Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w67 15/9 blz. 565-567
  • Geeft u ’zoals u in uw hart hebt besloten’?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Geeft u ’zoals u in uw hart hebt besloten’?
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1967
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • MET BETREKKING TOT IEMANDS AANBIDDING
  • IN GELDKWESTIES
  • Hoe het Koninkrijkswerk wordt gefinancierd
    Gods Koninkrijk regeert!
  • Uw tijd of uw geld?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1964
  • De Gever van „elke goede gave”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1993
  • Het goede nieuws met anderen delen door persoonlijk bijdragen te schenken
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1959
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1967
w67 15/9 blz. 565-567

Geeft u ’zoals u in uw hart hebt besloten’?

HIJ WAS nog maar een jongen van negen jaar, maar hij had de geest van het goede nieuws van Gods koninkrijk begrepen. Dit bleek uit de brief die hij aan het Wachttorengenootschap in Athene schreef, namelijk: „Mijn ouders hebben mij gezegd dat zij mij, als ik met mooie cijfers op school zou overgaan, als geschenk 500 drachmen [ter waarde van ongeveer ƒ 60,–] zouden geven. Ik ben inderdaad overgegaan en mijn ouders hebben mij het geld dat zij mij beloofd hadden, gegeven en mij gezegd het naar eigen goeddunken te gebruiken. Na erover te hebben nagedacht, ben ik tot het besluit gekomen dit geld voor de uitbreiding van de bekendmaking van het goede nieuws te gebruiken, en ik maak het door bemiddeling van onze opziener aan u over.”a

Opmerkelijk? Ja, maar niet helemaal uniek, want dat het goede nieuws van Gods koninkrijk deze uitwerking op kinderen heeft, blijkt ook uit hetgeen een vijfjarig Rhodesisch kind aan het bijkantoor van het Wachttorengenootschap in Salisbury schreef, namelijk: „Geliefde broeders, Hier is mijn bijdrage aan het Genootschap van 1/– [één shilling, waarde ongeveer 50 cent] die mijn pappa mij voor snoep heeft gegeven. In plaats van er snoep voor te kopen, nam ik bij mijzelf het besluit het geld naar het Genootschap te zenden want het zal heel wat meer helpen dan er snoep voor te kopen.”b

Ja, opmerkelijk is het dat jonge kinderen zulk een onzelfzuchtige geest aan de dag leggen, maar misschien is de rijpe manier waarop deze twee jonge kinderen zich uitten nog opmerkelijker: „Na erover te hebben nagedacht, ben ik tot het besluit gekomen”, schreef de negenjarige; en „nam ik bij mijzelf het besluit het geld naar het Genootschap te zenden”, is de wijze waarop de vijfjarige het uitdrukte.

Deze beide kinderen blijken eerst eens over de aangelegenheid te hebben nagedacht, vervolgens in hun hartje te hebben besloten aan een onzelfzuchtige impuls uiting te geven en ten slotte naar dat besluit te hebben gehandeld. Hierdoor handelden zij in overeenstemming met de volgende geïnspireerde raad van de apostel Paulus: „Wie mildelijk zaait, zal ook mildelijk oogsten. Een ieder doe zoals hij in zijn hart heeft besloten.” — 2 Kor. 9:6, 7.

Door deze raad legde de apostel Paulus een wijsheid en begrip van de menselijke aard aan de dag die hij door middel van Gods heilige geest verwierf. Na de nodige overweging hebben wij wellicht in ons hart bepaald, besloten of ons voorgenomen iets van ons weekloon of salaris aan de christelijke zaak te geven, maar als het er werkelijk op aankomt van het geld te scheiden, is het misschien niet zo gemakkelijk. Klaarblijkelijk is het veel gemakkelijker in ons hart het besluit te nemen, dan werkelijk te geven, maar nu wordt onze waardering en ook onze rechtschapenheid, het behouden van ons zelfrespect in onze verhouding tot God op de proef gesteld. Toen wij het besluit namen, waren wij ons sterk bewust van de grote betekenis van de christelijke zaak, maar als de tijd komt dat wij werkelijk moeten geven, maken wij ons misschien plotseling hevig bezorgd om onze eigen behoeften, die dan wellicht dringender lijken. Hier geldt hetzelfde beginsel als waardoor wij ons bij het doen van geloften moeten laten leiden. — Pred. 5:4-6.

Dit beginsel kan op heel wat situaties in het leven worden toegepast. Het kan bijvoorbeeld zijn dat een echtgenoot die ziek te bed ligt, waardeert met hoeveel zorg en liefde zijn vrouw hem omringt, en in zijn hart besluit hij om, zodra hij beter is, een grote bos rozen voor haar te kopen en haar op een heerlijk diner in een restaurant te trakteren. Maar als hij dan beter wordt, vergeet hij het misschien of zet het als een nogal overdreven of sentimenteel idee uit zijn hoofd. Toen hij ziek was, had hij heel veel waardering voor alles wat zijn vrouw voor hem deed, en dat wat hij besloten had te doen nadat hij beter was, was zowel een verstandig als een voortreffelijk en nobel idee. Nu diende hij het na te komen, precies zoals hij in zijn hart had besloten toen hij ziek te bed lag!

MET BETREKKING TOT IEMANDS AANBIDDING

Dit beginsel vindt in het leven van een christen vele toepassingen. Het kan bijvoorbeeld zijn dat hem in de gemeentevergadering aan het verstand wordt gebracht hoe belangrijk het is op tijd naar de vergaderingen te gaan, dat hierdoor eerbied voor Gods Woord en Zijn regeling wordt getoond, enzovoort. Daarom neemt hij het besluit, van nu af aan op tijd te komen. Maar als dan de tijd voor de volgende vergadering aanbreekt, is het toch niet zo gemakkelijk om de daad bij het woord te voegen, om zichzelf discipline op te leggen ten einde eerder weg te gaan, maar daartoe heeft hij zich nu juist verplicht, en dàt dient hij dan ook met het oog op het feit dat hij dit in zijn hart heeft besloten, te doen.

Het kan ook zijn dat een christen aandachtig naar de raad en vermaning luistert die op zijn dienstvergadering met betrekking tot de velddienst wordt gegeven en in zijn hart besluit de volgende zondag drie uur aan de prediking van het goede nieuws van huis tot huis en aan het brengen van nabezoeken te besteden. Maar misschien is het weer dan een beetje guur, of misschien vindt hij weinig ’horende oren’, of hij merkt wellicht op dat anderen na een uur of twee met prediken zijn opgehouden en dus stelt hij zich, in plaats van te doen zoals hij in zijn hart heeft besloten, met minder tevreden.

Zo is het ook met betrekking tot het vinden van tijd voor het bestuderen van de bijbel. Een christen wordt aangemoedigd ervoor te zorgen dat hij regelmatig persoonlijk de bijbel bestudeert en dus neemt hij zich in zijn hart voor, de maandagavond daarvoor te reserveren. Als de maandagavond echter komt, zal hij zich, tenzij hij met een vast besluit te werk gaat, misschien laten afleiden door een aantrekkelijk televisieprogramma, een of ander populair tijdschrift, of een karweitje dat had kunnen wachten, en het gevolg is dat hij nalaat te doen zoals hij in zijn hart had besloten.

IN GELDKWESTIES

De apostel Paulus bracht dit beginsel onder woorden in verband met het geven van bijdragen aan behoeftige christenen, doch het is vanzelfsprekend ook op andere terreinen van het christelijke geven van toepassing. Men dient de aangelegenheid in de eerste plaats rijp te overwegen en er ernstig over na te denken. Iedere christen is een rentmeester die aan Jehovah God rekenschap verschuldigd is voor de wijze waarop hij alles wat hij bezit, zoals tijd, energie en geld, besteedt (1 Kor. 4:2). Hij dient zichzelf af te vragen: Hoeveel heb ik nu precies nodig om aan mijn verplichtingen jegens mijn gezin te voldoen of om behoorlijk voor mij zelf te zorgen? Als er voor de allernoodzakelijkste dingen is gezorgd, hoeveel moet ik dan nog hebben voor beter voedsel, betere kleding en een beter onderdak? Op dit punt gaat godvruchtige tevredenheid een rol spelen. Paulus schreef in dit verband: „Wanneer wij . . . voedsel en kleding hebben, zullen wij daarmee tevreden zijn.” Hoe bescheidener onze behoeften zijn, hoe ’ambitieuzer’ wij kunnen zijn bij het geven. Hoe ambitieuzer onze behoeften echter zijn, hoe bescheidener wij waarschijnlijk zullen geven. — 1 Tim. 6:7, 8.

En er zijn zoveel gelegenheden om in materieel opzicht te geven. Om te beginnen is er de plaatselijke Koninkrijkszaal. Misschien is deze onlangs gebouwd, maar voordien zijn er waarschijnlijk aan allen die op de vergadering aanwezig waren, briefjes uitgedeeld om te weten te komen hoeveel allen bereid en in staat waren te geven; en naar aanleiding van deze inlichtingen werden er plannen gemaakt volgens welke een nieuwe Koninkrijkszaal werd gebouwd. Naarmate de maanden echter verstrijken, gebeurt het soms dat enkelen nalaten te geven zoals zij in hun hart hadden besloten en zelfs op papier hadden gezet. Nemen zij de tot een ieder gerichte raad ter harte te ’doen zoals zij in hun hart hebben besloten’?

Naast gelegenheden om in de onderhoudskosten van de Koninkrijkszaal bij te dragen, bestaat ook de gelegenheid onze bijdragen te schenken aan het uitgevers- en bestuurslichaam waarvan Jehovah’s volk zich bedient, de Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania. Gedurende het dienstjaar 1966 heeft dit Genootschap, in overeenstemming met het in haar charter vermelde doel om wijd en zijd de waarheid van Gods Woord en koninkrijk te verbreiden, meer dan 14 miljoen gulden besteed, alleen al om de onkosten te bestrijden van volle-tijdbedienaren zoals districts- en kringdienaren, zendelingen en speciale pioniers. Waar kwam al dit geld vandaan? Uit zware contributies? Uit collecteschalen die werden doorgegeven? Uit geldinzamelingen? Neen, maar uit vrijwillige bijdragen van christenen die ertoe gedreven werden de onzelfzuchtige voorbeelden na te bootsen die in Gods Woord worden gegeven en die, na rijp beraad, vervolgens gaven zoals zij in hun hart hadden besloten. Tot zulke schriftuurlijke voorbeelden van die vorm van geven, behoort het bijeenbrengen van gelden voor het maken van de tabernakel in de wildernis en de uitrusting daarvan, en het vergaren van materialen voor de bouw van Salomo’s tempel, welk geven koning David en zijn volk zulk een grote vreugde schonk. — Ex. 36:4-7; 1 Kron. 29:1-19.

Soms zijn er ook andere gelegenheden om in materieel opzicht te geven. Misschien is er ergens een ramp geweest, zoals nog niet zolang geleden in het zuidelijke deel van de Verenigde Staten plaatsvond, hetgeen een gelegenheid biedt medechristenen te helpen. Dan voelen zij die met een overvloed van het goede dezer wereld zijn gezegend, zich vaak gedrongen in materieel opzicht iets te geven aan degenen die zich, om Jehovah al hun tijd als pioniers te kunnen blijven dienen, veel ontzeggen. Men zou kunnen zeggen, dat zij in dit opzicht net als Maria zijn, die Jezus’ haar en voeten met kostbare olie zalfde uit louter waardering voor zijn onzelfzuchtige bediening. Toen zij Jezus’ woorden van lof hoorde, moet zij wel erg blij zijn geweest te hebben gehandeld volgens hetgeen zij in haar hart had besloten, hoe overdreven het misschien ook leek toen het werkelijk ten uitvoer werd gebracht! — Matth. 26:6-13.

Er bestaat thans ook een voorziening voor „voorwaardelijke schenkingen”. Enkelen, die aanzienlijke sommen bezitten die zij niet onmiddellijk nodig hebben, kunnen een voorwaardelijke schenking aan het Genootschap doen, met dien verstande dat zij er in onvoorziene tijden van nood naar behoeve uit kunnen putten. Dit geeft hun een gevoel van financiële zekerheid en zo kan tegelijkertijd hun geld worden aangewend voor de bevordering van de prediking van het goede nieuws van Gods koninkrijk. Bij de dood worden dergelijke kapitalen natuurlijk zonder meer schenkingen aan de Watch Tower Bible and Tract Society, hetgeen de zaken vereenvoudigt. Zij, die belangstelling hebben, kunnen hierover aan het bureau van het Wachttorengenootschap in hun eigen land schrijven.

Nog één ding. Laten wij, in verband met al dit geven zoals men in zijn hart heeft besloten, niet Paulus’ verdere woorden over het hoofd zien. Laat al zulke vormen van geven „niet met tegenzin of onder dwang” worden gedaan, alsof het een onaangename plicht, een drukkende last is. Laat het in plaats daarvan met vreugde geschieden, uit liefde, uit dankbaarheid jegens Jehovah God voor het vermogen om te geven, bedenkend dat ’God een blijmoedige gever liefheeft’, en dat ’het gelukkiger is te geven dan te ontvangen’. — 2 Kor. 9:7; Hand. 20:35.

[Voetnoten]

a Yearbook of Jehovah’s Witnesses van 1962, blz. 152; 1965, blz. 227.

b Yearbook of Jehovah’s Witnesses van 1962, blz. 152; 1965, blz. 227.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen