bij te wonen van de presbyteriaanse kerk vlak bij onze school. Ik verwachtte er geestelijk opgebouwd te worden. In plaats daarvan hoorde ik hoe een predikant in een politieke preek de oorlogsgeest aanwakkerde. Ik walgde ervan en besloot geen voet meer in de kerk te zetten. Mijn liefde voor de bijbel en de daarin opgetekende voortreffelijke beginselen bleef echter onverzwakt voortbestaan.
Ik zal nooit mijn eerste vergadering met de Bijbelonderzoekers vergeten op een adres dat mijn moeder mij had gegeven. Op een zondagochtend vond ik het adres en klom een donkere trap op naar een kamer op de bovenste verdieping. Maar wat was het een vreugde mij bij het groepje oprechte onderzoekers aan te sluiten! Gelukkig was er ook een meisje van mijn leeftijd, met wie ik echt bevriend geraakte.
Toen ik voor de zomervakantie thuiskwam, bemerkte ik dat mijn moeder, mijn zuster en mijn oudste broer allen hun opdracht aan Jehovah God door middel van de waterdoop hadden gesymboliseerd. Ik had ook waardering gekregen voor deze stap van de „wijding”, zoals de opdracht toen werd genoemd, en werd vóór het einde van de vakantie gedoopt.
Toen ik dat najaar weer op school was, hoorde ik dat er in een naburige stad in de loop van vier avonden een vertoning zou worden gegeven van het „Photo-Drama der Schepping”, een prachtige uiteenzetting van de bijbelse geschiedenis door middel van lichtbeelden en film. De meisjes mochten de school ’s avonds echter niet zonder begeleiding en speciale toestemming verlaten. Ik ging met mijn verzoek naar het waarnemend hoofd en toonde haar enkele van de folders waarin het Drama werd aangekondigd. Toen zij zich verwaardigde er een blik in te slaan, zag zij een afbeelding van Adam en Eva in Eden. Zij vond deze obsceen, en toen ik haar probeerde uit te leggen waar het om ging, eindigde zij het gesprek met te zeggen: „Probeer mij niet te vertellen wat de ware religie is!”
Toen dit incident mijn moeder ter ore kwam, schreef zij naar het hoofd van de school, een vriendelijke oude heer, die onmiddellijk bereid was toestemming te geven. Het waarnemend hoofd kon mij alleen nog de waarschuwing geven niet met de andere leerlingen over het Photo-Drama te spreken. Maar wat was ik blij het Drama te zien! Het was alle moeite die het mij had gekost om er te komen, dubbel en dwars waard. Toen ik mij dit incident later te binnen bracht, stuurde ik een exemplaar van het boek De harp Gods, kort nadat dit verkrijgbaar was gesteld, naar het hoofd van de school. Stelt u zich mijn verbazing voor toen ik van hem een dankbetuiging ontving waarin hij me verzekerde dat hij „het boek met belangstelling en veel waardering had gelezen”.
ENKELE LEVENDIGE HERINNERINGEN
Toen het bericht kwam dat de president van het Wachttorengenootschap, Charles T. Russell, was gestorven, behoorde ik tot de grote menigte die de begrafenis bijwoonde. Ik kan mij herinneren dat zich onder de vele schitterende bloemwerken een stuk bevond met de belangrijke tekst: „Wees getrouw tot de dood.” Daarna kwam mijn eerste boottocht naar Boston, om een congres van de Bijbelonderzoekers bij te wonen. Toen hoorden sommigen van ons voor het eerst over een oppositiebeweging die had getracht het Genootschap en zijn Koninkrijkspredikingswerk van binnenuit te ondermijnen.
Toen het herfst werd, moest ik weer voor de klas staan. Ja, want ik was inmiddels onderwijzeres geworden. Maar dat zou slechts van korte duur zijn. De oorlogsgeest had zich van de scholen en colleges meester gemaakt en er werd van het onderwijzend personeel geëist dat zij zich voor 100 procent zouden inzetten om de oorlogsgeest te bevorderen, of anders hun ontslag moesten nemen. De keuze was voor mij duidelijk. Ik nam ontslag. En zo kon men mij na enige tijd weer thuis aantreffen om moeder te helpen en te zamen met andere Bijbelonderzoekers deel te nemen aan enkele bijzonder opwindende acties in verband met de verspreiding van een aantal traktaten.
Ik kan mij ook herinneren hoe verfrissend het in die dagen was wanneer twee of drie gemeenten van Bijbelonderzoekers bijeenkwamen voor een speciaal bezoek door een vertegenwoordiger van het hoofdbureau van het Genootschap in Brooklyn. Wij konden op een overvloedige geestelijke feestmaaltijd rekenen.
