Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w67 1/11 blz. 645-648
  • Het ware christendom spoort aan tot onzelfzuchtigheid

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Het ware christendom spoort aan tot onzelfzuchtigheid
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1967
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • HET VOORBEELD VAN DE APOSTELEN
  • JEHOVAH GOD EN JEZUS CHRISTUS ONZELFZUCHTIG
  • HOE IS HET THANS?
  • De vreugde die het schenkt onzelfzuchtig te zijn
    Ontwaakt! 1973
  • Wat heeft de christenheid voor u gedaan?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1966
  • Christendom — Was Jezus de weg tot God?
    De mens op zoek naar God
  • Vrede kan uw deel zijn
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1977
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1967
w67 1/11 blz. 645-648

Het ware christendom spoort aan tot onzelfzuchtigheid

Hoe heeft het dit in het verleden gedaan? Welk bewijs is er dat het dit thans doet?

ZIJ WAS een jonge Portoricaanse, moeder van twee kleine kinderen en haar man was de dorpskapper. Zij was ook een oprecht godsdienstig mens, zozeer zelfs dat zij gewoon ziek werd van het gepieker over de folteringen van het vagevuur en de hel. De hele dag omklemde zij een crucifix. De dokters konden niets voor haar doen, haar priesters gaven haar pillen maar ze hielpen niet. Wat gaf deze jonge moeder ten slotte verlichting? Het feit dat zij te weten kwam dat ’God liefde is’, dat ’het loon dat de zonde betaalt de dood is’ en dat het ware christendom maakt dat men zich om anderen bekommert en niet alleen om zichzelf. — 1 Joh. 4:8; Rom. 6:23.

Dat iemand die oprecht godsdienstig is zich in een dergelijke gemoedstoestand bevindt, is helemaal niet te verwonderen. Klaarblijkelijk was de hele inhoud van haar religieuze leer, zich met zichzelf bezig te houden en een dergelijke bezorgdheid kan licht tot uitersten gaan, zoals men in het geval van asceten en mystici kan zien. In voorbije tijden hebben zeer vrome personen in hun bezorgdheid over de redding van hun eigen ziel zich letterlijk gepijnigd, zoals Martin Luther als priester en monnik deed.

Deze egocentrische zienswijze betreffende religie brengt evenwel vaak een heel ander soort van vruchten voort. Een toepasselijk geval is dat van de priesters die gedurende de Tweede Wereldoorlog de nazi’s beledigden en in het concentratiekamp Dachau werden geïnterneerd. Over hen vertelt N.E. Gun in zijn boek The Day of the Americans (1966). Hijzelf was en is een vroom katholiek, die als correspondent van een neutraal land wegens zijn eerlijke berichten uit Berlijn tijdens de laatste wereldoorlog niettemin door de nazi’s gevangen werd gezet en in Dachau belandde.

In zijn boek heeft hij over deze priesters die stellig enkele geprononceerde denkbeelden gehad moeten hebben, want anders hadden de nazi’s hen niet in dit kamp opgesloten — het volgende te zeggen: „De mis werd in de kapel van Blok 26, het priestersblok, gelezen. Alleen enkele uitverkorenen mochten in deze kapel komen . . . Dit Blok 26 was aanvankelijk, als een soort van concessie aan het Vaticaan, voor alle katholieke priesters toegankelijk geweest. De toestanden waren er beter dan elders in het kamp en men kreeg veel pakjes van buiten.” Deze kapel werd later echter voor alle niet-Duitse priesters verboden, net zoals ze voor alle andere geïnterneerden van het kamp was geweest, ook al waren zij wellicht rooms-katholiek. „Een Beierse priester stond buiten op wacht met een ploertendoder in de hand, en wee degene die hem probeerde te passeren” om door de religieuze diensten binnen te worden gesticht.

De heer Gun citeert vervolgens iemand die als vroom toplid van de Franse katholieke partij eveneens in het kamp Dachau zat en zei: „Wij werden uit de kapel gegooid, en kregen soms nog stompen op de koop toe . . .a Het Blok was natuurlijk vol pakjes . . . Waartoe zou het niet hebben geleid als alle uitgehongerde mensen in het kamp zich plotseling overmand hadden gevoeld door vroomheid en daardoor op de levensmiddelenvoorraden in de kastjes van de priesters waren gestuit?” Als die priesters hun leerstelling wat betreft de realiteit van de kwellingen van het vagevuur en de hel au sérieux hadden genomen, zouden zij de lekenleden van hun geloof dan de voordelen van hun religie hebben ontzegd? Zij bekommerden zich klaarblijkelijk meer om hun eigen lichamelijke behoeften dan om de geestelijke behoeften van hun medekatholieken.

Ja, al lijkt het misschien tegenstrijdig, de jonge Portoricaanse moeder mankeerde hetzelfde als deze Duitse priesters in het concentratiekamp Dachau. Wat dan wel? In beide gevallen bestond de misvatting dat het christendom een zelfzuchtige aangelegenheid is, dat men een goed christen kan zijn en zich toch hoofdzakelijk om zichzelf kan bekommeren. Dit is echter niet zo. Integendeel, een van de kenmerken van het ware christendom, waardoor het zich van elke namaak onderscheidt, is dat het in staat is de aanbidders tot onzelfzuchtigheid te bewegen.

HET VOORBEELD VAN DE APOSTELEN

Niet dat een christen zich niet om zijn eigen geestelijke behoeften, zijn eigen redding, moet bekommeren. Dat moet hij wel degelijk doen. Hij is hiertoe verplicht en wordt ertoe aangemoedigd (Matth. 5:3). Daarom lezen wij dat wij, ten einde God te behagen, niet alleen moeten „geloven dat hij bestaat”, maar ook „dat hij de beloner wordt van wie hem ernstig zoeken” (Hebr. 11:6). Het christendom eindigt hiermee echter niet. Het is slechts het begin. Het bewijs hiervan wordt in het allereerste begin van het christendom geleverd. Waarom nodigde Jezus Christus Petrus en Andréas, Jakobus en Johannes uit, hun vissersbedrijf in de steek te laten en hem te volgen? Louter opdat zij gered zouden worden? Neen, maar opdat zij vissers van mensen zouden worden, zodat zij anderen redding zouden doen toekomen. — Matth. 4:19-22.

Laten wij vooral eens zien hoe het gesteld was met de apostel Paulus, over wie de Schrift meer heeft te zeggen dan over één van Jezus’ andere volgelingen. Als een onderlegd Farizeeër stond hij in hoog aanzien en had hij een veelbelovende toekomst voor zich. Toen hij echter een christen werd, keerde hij alle voordelen en vooruitzichten die hij als Farizeeër had, de rug toe en wijdde zijn leven aan de taak anderen het christendom te brengen, waarbij hij geheel onzelfzuchtig hun belangen vóór die van zich zelf liet gaan, zoals hij ons met de volgende woorden meedeelt: „Want hoewel ik vrij ben van allen, heb ik mijzelf tot slaaf van allen gemaakt, om de meeste personen te winnen. En zo ben ik voor de joden geworden als een jood, om joden te winnen . . . Voor hen die zonder wet zijn, ben ik geworden als zonder wet, . . . om hen die zonder wet zijn, te winnen. Voor de zwakken ben ik zwak geworden, om de zwakken te winnen. Ik ben alle dingen voor alle soorten van mensen geworden, om er toch maar enkelen te redden. Maar ik doe alle dingen ter wille van het goede nieuws, om er met anderen deel aan te mogen verkrijgen.” — 1 Kor. 9:19-23.

En wat bracht het met zich dat hij de belangen van anderen vóór zijn eigen belangen liet gaan? Zelf vertelt hij ons hierover: „Van de joden heb ik vijfmaal veertig slagen min één ontvangen, driemaal werd ik met roeden geslagen, eenmaal werd ik gestenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een nacht en een dag heb ik op de diepte der zee doorgebracht; . . . in gevaren van struikrovers, . . . in gevaren in de wildernis, . . . in honger en dorst, . . . in koude en naaktheid”, enzovoort. Heeft Paulus dit alles alleen ter wille van zijn eigen redding verduurt? Neen, daarvoor waren niet zulke heldendaden nodig. Hij deed het hoofdzakelijk ter ere van zijn Maker en om anderen redding te doen toekomen. Daarom schreef hij ook veertien van de zevenentwintig boeken van het zogenoemde Nieuwe Testament. Ongetwijfeld was de apostel Paulus volkomen vervuld geraakt van de onzelfzuchtige geest van het christendom! — 2 Kor. 11:22-33.

Dat onzelfzuchtigheid inderdaad een kenmerk van het eerste christendom was, wordt door wereldse geschiedschrijvers bevestigd. Zo verklaren C. Brinton, J. Christopher en R. Wolff in hun boek, A History of Civilization: „De christen was geenszins tevreden met het vooruitzicht van zijn eigen redding. Zijn aanvaarding van Gods wil was niet passief. Van het begin af aan was hij een vurig zendeling, die anderen wenste te bekeren.” Deze schrijvers spreken ook over de „onzelfzuchtigheid, de vrijmoedigheid” van het christendom en voegen eraan toe: „In het echte christelijke leven zijn alle mensen één en bijkomstige groepen leiden slechts tot onenigheid — of erger, dienen slechts als vulsel voor het zelfzuchtige ego. Het is voor de mens het belangrijkste allerlei persoonlijke triomfen over anderen, alle door wedijver behaalde successen, alle dingen die zijn ego doen uitkomen en versterken, te vermijden . . . Ziedaar het ideaal van onzelfzuchtigheid. Het christendom tracht de meer buitensporige vluchten die de menselijke geest in zijn wedijver wenst te maken, te temperen en tracht aanmatiging, uitdaging, grootspraak, trots en andere dingen die de ’natuurlijke’ mens aan de dag legt, te beteugelen.” Een christen moest „niet alleen zijn eigen ego beteugelen; hij diende ook in liefderijke goedheid zijn hart open te stellen voor al zijn medemensen.”b Men kan zich terecht afvragen: In hoeverre hebben agnostici en atheïsten zulk een zendingsijver aan de dag gelegd? Wie heeft ooit gehoord dat zij naar het hartje van Afrika gingen om de bijgelovige inboorlingen te verlichten zoals duizenden christelijke zendelingen hebben gedaan?

JEHOVAH GOD EN JEZUS CHRISTUS ONZELFZUCHTIG

Christenen staat niets anders te doen. Waarom niet? Omdat de bijbel aantoont dat Jehovah God en Jezus Christus de verpersoonlijking van onzelfzuchtigheid zijn. Jehovah God, de Zelfstandig Bestaande, die nooit een begin heeft gehad, is altijd onafhankelijk en onbeperkt zelfstandig geweest. Hij behóefde niet te scheppen. Hij werd hiertoe geheel door liefde, door onzelfzuchtigheid gedreven. Verder heeft hij grote onzelfzuchtigheid getoond door het eerste mensenpaar, dat na de opstand de dood had verdiend, te laten voortleven, en Jehovah God heeft in het bijzonder liefde tot uitdrukking gebracht door zijn dierbare en eniggeboren Zoon naar de aarde te zenden om voor onze zonden te sterven. Daarom schreef de liefdevolle apostel Johannes: „God is liefde. Hierdoor werd de liefde Gods in ons geval openbaar gemaakt, dat God zijn eniggeboren Zoon naar de wereld heeft uitgezonden, opdat wij door bemiddeling van hem leven zouden verwerven, De liefde bestaat in dit opzicht: niet dat wij God hebben liefgehad, maar dat hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon heeft uitgezonden als zoenoffer voor onze zonden.” — 1 Joh. 4:8-10.

’Zo vader, zo zoon’, kan terecht over Jezus Christus worden gezegd die zijn hemelse Vader in het aan de dag leggen van onzelfzuchtigheid heeft nagebootst. Terecht kon hij dan ook zeggen: „Wie mij heeft gezien, heeft ook de Vader gezien”, want Jezus handelde net zoals zijn Vader onder dezelfde omstandigheden zou hebben gehandeld. Jezus had een glorierijk voormenselijk bestaan in de hemel voordat hij naar de aarde kwam, en hij bestond in Gods gedaante. Hij liet dit alles achter en kwam naar de aarde, niet voor zijn eigen redding, niet om gediend te worden, maar om te dienen „en zijn ziel te geven als een losprijs in ruil voor velen”. — Joh. 14:9; Matth. 20:28; Fil. 2:5-8.

Ja, daarom merkte de apostel Paulus ook op: „Gij kent de onverdiende goedheid van onze Heer Jezus Christus, dat hij, hoewel hij rijk was, om uwentwil arm is geworden, opdat gij door zijn armoede rijk zoudt worden.” Jezus zei dat hij geen plaats had om zijn hoofd neer te leggen, geen plaats die hij de zijne kon noemen, maar hoe rijk had hij niet kunnen zijn als hij financiële winst had willen maken zoals zoveel zogenaamde genezers thans doen! — 2 Kor. 8:9; Luk. 9:58.

HOE IS HET THANS?

Ja, hoe is het thans? Spoort het ware christendom in onze tijd, in dit laatste derde gedeelte van de twintigste eeuw, tot onzelfzuchtigheid aan, zoals het dat negentien eeuwen geleden deed? Ja zeker. Onder wie? Onder de christelijke getuigen van Jehovah. Zij hebben een organisatie die is gevormd naar de organisatie van de eerste christenen, waarin geen leken-geestelijken-onderscheid bestaat, doch waarin iedere christen een bedienaar van het goede nieuws is. In hun opleiding wordt de nadruk op geven gelegd, niet op ontvangen, het geven van hun tijd om Jehovah en anderen te dienen, het geven van hun energie en hun middelen. Velen van hen gaan in de volle-tijddienst, ook al weten zij dat dit op zich niet voor iedereen een vereiste is om redding en eeuwig leven te verkrijgen.

In hun plaatselijke gemeenten zijn „dienaren” die de leiding nemen. Dezen hebben, om in de geestelijke behoeften van de gemeente te voorzien, specifieke plichten te vervullen die veel tijd en energie vergen en die een zware verantwoordelijkheid met zich brengen. Ontvangen zij enige vergoeding op geldelijk gebied of in de vorm van meerdere eer? Neen, net zo min als de eerste christenen. Allen dienen zij hun God en hun broeders uit liefde, op onzelfzuchtige wijze, wetend dat ’het gelukkiger is te geven dan te ontvangen’. — Hand. 20:35.

Het volgende voorval dat werkelijk heeft plaatsgevonden, illustreert dit beginsel. Een joodse jongeman uit Brooklyn, New York, nam een uitnodiging aan om een bepaalde vergadering in de plaatselijke Koninkrijkszaal bij te wonen waar de Getuigen instructies voor de velddienst ontvingen. Onder andere werd het verslag van de predikingsactiviteit van de vorige maand aan een onderzoek onderworpen, alsmede het velddienstquotum waarnaar men streefde.

Naderhand vroeg hij zijn vriend, de Getuige: „Heb jij de vorige maand het quotum bereikt?” Zijn vriend verzekerde hem dat hij er inderdaad in was geslaagd. Toen vroeg de jongeman hem: „Wat krijg je als je het quotum bereikt?” Hij kreeg te horen dat er geen andere beloning was dan de voldoening het er in Jehovah’s dienst goed te hebben afgebracht. Hij vroeg vervolgens: „Wat gebeurt er als je het quotum niet bereikt? Wat zijn de straffen?” Hij kreeg te horen: „Er wordt niemand gestraft als hij het quotum niet bereikt.” Het scheen deze joodse jongeman, die elk motief altijd had afgemeten naar materiële overwegingen, allemaal heel ongeloofwaardig toe.

In het Yearbook of Jehovah’s Witnesses, waarin niet alleen de activiteiten van de Getuigen in elk land — thans bijna 200 waarin zij werkzaam zijn, staan vermeld, maar waarin ook honderden bladzijden met velddienstervaringen staan, wordt welsprekend getuigenis afgelegd van de kracht van het ware christendom om tot onzelfzuchtigheid aan te sporen. De uitgave van het laatste jaar toont aan dat het vorige jaar 1.058.675 christelijke verkondigers van het „goede nieuws” elke maand hebben gepredikt en dat zij daaraan gedurende het jaar in totaal meer dan 170 miljoen uur hebben besteed, terwijl zij 60 miljoen nabezoeken bij belangstellende personen hebben gebracht en maandelijks meer dan 800.000 bijbelstudies in de huizen van de mensen hebben geleid.

Zo dient het trouwens allemaal ook te zijn. God is liefde, ja, de verpersoonlijking van onzelfzuchtigheid, en dat is de reden waarom de ware aanbidding van hem wel tot onzelfzuchtigheid moet aansporen. Zijn Zoon is naar de aarde gekomen om ons een volmaakt voorbeeld te stellen en in Gods Woord vinden wij nog vele andere voortreffelijke voorbeelden. Door zulke vruchten voort te brengen, verheerlijken christenen hun God Jehovah en bewijzen zij dat zij waarlijk discipelen van Jezus Christus zijn. — Joh. 15:8.

God is liefde, en wie in de liefde blijft, blijft in eendracht met God en God blijft in eendracht met hem. Op deze wijze is de liefde bij ons tot volmaaktheid gebracht, dat wij vrijmoedigheid van spreken hebben . . . Er is in de liefde geen vrees, maar volmaakte liefde werpt vrees buiten . . . Wat ons betreft, wij hebben lief omdat hij ons eerst heeft liefgehad. — 1 Joh. 4:16, 17, 18, 19.

[Voetnoten]

a Dat het evenwel mogelijk is, zich ondanks concentratiekamptoestanden aan hoge christelijke beginselen te houden, bewijst de schrijver Gun door de getuigen van Jehovah die in dit kamp waren opgesloten, in verheven bewoordingen te prijzen.

b Zie als bewijs hiervan: 1 Korinthiërs 10:33; 13:4-8; Galáten 5:26; Filippenzen 2:3, 4.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen