Denk niet meer van uzelf dan nodig is
„TOT een ieder onder u [zeg ik], niet meer van zichzelf te denken dan nodig is, maar met een gezond verstand te denken.” — Rom. 12:3.
Door het hele Woord van God heen wordt de christen ertoe aangemaand een evenwichtige kijk op zichzelf te verwerven en te behouden. Hoewel het voor een christen noodzakelijk is voldoende aan zichzelf te denken om zijn geest en lichaam te verzorgen en deze op de juiste wijze te gebruiken, is het voor hem bijzonder belangrijk niet te ver te gaan. Hij moet niet meer van zichzelf denken dan nodig is.
Als iemand te veel van zichzelf denkt, loopt hij het gevaar verwaand, trots en liefdeloos te worden. Hij zal te veel belangstelling hebben voor zijn eigen verlangens en zich niet genoeg om anderen bekommeren. Hij zal het dan moeilijk vinden het goddelijke gebod te gehoorzamen, „Jehovah, uw God, . . . met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand” lief te hebben en „uw naaste [lief te hebben] als uzelf”. — Matth. 22:37-39.
JUISTE HOEDANIGHEDEN AANKWEKEN
Tot de vele hoedanigheden die een christen helpen niet meer van zichzelf te denken dan noodzakelijk is, behoren onderdanigheid en nederigheid. De onderdanige christen leert altijd uit Gods Woord en brengt datgene wat hij leert op zijn leven van toepassing. Hij verlangt ernaar Gods wil te doen zoals deze op progressieve wijze via Jehovah’s zichtbare organisatie wordt geopenbaard.
Ten einde aan Jehovah en zijn regelingen onderdanig te zijn, is het nodig dat de christen nederig is. Nederigheid is het tegengestelde van trots. Een nederig persoon heeft geen overdreven dunk van zichzelf. Hij is in zijn manier van doen of in zijn gedachten niet overdreven zelfbewust. Hij is bescheiden, gematigd, veroorlooft zich niet te veel, is niet ijdel of verwaand. Hij is vriendelijk, zachtaardig.
De persoon die dus ten aanzien van zichzelf het juiste standpunt, namelijk Gods standpunt, inneemt, zal nederigheid aankweken, want dat is de hoedanigheid die onderdanigheid aan Jehovah en zijn regelingen tot een genoegen maakt. Iemand die trots en arrogant is wil zich niet aan Jehovah’s rechtvaardige vereisten onderwerpen. Maar „iedere hooghartige is den HERE een gruwel”. — Spr. 16:5.
Daar nederigheid en onderdanigheid hand in hand gaan met de evenwichtige kijk van iemand die niet meer van zichzelf denkt dan nodig is, zijn het hoedanigheden om ijverig na te streven en te verbeteren. En welke tijd is er beter geschikt voor, er een begin mee te maken deze eigenschappen te verwerven, dan in de jeugd?
CHRISTELIJKE JONGEREN WORDT GELEERD HUN PLAATS TE WETEN
Christelijke ouders hebben een prachtige gelegenheid wat dit betreft de geest van hun kinderen in de juiste vorm te kneden. Als zij hun kinderen leren niet meer van zichzelf te denken dan nodig is, zullen die jongelui waarschijnlijk opgroeien tot rijpe christelijke volwassenen die een evenwichtige kijk op zichzelf hebben. De bijbel zegt: „Oefen den knaap volgens den eis van zijn weg, ook wanneer hij oud geworden is, zal hij daarvan niet afwijken” (Spr. 22:6). Omdat „dwaasheid vastgehecht [is] in het hart van een knaap”, zal kinderen geleerd moeten worden hoe zij niet meer van zichzelf zullen denken dan nodig is. Wanneer zij dit leren, kunnen zij ertoe worden aangemoedigd dit in hun dagelijkse leven toe te passen. — Spr. 22:15.
Jongeren die in Gods voornemens onderwezen zijn, hebben soms op school de gelegenheid gehad het bijbelse standpunt betreffende bepaalde zaken tot uitdrukking te brengen. Deze christelijke kinderen bezitten Gods waarheden. Het gevolg van hun bijbelse opleiding is, dat zij op velerlei gebied goed van kwaad weten te onderscheiden. Zij kunnen bepaalde onjuiste geloofsovertuigingen van anderen, waaronder studenten en zelfs onderwijzers en leraren, corrigeren. Er dient hun evenwel geleerd te worden zich altijd met veel achting te uiten. Jehovah’s Woord geeft de raad: „Heiligt de Christus als Heer in uw hart, altijd gereed u te verdedigen voor een ieder die van u een reden eist voor de hoop die in u is, maar doet dit met zachtaardigheid en diepe achting.” — 1 Petr. 3:15.
Als de jonge christen op deze wijze antwoord geeft, zullen anderen bemerken dat toegenomen kennis hem niet trots of arrogant gemaakt heeft, zoals dat vaak het geval is met hen die niet door goddelijke beginselen in toom gehouden worden. Personen met een eerlijk hart, zowel jong als oud, die het nederige, oprechte, eerbiedige en beleefde optreden van de jonge christen gadeslaan, komen onder de indruk van deze hoedanigheden en bezien zijn christelijk geloof dan wellicht gunstiger.
Af en toe wordt een jongere wellicht door slechts één van zijn ouders in Gods Woord onderwezen, omdat de ander geen opgedragen christen is. Deze jonge persoon dient dan geleerd te worden niet oneerbiedig te worden ten aanzien van de ongelovige ouder. Hoe zou een vader de bijbel beschouwen, als hij zijn kinderen er met moeder uit zag studeren en toch bemerkte dat zij vijandig jegens hem werden? Neen, de jonge christen dient wat de eerbied voor zij ouders betreft te groeien, zelfs wanneer zij niet hetzelfde geloven als hij. Gods Woord zegt: „Gij kinderen, weest uw ouders gehoorzaam in alles, want dit is de Heer welgevallig” (Kol. 3:20). Wanneer een ongelovige ouder met eerbied behandeld wordt, brengt dit hem er wellicht toe het geloof van het kind, waarin hij een verandering ten goede opmerkt, te onderzoeken.
OUDEREN VERWERVEN EEN NIEUWE PERSOONLIJKHEID
Ook oudere personen dienen te beseffen dat de waarheden uit Gods Woord niet door de Schepper met milde hand uitgedeeld worden om mensen trots te maken of hen boven hun medemensen te verheffen. Het tegengestelde dient hierdoor juist tot stand gebracht te worden. Men dient hier juist nederig, eerbiedig, onderdanig en liefdevol door te worden. Het is voor alle christenen, ongeacht leeftijd, waar dat zij niet meer van zichzelf dienen te denken dan nodig is, want als Gods geest in hun leven werkzaam is, zal deze geest de vruchten „liefde, . . . lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, . . . zachtaardigheid, zelfbeheersing” voortbrengen. — Gal. 5:22, 23.
Door deze vruchten zal de persoonlijkheid geleidelijk een verandering ten goede ondergaan. Daarom kon de apostel Paulus vol overtuiging adviseren: „Legt de oude persoonlijkheid met haar praktijken af en bekleedt u met de nieuwe persoonlijkheid, die door middel van nauwkeurige kennis wordt vernieuwd naar het beeld van Degene die ze schiep. . . . Bekleedt u dan . . . met de tedere genegenheden van mededogen, goedheid, ootmoedigheid van geest, zachtaardigheid en lankmoedigheid. . . . Bekleedt u bij al deze dingen echter met liefde, want ze is een volmaakte band van eenheid.” — Kol. 3:9-14.
Christenen die eraan werken een dergelijke nieuwe, goddelijke persoonlijkheid te ontwikkelen, zullen niet op hun medemens neerzien. Zelfs tegenover degenen die hen tegenstaan omdat zij Jehovah’s naam dragen, zullen zij niet onbeleefd of beledigend zijn. Zij streven veeleer „altijd na wat goed is, jegens elkaar en jegens alle anderen” (1 Thess. 5:14, 15). Zij zullen er altijd zorgvuldig voor waken zich niet ten koste van anderen omhoog te werken, of dat nu is door met hen te wedijveren of door hen in de ogen van anderen neer te halen. Ook zullen zij niet naar onderscheidingen of eer streven. In plaats daarvan zullen zij nederig uitzien naar manieren waarop zij anderen kunnen opbouwen. „Een ieder blijve niet zijn eigen voordeel zoeken, maar dat van de ander.” — 1 Kor. 10:24.
VERMIJD HET TROTS TE ZIJN OP RIJKDOM
Sommige christenen hebben meer materiële goederen van deze wereld dan andere christenen. Dient dit hen ertoe te brengen te denken dat zij beter zijn dan hun christelijke broeders die veel minder hebben?
De welgestelde christen dient te beseffen dat zijn overvloed van materiële bezittingen geen rechtstreekse gave van Jehovah is. Als het een beloning voor getrouwheid was, dan zou er nergens in de wereld een christen zijn die weinig wereldse goederen bezat. Maar zij die er de meeste tijd aan besteden eerst Jehovah’s Koninkrijksbelangen te zoeken, zijn gewoonlijk degenen die precies genoeg aardse goederen bezitten om in hun dagelijks onderhoud te voorzien. — Matth. 6:9, 10.
Paulus toonde aan hoe materiële bezittingen beschouwd dienen te worden, toen hij zei: „Broeders: de overgebleven tijd is kort geworden. Laten voortaan zij die . . . kopen, [zijn] als zij die niet bezitten, en zij die van de wereld gebruik maken, als zij die er niet ten volle gebruik van maken; want het toneel van deze wereld is bezig te veranderen” (1 Kor. 7:29-31). Het is verstandig niet te veel waarde te hechten aan materiële rijkdom, want men weet niet of men het morgen nog zal bezitten. En in Armageddon zullen alle financiële stelsels van deze wereld verdwijnen (Zef. 1:18). In Jehovah’s nieuwe samenstel zal het gebruik van de hulpbronnen van deze aarde door Gods hemelse koninkrijk geleid worden. Door middel hiervan zal Jehovah de materiële rijkdom tot welzijn van allen en niet van slechts enkelen, verdelen zoals het hem behaagt. Paulus geeft daarom de raad: „Beveel hun die rijk zijn in het tegenwoordige samenstel van dingen, niet hooghartig te zijn en hun hoop niet op onzekere rijkdom te vestigen, maar op God, . . . vrijgevig te zijn, mededeelzaam.” — 1 Tim. 6:17, 18.
Hoewel rijkdom dus thans op juiste wijze gebruikt kan worden om de Koninkrijksbelangen te bevorderen, kan het ook iets zijn dat verdeeldheid veroorzaakt. Maar wanneer iemand die wat meer bezit hieromtrent het juiste standpunt inneemt, zal hij erkennen dat hij niet beter is dan zijn christelijke broeders die minder hebben, en dat, „ook al heeft iemand overvloed, zijn leven . . . niet [voortspruit] uit de dingen die hij bezit”. — Luk. 12:15.
DIENAREN IN DE BEDIENING
In elk van de meer dan 25.000 gemeenten van Jehovah’s getuigen over de hele aarde zijn er mannen die geestelijke hoedanigheden bezitten en die tot posities van verantwoordelijkheid zijn aangesteld. Zij zijn dienaren in de bediening (1 Tim. 3:8-10, 12, 13). Deze christenen moeten er zich te allen tijde van bewust zijn dat zij niet meer van zichzelf dienen te denken dan nodig is, daar hun gedrag op veel anderen van invloed kan zijn.
Iemand kan door zijn achtergrond, opleiding of opvoeding soms snelle vorderingen maken en daardoor eerder als dienaar aangesteld worden dan iemand anders die meer tijd nodig heeft om tot geestelijke rijpheid te groeien. De dienaar in de bediening dient nooit te denken dat hij beter is dan de nederige, wat langzamere persoon die misschien minder onderwijs heeft gehad. Nauwkeurige kennis is noodzakelijk, maar als ze iemand niet aandrijft tot een juist gedrag ten aanzien van zijn christelijke broeders, heeft ze geen nut. „Kennis blaast op, maar liefde bouwt op. Indien iemand denkt dat hij kennis omtrent iets heeft verworven, kent hij het nog niet zoals hij het behoort te kennen. Maar indien iemand God liefheeft, die wordt door hem gekend.” — 1 Kor. 8:1-3.
Indien u iemand bent die als een dienaar in de bediening de leiding neemt, dan dient u werkelijk ’de anderen superieur aan uzelf te achten’ (Fil. 2:3). Jezus heeft gezegd: „Gij weet dat de regeerders der natiën over hen heersen en de groten autoriteit over hen oefenen. Zo is het onder u niet; maar wie onder u groot wil worden, moet uw dienaar zijn” (Matth. 20:25-27). Dienaren in de bediening dienen er daarom een voorbeeld in te zijn zich te omgorden „met ootmoedigheid des geestes jegens elkaar, want God weerstaat de hoogmoedigen, maar hij geeft onverdiende goedheid aan de nederigen”. — 1 Petr. 5:5.
Als u een dienaar in de bediening bent, en wel in het bijzonder een die over goede bekwaamheden en ontwikkeling beschikt, dan hebt u een prachtige gelegenheid anderen te helpen hun kennis van God te vermeerderen. Dit gaat ook op met betrekking tot degenen die buiten de organisatie zijn, daar u uw bekwaamheden kunt gebruiken om de levenreddende boodschap van Gods Woord aan anderen te brengen. Maar u dient nooit toe te laten dat uw kennis en uw bekwaamheid er de oorzaak van zijn dat u op ongelovigen neerkijkt of er vlug mee bent hen te veroordelen. Heb veeleer hetzelfde gevoel dat Jezus voor het gewone volk had: „Bij het zien van de scharen had hij medelijden met hen, omdat zij gestroopt en heen en weer gedreven waren als schapen zonder herder” (Matth. 9:36). Dit is ook de houding van Jehovah’s nederige dienaren in de bediening van thans.
OPZIENERS NEMEN DE LEIDING
Degenen op wie de grootste verantwoording rust, niet meer van zichzelf te denken dan nodig is, zijn de opzieners in Jehovah’s zichtbare organisatie. Of zij nu opzieners zijn in een plaatselijke gemeente, of kring- of districtsopzieners, of welke hoedanigheid van opzicht zij ook in Jehovah’s organisatie bekleden, zij dienen het voorbeeld te stellen door niet meer van zichzelf te denken dan nodig is.
De opziener treedt op als herder. Maar de kudde waar hij herder over is, is niet zijn eigendom. Ze is van God (1 Petr. 5:2). God heeft er een prijs voor betaald, niet de opziener. Ze is „de gemeente Gods, . . . welke hij met het bloed van zijn eigen Zoon heeft gekocht” (Hand. 20:28). De kudde behoort Jehovah dus toe, ze is door het bloed van zijn eigen Zoon gekocht, en alleen het beheer ervan is aan onderherders, aan opzieners toevertrouwd.
Jezus heeft voor deze opzieners het volgende beginsel vastgelegd: „De grootste onder u moet . . . uw dienaar zijn.” „Wie onder u de eerste wil zijn, moet uw slaaf zijn” (Matth. 23:11; 20:27). Jehovah eist dus van hen als opzieners dat zij de eersten zijn in het dienen, of bedienen, van hun christelijke broeders. Hiervoor is grote nederigheid vereist, want het is in dit samenstel van dingen niet gebruikelijk dat men grote autoriteit laat samengaan met grote dienstbaarheid. Maar nederige christelijke opzieners, die geoefend zijn in de wijsheid welke van Jehovah komt, doen dit wel. Zij zijn niet als de mensen uit de wereld die macht uitoefenen en degenen die onder hen staan in een hoekje drukken. Zij zoeken geen eer van anderen noch trachten zij over anderen te heersen zoals de geestelijken doen.
Nederigheid van geest stelt de opziener meer dan ieder ander in staat om ’de anderen superieur aan hemzelf’ te beschouwen (Fil. 2:3). Hij probeert ook datgene te doen wat Paulus in Romeinen 12:10 zegt: „Hebt in broederlijke liefde tedere genegenheid voor elkaar. Neemt de leiding in het betonen van eer aan elkaar.” Daar de opziener de leiding neemt in de gemeente, moet hij ook de leiding nemen in het betonen van eer van degenen die hij weidt, en hen als superieur aan hemzelf beschouwen. Doordat hij hierin de leiding neemt, wordt er een geest van broederlijke liefde opgebouwd. Allen zullen dan de werkelijkheid van Jezus’ woorden gedemonstreerd zien en tot leven zien komen: „Gij [zijt] allen broeders” (Matth. 23:8). Een jongeman die een christelijke opziener was, ontving van de apostel Paulus op passende wijze de vermaning: „Kritiseer een oudere man niet streng. Integendeel, spreek hem met aandrang toe als een vader, jongere mannen als broeders, oudere vrouwen als moeders, jongere vrouwen als zusters met alle eerbaarheid. Eer weduwen die werkelijk weduwen zijn.” — 1 Tim. 5:1-3.
Wanneer opzieners hun christelijke broeders weiden en hen dienen en eren, volgen zij de Meester, Jezus, die gezegd heeft: „Indien ik . . ., de Heer en Leraar, uw voeten heb gewassen, dan behoort ook gij de voeten van elkaar te wassen. Want ik heb u het voorbeeld gesteld, opdat ook gij zoudt doen zoals ik u heb gedaan” (Joh. 13:14, 15). Hoewel het gebruik van voetwassing niet meer bestaat, is het even belangrijk als vroeger, anderen te dienen, hun zonder partijdigheid eer te betonen, en hen als superieur te beschouwen.
HOUDING TEGENOVER DIENAREN
Wat dient de houding van allen in de gemeente ten opzichte van opzieners en dienaren in de bediening te zijn? Gods Woord zegt: „Weest gehoorzaam aan hen die onder u de leiding nemen en weest onderdanig, want zij waken over uw ziel als mensen die rekenschap zullen afleggen, opdat zij dit met vreugde en niet met zuchten mogen doen.” — Hebr. 13:17.
Het vraagt veel moeizame arbeid en heel veel tijd om de leiding te nemen in de gemeente, waarbij toewijzingen behartigd en problemen opgelost moeten worden. Als sommigen niet meewerken maar tegengesteld aan bijbelse beginselen handelen, kan het gebeuren dat dienaren wat van hun vreugde beginnen te verliezen, want het is geen genoegen met personen te maken te hebben die Jehovah’s wetten schenden. Maar door met elkaar samen te werken, waarbij een ieder zijn aandeel behartigt, kunnen dienaren hun werk met vreugde volbrengen.
Soms maken dienaren fouten, daar zij net zo onvolmaakt zijn als ieder ander. Zij dienen daarom niet te denken dat zij nooit gecorrigeerd behoeven te worden, of dat zij niet naar suggesties voor verbetering behoeven te luisteren. Zij dienen niet het idee te hebben dat alleen wat zij aan anderen voorstellen raad is maar dat hetgeen anderen hún voorstellen kritiek is. Er is een enorm verschil tussen opbouwende suggesties en ongegronde kritiek of chronisch klagen.
Ondanks hun eigen onvolmaaktheid werken dienaren toch hard aan het nakomen van hun verantwoordelijkheden. Hierbij is standvastigheid voor wat juist is inbegrepen. Vooral opzieners moeten soms ’de wanordelijken terechtwijzen’. Wellicht is het zelfs nodig hen „streng terecht [te] wijzen, opdat zij gezond mogen zijn in het geloof”. En soms kan het zelfs nodig zijn „personen die zonde beoefenen, voor alle aanwezigen terecht [te wijzen], opdat ook de overigen vrees mogen hebben”. Hoewel opzieners en dienaren in de bediening dus niet meer van zichzelf moeten denken dan nodig is, moeten zij tot opbouw van de gemeente, en ten einde deze moreel zuiver te houden, raad, terechtwijzing en streng onderricht geven. — 1 Thess. 5:14; Tit. 1:13; 1 Tim. 5:20.
Jehovah erkent en zegent het harde werk van zijn dienaren. Daarom zei de apostel Paulus: „Nu verzoeken wij u, broeders, achting te hebben voor hen die onder u hard werken en de leiding over u hebben in de Heer en u terechtwijzen, en hun om hun werk meer dan buitengewone achting in liefde te betonen.” — 1 Thess. 5:12, 13.
Wat een fijne geest heerst er wanneer dienaren in de bediening en opzieners de leiding nemen in hard werken en het geven van eer, en wanneer zij als voorbeelden voor de kudde degenen die aan hun zorgen zijn toevertrouwd als superieur beschouwen, en de broeders, op hun beurt, dit beantwoorden door hun buitengewone achting in liefde te betonen! Wat een genot, verbonden te zijn met een hele gemeenschap van personen die trachten te leven in overeenstemming met de raad niet meer van zichzelf te denken dan nodig is, maar onzelfzuchtig voor het gemeenschappelijke welzijn en de opbouw van allen te werken! Hoe prachtig zijn Jehovah’s wegen! — Ps. 107:8.