Gedurende die spannende dagen van 1918 bereikte ons het nieuws dat er in Pittsburgh, Pennsylvania, een congres van de Bijbelonderzoekers gehouden zou worden. De toenmalige president van het Genootschap, J. F. Rutherford, en zijn collega’s, bevonden zich nog in de gevangenis. Zouden wij dit congres kunnen bijwonen? Mijn broer en ik besloten samen met andere vrienden per speciale trein te reizen. Wat hebben wij genoten! Broeder Rutherford werd ondanks zijn afwezigheid opnieuw tot president gekozen. Er zou een petitie rondgaan waarin om vrijlating werd verzocht van deze hoogstaande, met verantwoordelijkheid beklede christenen — een petitie die uiteindelijk 700.000 handtekeningen telde! En dan was er de vreugde nieuwe vrienden te leren kennen en ervaringen uit te wisselen.
Ik was weer als onderwijzeres werkzaam. Maar wat zag ik altijd verlangend uit naar mijn exemplaren van het nieuwe tijdschrift dat door het Genootschap werd uitgegeven, Het gouden tijdperk (thans Ontwaakt!)! Ik ging altijd met een koetsje naar school en probeerde de nieuwe uitgaven onderweg te lezen. Toen ik later een van de andere onderwijzeressen met mij liet meerijden, gaf ik de leidsels aan haar terwijl ik gedeelten van het tijdschrift aan haar voorlas.
Wegens schoolverplichtingen moest ik in die tijd enkele van de eerste congressen missen, maar toen kwam het goede nieuws dat er in de zomertijd, als ik vrij was, een groot congres gehouden zou worden in Columbus, Ohio. Onnodig te zeggen dat wij er als gezin met de auto naar toe gingen en van het gehele programma hebben genoten. Bij de opening waren 7000 personen aanwezig. Wij vonden dat echter een enorme menigte. Hoe opwindend was het dan ook het aantal aanwezigen elke dag te zien groeien, totdat er op zondag een hoogtepunt van 35.000 werd bereikt!
WAT KAN IK DOEN?
Naarmate de jaren verstreken, groeide mijn verlangen een aandeel aan het getuigeniswerk te hebben, terwijl ik bovendien geen voldoening meer vond in mijn werk als onderwijzeres. Ik begon te beseffen dat Jehovah God zijn volk op aarde gebruikte en hen ertoe bracht zich te organiseren ten einde Hem te dienen. Iedere keer als vertegenwoordigers van het Genootschap ons district bezochten, vroeg ik hun honderd uit over de volle-tijdpredikingsactiviteit. Een van die bezoekers herinnerde mij aan een schriftplaats waarin staat: „Die maait, ontvangt loon.” Ik wilde een maaier worden. — Joh. 4:36, Statenvertaling.
In 1926 gaf het Genootschap een nieuw boek uit, „Bevrijding!” genaamd. Hierin werd duidelijk het onderscheid getoond tussen Jehovah’s organisatie op aarde en Satans organisatie. Ik was er meer dan ooit van overtuigd dat er geen tussenweg was. Ik wilde met de georganiseerde en gezalfde dienstknechten van de Heer op aarde, zijn „getrouwe en beleidvolle slaaf”, dienst verrichten (Matth. 24:45). De boodschap spoorde mij ertoe aan mijn onderwijzersloopbaan vaarwel te zeggen en mij aan te sluiten bij de rijen van de „pioniers” of volle-tijdpredikers. Maar had ik genoeg bijbelkennis? Zou ik het financieel kunnen bolwerken? Wat zou er gebeuren als ik het niet zou kunnen volhouden? Zou ik dan weer een baan kunnen krijgen?
Welnu, ik nam mijn besluit, hoewel dit niet zo gemakkelijk was voor een meisje. Toch zal ik nooit onder woorden kunnen brengen welke vrijheid ik nu voelde — de bevrijding van wereldse druk. Ik voelde me alsof er een gewicht van mijn schouders was weggenomen. Met flinke voorraden van het nieuwe boek Bevrijding! bij ons konden mijn partner en ik nu in ons eerste toegewezen gebied, een mijnstreek in Pennsylvania, met onze dienst beginnen. Mijn partner had reeds enige ervaring, zodat ik veel van haar kon leren. Elke dag noteerden wij bestellingen voor de bijbelse publikaties die wij bij ons hadden en vervolgens gingen wij op een vastgestelde dag onze adressen af om de bestelde lectuur rond te brengen. Het schonk beslist veel voldoening om met sommige mensen bijbelse vragen te kunnen bespreken.
De winters waren echter erg koud. Wij moesten ons warm kleden om in de dienst te kunnen blijven, maar desondanks ging het met mijn gezondheid steeds slechter. Ten slotte besloot ik naar huis terug te gaan om te proberen weer wat op krachten te komen. Het duurde enkele weken voordat ik weer wat was opgeknapt, en ondertussen beloofde het voorjaar te worden. Ik was net helemaal gereed om weer met mijn partner naar ons gebied terug te gaan, toen er een telefoontje kwam van het hoofdbureau van het Genootschap in Brooklyn: „Zou je de Betheldienst (Bethel duidt het huis aan waar het personeel van het hoofdbureau woont en werkt) willen overwegen?” Natuurlijk wilde ik dat graag, vooral aangezien twee van mijn broers en een neef daar reeds werkten. Ik stemde erin toe naar Brooklyn te komen voor een onderhoud.
ZEGENINGEN OP BETHEL
„Je ziet er wel wat zwakjes uit”, was de eerste opmerking van de president van het Genootschap broeder Rutherford. Maar toen ik hem uitlegde dat ik pas ziek was geweest, vroeg hij: „Wil je hier blijven en onmiddellijk aan het werk gaan?” Natuurlijk wilde ik dat, hoewel ik voor het onderhoud alleen maar een weekendtas had meegenomen. En ik ging inderdaad aan de slag, hetgeen gedurende de eerste paar weken betekende dat ik huishoudelijk werk verrichtte in het nieuwe Bethelhuis en in het aangrenzende gebouw dat tijdens de bouwwerkzaamheden in gebruik was.
Op zekere dag sprak broeder Rutherford mij aan over mijn werk en vroeg mij of ik zou willen proberen in het kantoor van de drukkerij proeven te lezen. Welnu, ik probeer het nog steeds. Woorden zijn niet toereikend om de voldoening en vreugde tot uitdrukking te brengen die ik de vele jaren sindsdien heb gesmaakt. Een opmerking van een van de oudere broeders heeft mij in het bijzonder geholpen in te zien welk een voorrecht ik had om zo nauw met de „getrouwe en beleidvolle slaaf” samen te werken. Hij zei: „Jij geniet een van de grootste voorrechten die een vrouw op aarde maar kan hebben.” En daar ben ik het beslist mee eens.
Een tijdlang waren wij van onze familie met z’n vieren hier op Bethel, want ook mijn zuster Harriet werd één jaar nadat ik kwam, voor dienst op het hoofdbureau aangenomen. Na een korte ziekte voltooide zij in 1951 echter haar aardse loopbaan. Het bleek veel voordeel voor mij af te werpen dat ik druk bezig bleef in het werk van de Heer, want verdriet en moeilijkheden werden op de achtergrond gedrongen, terwijl de vrede des geestes die uit een gewetensvolle dienst voortspruit, elke kommervolle gedachte verzachtte.
De vreugde van de dienst hier op Bethel heeft mijn verwachtingen verre overtroffen. En er waren nog vele extra zegeningen, zoals het bezoeken van congressen. In de loop der jaren heb ik in heel wat Amerikaanse staten grote vergaderingen bijgewoond, terwijl ik ook twee congresreizen naar Europa heb mogen maken. En vakanties? Ja, hierin is ook voorzien, terwijl ze door liefdevolle en edelmoedige vrienden vaak bijzonder verfrissend en opbouwend werden gemaakt.
ENKELE MIJLPALEN
Ik kan me nog goed herinneren hoe ik in 1931, tijdens het congres in Columbus, Ohio, op de bovenste rij zat toen de nieuwe naam, Jehovah’s getuigen, vanaf het podium werd bekendgemaakt. Ik hoor nog het geweldige applaus dat uit de grote menigte opsteeg. Nog iets wat ik me uit het begin van de jaren dertig kan herinneren, is dat ik door politieagenten werd opgebracht toen ik in Floral Park, in de staat New York, van huis tot huis getuigenis gaf. De commissaris wees de aanklacht echter af en ik werd weer naar dezelfde straat teruggebracht, waar ik als gevolg van de publiciteit nog meer lectuur verspreidde.
Toen kwam de tijd dat wij in onze van-huis-tot-huisbediening voornamelijk de grammofoon gebruikten, waarbij wij platen waarop broeder Rutherford sprak, voor ons lieten spreken en onze boodschap daardoor lieten inleiden. Nog een ander kenmerk van onze dienst in die tijd was, met grote borden op onze rug en borst langs Broadway, in de stad New York, heen en weer te lopen en een spandoek te dragen waarop stond: „Religie is een valstrik en zwendelarij.” Voorbijgangers staarden ons aan alsof wij van een andere planeet kwamen, maar in ieder geval werd hierdoor de aandacht gevestigd op onze belangrijke boodschap.
Elk congres had bovendien zijn onvergetelijke hoogtepunt. In Washington, in 1935, was dit de vreugde een „grote schare” te zien opstaan nadat zij als de aardse klasse van Jezus’ volgelingen waren geïdentificeerd. In 1941 zagen wij in St. Louis, Missouri, 15.000 jeugdige Getuigen opstaan en voorbijlopen om hun gratis exemplaar van het zojuist verkrijgbaar gestelde boek Kinderen in ontvangst te nemen. In de stad New York luisterden in 1942 velen naar de openbare lezing die de nieuwe president van het Genootschap, N. H. Knorr, in Cleveland uitsprak, terwijl eenenvijftig andere congressteden in de Verenigde Staten en nog diverse plaatsen meer in allerlei delen van de wereld door middel van telefoonverbindingen met Cleveland verbonden waren. En in datzelfde jaar brachten verschillenden van ons hun vakantie door op de Koninkrijksboerderij bij Ithaca, waar wij de prachtig uitgeruste gebouwen zagen die daar pas waren gebouwd. Wij wisten toen nog niet dat op deze plaats en in deze gebouwen een speciale school, de Wachttoren-Bijbelschool Gilead, zou komen. De Heer schonk zijn „getrouwe en beleidvolle slaaf” beslist voorspoed!
Het was in 1950 ook geweldig de drommen geestelijke broeders en zusters en geïnteresseerde personen te zien die tijdens het congres in het Yankee Stadion het Bethelhuis en de drukkerij bezichtigden. Zij uitten heel wat aanmoedigende woorden toen zij in dikke rijen door de gebouwen liepen en vol verbazing de reinheid en orde opmerkten die overal heersten.
In die tijd heb ik vooral waardering gehad voor het speciale voorrecht een aandeel te hebben aan het lezen van de proeven van de volledige Nieuwe-Wereldvertaling van de Heilige Schrift (in het Engels), een instrument dat door Getuigen in de gehele wereld met groot enthousiasme werd ontvangen. Ook was het vanaf 1958 fascinerend hier in Brooklyn het nieuwe bouwproject te zien, toen het nieuwe Bethelhuis aan Columbia Heights 107 werd opgetrokken. In 1960 zijn velen van ons naar het nieuwe gebouw verhuisd.
In 1961 was het geweldig aanwezig te zijn toen de 36ste klas van de Gileadschool in de klaslokalen van ons nieuwe gebouw werd ondergebracht en de tien-maandencursus begon. En sindsdien hebben wij vele graduaties bijgewoond en zijn wij er getuige van geweest dat vele sterke jonge mannen en vrouwen, na de voltooiing van hun opleiding hier, als zendelingen naar verre toewijzingen zijn vertrokken.
Van tijd tot tijd heeft ons fysieke lichaam rust nodig ten einde te herstellen en in staat gesteld te worden doeltreffend te blijven functioneren, en dat overkwam mij in 1962. Ten gevolge van een noodzakelijke operatie kwam ik tijdelijk op non-actief te staan, een hele beproeving als men graag het werk wil doen waarvan men houdt. Maar de liefdevolle zorg en aanmoediging van de zijde van mede-Getuigen beurden mij op, terwijl vooral de verzekering van de zorg van de Heer, zoals in Psalm 23:4 tot uitdrukking wordt gebracht, mij vertroosting heeft geschonken.
Ik zou nog veel meer vreugdevolle ervaringen kunnen vertellen. De tijd en de ruimte ontbreken mij echter. Afgezien van onze taken hier op Bethel gebruiken wij ook avonden en weekends om deel te nemen aan het predikingswerk van huis tot huis. Ik heb de vreugde gesmaakt sommigen bij wie ik een bijbelstudie heb kunnen oprichten, zelf verkondigers te zien worden, in één geval zelfs tot in het derde geslacht. Welke grotere vreugde zou men kunnen hebben? Hoewel ik niet jonger word in jaren, hoop ik, door Jehovah’s onverdiende goedheid, nog meer tijd te mogen gebruiken om mijn waardering te tonen voor de dienst van de „getrouwe en beleidvolle slaaf”.