Zij wilden geen bloed eten
● Minucius Felix, een Latijns schrijver uit de derde eeuw van onze gewone tijdrekening, schreef een dialoog die getiteld was „Octavius”. Hierin probeerde hij beschuldigingen die tegen belijdende christenen van zijn tijd werden aangevoerd, te weerleggen. Er had een verhaal de ronde gedaan dat zij bloed dronken, dat zij werden „ingewijd door een klein kind te doden, en dan het bloed ervan te drinken”. Na te hebben geschetst welke praktijken de heidenen erop na hielden, waardoor een grove geringschatting voor het leven en de heiligheid van bloed werd getoond, toonde Minucius Felix aan dat degenen die in die tijd beleden christenen te zijn, respect hadden voor Gods wet betreffende bloed. Hij schreef: „Zij [de heidenen] zijn ook niet anders dan degenen die zich te goed doen aan de wilde beesten uit de arena, die besmeurd en vol bloed zijn, of zich volgevreten hebben aan de ledematen of de ingewanden van mensen. Het is ons volgens onze wet niet toegestaan naar doodslag te kijken of ernaar te luisteren; en zozeer deinzen wij terug voor menselijk bloed, dat wij zelfs niet het bloed van eetbare dieren gebruiken als voedsel.” (De Octavius van Minucius Felix, hoofdstuk XXX, zoals uitgegeven in The Ante-Nicene Fathers [De kerkvaders vóór Nicaea], Deel IV, blz. 191, 192) Het is opmerkelijk dat degenen die zeiden Christus te volgen, nog in de derde eeuw G.T. ten opzichte van bloed een standpunt innamen dat op de Schrift was gebaseerd en dat in niets verschilt van het standpunt van christenen in deze tijd. — Gen. 9:3, 4; Hand. 15:28, 29; 21:25.