’Een theatraal schouwspel voor de wereld, zowel voor engelen als voor mensen’
Zoals verteld door Maxwell G. Friend
„KOMT, hoort, en ik wil vertellen, gij allen die God vreest, wat Hij gedaan heeft aan mijn ziel” (Ps. 66:16). Dat wil ik nu doen.
Mijn voorvader was Abraham. Evenals dat bij hem het geval was, is ook mijn vurigste wens geweest Jehovah als mijn eeuwige Vriend te hebben en voor altijd dicht bij hem te blijven.
Ik werd in 1890 in Oostenrijk geboren als een van de negen kinderen van toegewijde joodse ouders, werd opgevoed in de joods-orthodoxe religie en leerde al Hebreeuws lezen vóór ik de schoolgaande leeftijd bereikte. Op jeugdige leeftijd werd mijn aandacht op God gericht, niet door mijn strenge godsdienstonderwijzers, maar door mijn godvruchtige ouders. Het enige wat die onderwijzers mij leerden, waren formalistische en mechanische Hebreeuwse gebeden en zinloze gebruiken.
In 1897 verhuisde ons gezin naar Zürich in Zwitserland. Tijdens mijn eerste schooljaar daar hoorde ik voor het eerst de geschiedenis van Jezus’ geboorte. Ik werd er heel erg door geboeid. Ik had nog maar nauwelijks Duits leren lezen toen een gehavend boek over godsdienst, voor kinderen geschreven en van plaatjes voorzien, de weg naar ons huis vond. Het was met grote letters gedrukt en vertelde boeiende bijbelse verhalen uit de Hebreeuwse en de Griekse Geschriften. Met intense belangstelling las en herlas ik ze ijverig. Zowel de mij reeds vertrouwde Hebreeuwse bijbelverslagen als de nieuwe over de Messías en zijn vroege discipelen kwamen voor mij tot leven en namen mij geheel in beslag. Ik geloofde ze met heel mijn kleine hartje. Ik voelde mij later aangetrokken tot boeken over populair-wetenschappelijke onderwerpen, voornamelijk biologie en kosmologie. Dit verruimde mijn gezichtsveld en toen ik veertien jaar oud was, keerde ik de formalistische godsdienst de rug toe.
DE JAREN VAN MIJN VOLWASSENHEID
Het zogenoemde hogere onderwijs van mijn universiteitsjaren, te zamen met een groter inzicht in het afstotende formalisme, de ongerijmde geloofsbelijdenissen en de walgelijke huichelarij van de godsdiensten die ik om mij heen zag, beroofden mij van het diepe geloof van mijn kinderjaren. Ik werd een ongelukkige scepticus, agnosticus en evolutionist. Maar niet voor lang. Reeds van mijn kinderjaren af had ik een grote liefde voor de schoonheden van Gods schepping. Bewondering voor zijn schepping bracht mij tot hem terug. In 1912, nadat ik een meer dan drie jaar durende toneelopleiding aan de befaamde Stadsschouwburg in Zürich, Zwitserland, had gehad, zat ik na te denken aan de oever van het prachtige meer dat dicht bij de schouwburg ligt. Hier werden mijn ogen weer geopend voor het duidelijke feit dat heel die wonderbaarlijke schepping was voortgebracht door een nog oneindig veel wonderbaarlijker Schepper.
Kort daarna gaf de moeder van een van mijn intieme vrienden, die mijn geloof in God opmerkte, mij een moderne vertaling van de christelijke Griekse Geschriften. Ik las deze Geschriften met toenemend genoegen en bij het lezen keerde het dierbare geloof in Christus dat ik in mijn kinderjaren had, weer terug. Dat was in 1912. Ik geloofde nu met een rijper begrip dat Jezus van Nazareth mijn Redder is en dat hij de beloofde Messías en de Koning van zijn Vaders koninkrijk is.
MIJN OPDRACHT
Nadat ik alle kosten had berekend, besloot ik van toen af aan getrouw in de voetstappen te treden van mijn grote Meester, die mij met de prijs van zijn kostbare aardse leven had gekocht. Ik besloot tegen elke prijs mijn leven aan God en zijn Koninkrijksdienst op te dragen.
Er waren nog zo veel meer dingen in de Schrift die ik graag wilde begrijpen. Ik voelde mij als de Ethiopische eunuch die tot Filippus zei: „Hoe zou ik dat toch ooit kunnen, tenzij iemand mij leidt?” (Hand. 8:31) Tot wie zou ik mij wenden? Ik had geen vertrouwen in namaakchristenen en nog veel minder in hun religieuze leraars. De Meester had gezegd: „Aan hun vruchten zult gij hen herkennen”, als een rotte boom die „waardeloze vruchten” voortbrengt (Matth. 7:15-20). Hun schandelijke, bloedige geschiedenis en hun harteloze uitmoording van het joodse volk gedurende de hele geschiedenis van de christenheid, getuigde tegen hen en veroordeelde hen.
Tot wie zou ik mij wenden? Wie zou ik vragen mij verdere klaarheid te verschaffen? Ik had reeds uit de Schrift begrepen dat er te midden van het geestelijke onkruid dat er in de wereld was, ook enige waarachtige geestelijke tarwe moest zijn (Matth. 13:24-30). Maar hoe kon ik het vinden? Ik riep God aan voor hulp, en hij antwoordde mij.
Zonder dat ik ervan wist was er in 1912 in Zürich een twaalftal ijverige christenen, die het koninkrijk Gods bekendmaakten. Zij werden toen „Bijbelonderzoekers” genoemd. Tegenwoordig staat de groep waarmee zij verbonden waren, bekend als Jehovah’s getuigen. Toen ik enkele vrienden een bezoek bracht, zag ik in hun muziekkamer een traktaat, getiteld „De drie werelden.” Hun dienstmeisje had het net uit de brievenbus gehaald en binnengebracht. Het was in Duitsland uitgegeven door de International Association of Earnest Bible Students. Het trok mijn belangstelling en ik vroeg of ik het mee naar huis mocht nemen. Toen ik het die avond laat zorgvuldig helemaal had uitgelezen, wist ik dat het de waarheid was. Ik wist dat het was uitgegeven door de ware volgelingen van Jezus Christus. Ik was van plan het de volgende dag weer te lezen en dan naar de uitgevers in Duitsland te schrijven mij meer lectuur te sturen. Maar toen ik de volgende middag thuiskwam, lag het kostbare pamflet niet meer op mijn bureau. Ons dienstmeisje had per vergissing gedacht dat het een deel van de krant van de vorige dag was, en had het verbrand. Ik voelde mij alsof ik iets heel kostbaars had verloren. Hoe ik het ook probeerde, ik kon mij de naam of het adres van de uitgevers van het traktaat niet meer herinneren. Weer wendde ik mij tot mijn Vriend in de hemel, en weer beantwoordde hij mijn gebed.
CHARLES T. RUSSELL KOMT NAAR ZÜRICH
Kort daarna verschenen er in heel Zürich grote aanplakbiljetten, door middel waarvan werd aangekondigd dat een Amerikaanse onderwijzer van de bijbel die de hele wereld afreisde, Charles T. Russell, een openbare lezing zou houden. Hij zou spreken over het onderwerp „Aan gene zijde van het graf”. De aanplakbiljetten toonden een grote en opvallende afbeelding van een in ketenen gebonden bijbel, waaruit Christus’ geest kwam die een beschuldigende vinger richtte op een lange en plechtige stoet van allerlei soorten van geestelijken. De beschuldiging luidde: „Wee u . . . want gij hebt de sleutel der kennis weggenomen” (Luk. 11:52). „Hoe waar is dat!” dacht ik. Ik kon nauwelijks de avond afwachten waarop de openbare lezing in de Tonhalle, de mooiste concertzaal van Zürich, gehouden zou worden.
Toen ik bij de Tonhalle aankwam, zag ik een grote menigte bij de ingang staan die wachtte om binnengelaten te worden. Tot mijn diepe teleurstelling ontdekte ik dat de zaal al propvol was en de deuren gesloten waren. Toen werd bekendgemaakt dat de lezing een week later door Russells tolk herhaald zou worden. Daarop verspreidde de wachtende menigte zich.
Deze keer kwam ik eerder dan alle anderen bij de concertzaal aan. Ik wachtte totdat de deuren werden geopend en toen ik de hal binnenkwam, kocht ik onmiddellijk het boek Het goddelijk plan der eeuwen. Dit was het eerste deel van de diverse boeken van Russells hand. Ik verdiepte mij onmiddellijk in het lezen ervan, en ik vond het bijzonder boeiend. Ik sloot het boek pas toen de voorzitter de spreker inleidde. Ik was ervan overtuigd dat ik eindelijk had gevonden wat ik met mijn hele hart had gezocht.
Ik dronk elk woord dat ik hoorde in. Het uur dat de toespraak duurde, leek mij erg kort toe. Toen ik weer thuis was gekomen, bleef ik urenlang in het boek zitten lezen dat ik had gekocht. Ik schaam mij er niet voor te bekennen dat wat ik in het boek las, mij soms overweldigde en mij tranen van vreugde in de ogen deed springen. Ik kon het boek eenvoudig niet neerleggen totdat de nieuwe dag begon aan te breken, omdat het mij een sleutel verschafte tot een begrip van de bijbel. Toen moest ik wat gaan slapen om de volgende dag te kunnen werken.
De repetitie van die morgen was een deel van Shakespeare’s beroemde tragedie „Hamlet”. Ik kon er deze keer eenvoudig mijn hart niet inleggen. Ik vroeg mijzelf af hoe ik, in strijd met Gods Woord, in het openbaar het geloof tot uitdrukking kon brengen dat mijn vermoorde vader, de koning, als een geest blijft voortleven en rondwaren. Hoe kon ik bloedige wraak zweren? Hoe kon ik een samenspraak houden met de „onsterfelijke ziel” van de dode koning, over vagevuur en hellevuur spreken alsof dit werkelijkheden zijn? Hoe kon ik de regels herhalen: „Welke dromen zullen er komen in die diepe slaap des doods?” Hoe kon ik zeggen „de vrees voor iets na de dood” of „het onbekende land van welke grens geen reiziger terugkeert”, als ik wist dat dergelijke beweringen onschriftuurlijk waren? Ik besefte plotseling dat ik in bijna elk toneelstuk waar ik in zou meespelen, dergelijke gewetensconflicten onder de ogen zou moeten zien. Ik wist dat ik nooit meer een goddeloze leugen op het toneel zou kunnen brengen. Ik voelde mij als een kind dat vrolijk achter een prachtige, glanzende zeepbel had aangehold, die, zodra ze werd gevangen, uiteenspatte.
VOOR HET EERST MET EEN GEMEENTE VERBONDEN
Ik ontdekte eindelijk waar en wanneer de Bijbelonderzoekers hun vergaderingen hielden. Het was in een hotelkamer in Zürich. De ongeveer twaalf personen die daar bij elkaar kwamen, ontvingen mij met oprechte en ontwapenende hartelijkheid. Door hun boeiende bijbelstudie leerde ik voor het eerst van mijn leven de kenmerken en de profetische betekenis kennen van de tabernakel van mijn voorvaderen in de woestijn. Ik zag de poorten tot een nieuw en werkelijk leven voor mij geopend worden, en ik voelde mij onweerstaanbaar aangetrokken tot dit groepje liefdevolle en beminnelijke leden van Gods volk. Ik ondervind nog steeds dit warme gevoel wanneer ik, waar ter wereld ik ook ben, op de vergaderingen van Jehovah’s getuigen aanwezig ben.
Wat het goede nieuws van Gods koninkrijk betreft, voelde ik mij als Jeremia toen hij zei: „Het [werd] in mijn hart als brandend vuur” (Jer. 20:9). Ik kon het eenvoudig niet voor mij houden. Ik móest het gewoonweg vertellen. Mijn dierbare vader was heel goed op de hoogte met de Hebreeuwse Geschriften en hij luisterde met een open geest, maar zonder veel te zeggen, naar mijn boodschap. Mijn moeder was eveneens een godvrezende ziel en zij was wel blij met wat ik haar vertelde. Wat Jezus betreft, beiden moesten zij toegeven: „Het kan zijn, dat hij werkelijk de Messías is.” Jaren later las mijn moeder op haar sterfbed met toegewijde aandacht de bijbel en ons boek De harp Gods. Wat verlang ik naar de beloofde opstanding als mijn ouders alles volkomen duidelijk zal worden en ik hen met eindeloos leven beloond zal kunnen zien!
Wat mijn vier broers en vier zusters betreft, geen van hen hing een of andere religie aan. Zij waren liberaal genoeg om mijn nieuwe geloof te verdragen en redetwistten er maar zelden over. Wat mijn intieme vrienden betreft, geen van hen was religieus, maar zij probeerden werkelijk alles om mij van wat zij „idealistische fantasieën” noemden, af te brengen. Tot mijn grote verdriet verloor ik hun vriendschap, maar God heeft mij sindsdien, zoals hij in Markus 10:29, 30 beloofd heeft, wel „honderdvoudig” vrienden teruggegeven.
Van de gemeente in Zürich kreeg ik lectuur om gratis te verspreiden. Allereerst deed ik bij tal van joodse huizen lange Jiddische traktaten in de brievenbus. Toen kreeg ik Duitse traktaten voor de heidenen. Op deze manier en door het gesproken woord had ik zowel een aandeel aan de verbreiding van het goede nieuws van Gods koninkrijk als aan de nadrukkelijke waarschuwing dat in het jaar 1914 het begin te zien zou zijn van de wereldschokkende „tijd van het einde” van het tegenwoordige boze samenstel van dingen. — Dan. 12:4.
VOLLE-TIJDDIENST
Nu ik had ontdekt hetgeen de bijbel een kostbare „schat, verborgen in het veld” noemt, namelijk Jehovah’s koninkrijk, werd het mij duidelijk dat ik, om ’dat veld te kopen’, van al mijn materialistische verlangens en ook van mijn wereldse aspiraties een acteur te zijn, afstand moest doen. In plaats daarvan verlangde ik er vurig naar een bescheiden bijrol te spelen in wat de apostel Paulus een „theatraal schouwspel . . . voor de wereld, zowel voor engelen als voor mensen” noemt (1 Kor. 4:9). Dit zou tot Jehovah’s roem en eer zijn, niet tot mijn eigen roem. Toen ik mijn plannen en de redenen ervoor aan mijn atheïstische directeur openbaarde, was hij zichtbaar geschokt. Hij trachtte het mij uit mijn hoofd te praten, maar slaagde daar niet in. Tot aan zijn dood, jaren later, bleef hij hopen dat, zoals hij het uitdrukte, „de tijd en de werkelijkheid” mij uit mijn „idealistische dromen” zouden doen ontwaken.
Vroeg in het voorjaar van het volgende jaar, 1913, werd ik gedoopt als een symbool van mijn opdracht aan Jehovah en aan zijn eeuwige dienst. Die doop vond dicht bij de Stadsschouwburg plaats, in het koude water van het Züricher Meer. Vervolgens diende ik een aanvraag in bij het Bijkantoor van het Wachttorengenootschap in Duitsland voor welk soort van werk ik ook zou kunnen doen, en ik werd uitgenodigd om naar het bijkantoor, Bethel genaamd, te komen om daar te werken. Mijn ouders voelden zich geschokt. Niettemin waren zij zo onzelfzuchtig dat zij wilden dat ik zou doen wat mij gelukkig zou maken.
In het mooie Duitse Bethelhuis in Barmen ondervond ik een warme en gelukkig makende atmosfeer. Ik maakte mij verdienstelijk door verschillende nederige diensten te verrichten. In die tijd bestond de Bethelfamilie nog maar uit weinig personen, namelijk ongeveer vijftien volwassenen en twee lieve kleine dochtertjes van de bijkantoordienaar. De jongste van de twee, Phoebe Koetitz, leeft nog en heeft vele jaren lang op toegewijde wijze als pionierster — dat is een volle-tijdprediker van het goede nieuws — in de Verenigde Staten gediend. Iemand anders die in die tijd op Bethel was en die tot vandaag de dag in leven is, is Heinrich Dwenger. Hij verricht nog steeds getrouwe dienst op ons Zwitserse bijkantoor in Bern. Het eerste jaar van mijn nieuwe leven was vol activiteit en ik leerde er veel nieuwe dingen, en daarom ging het snel voorbij.
Toen J. F. Rutherford, die later president van het Genootschap werd, ons bezocht, vroeg hij mij of ik naar Oostenrijk-Hongarije gezonden zou willen worden, om het goede nieuws van het Messiaanse koninkrijk onder de vele joden daar te verbreiden. (De meesten van deze joden alsook drie van mijn vleselijke broers alsook een schoonzuster die in Frankrijk woonde, zijn later door de nazi’s wreed vermoord.) Ik aanvaardde de uitnodiging met blijdschap, en vroeg in het jaar 1914 reisde ik eerst naar Praag, in Tsjechoslowakije. In de uitgestrekte joodse wijken van die oude stad verspreidde ik van huis tot huis Jiddische traktaten. Daarna ging ik naar Wenen, waar ik hetzelfde werk deed. Ik werkte toen nog alleen. Er waren maar vier abonnees op De Wachttoren in Wenen en ik bezocht hen herhaaldelijk, waarbij ik hun belangstelling voor Gods Woord deed toenemen. Met twee van hen begon ik een wekelijkse huisbijbelstudie. Toen stuurde het Genootschap iemand om mij te helpen. Bij dit werk waren twee personen zeker beter dan één (Pred. 4:9-12). Met zijn tweeën konden wij veel meer tot stand brengen dan ik alleen.
Joden reageerden bijna nooit op het goede nieuws, omdat zij ons verwarden met zendelingen van de christenheid. Zij hadden geen liefde voor de christenheid ten gevolge van het feit dat ze hen eeuwenlang van land tot land had gedreven en hen te vuur en te zwaard genadeloos had gedood. Zelfs in hun dagen waren er in het tsaristische Rusland onmenselijke, door geestelijken geleide pogroms of afslachtingen van joden. Nadat wij de joodse wijken van Wenen bewerkt hadden, reisden wij naar Pozsoni (Bratislava) in Slowakije. Terwijl wij daar in joodse straten bezig waren met het verspreiden van traktaten, verzamelde zich een menigte woedende, fanatieke joden tegen ons. Zij joegen ons met geweld de stad uit, omdat zij ons bij vergissing voor zendelingen van de christenheid hielden, maar met Gods hulp kwamen wij er levend uit. Die arme, verblinde mensen echter niet. Meer dan twintig jaar later werd praktisch de hele joodse bevolking van Pozsoni door de van de demonen bezeten nazi’s vernietigd. Na Pozsoni bewerkten wij joods gebied in Boedapest.
Wij naderden de herfst van 1914 met een groeiend gevoel van verwachting, omdat wij vooruitzagen naar het eind van de bestemde tijden der natiën, zoals dit in de bijbelse profetie werd vermeld. Wanneer wij nu terugkijken, kunnen wij zien hoe dat jaar een keerpunt in de menselijke geschiedenis was. Wij keerden naar Wenen terug, en terwijl wij daar waren, brak de Eerste Wereldoorlog uit. Ons hart deed pijn als wij aan al het menselijk lijden dachten dat hierdoor over het volk werd gebracht. Niettemin waren wij vanwege de lang verwachte vervulling van de bijbelse profetieën betreffende het einde van de bestemde tijden der natiën, onbeschrijfelijk verheugd.
Toen volgden de droevige drie en een half jaar gedurende welke het overblijfsel van Christus’ gezalfde lichaamsleden op aarde vernederd zouden worden. Het was een tijd waarin zij symbolisch gesproken in zakken gehuld zouden zijn (Openb. 11:2, 3, 7-11). Toen Jehovah in 1919 zijn gevangengenomen volk van hun „Babylonische” slavernij begon te bevrijden, „voer levensgeest van God in hen, en zij gingen op hun voeten staan”. Te zamen met hen was ook mij weer nieuw leven ingeblazen om theocratisch volle-tijdwerk te verrichten in de „glorierijke vrijheid van de kinderen Gods” (Rom. 8:21). Ik was naar Zwitserland teruggekeerd en daar ondervond ik vanwege mijn onkreukbare getrouwheid, zware beproevingen waardoor mijn hart werd onderzocht.
In de Zürichse gemeente van Jehovah’s volk vond ik Irma, die mijn hulpvaardige en trouwe huwelijkspartner werd. Eerst dienden wij samen in het Centraaleuropese kantoor van het Genootschap in Zürich en later in het Zwitserse Bethelhuis in Bern. Dat waren erg drukke en vruchtbare jaren waardoor de zware beproevingen die werden veroorzaakt door trouweloze personen met vooraanstaande posities bij het Genootschap, in de schaduw werden gesteld. Om mijn nederigheid op de proef te stellen, stond Jehovah hun toe over mijn hoofd te rijden, mij door „vuur en door water” te doen gaan, maar naderhand schonk hij mij verademing. — Ps. 66:12.
DIENST VERRICHTEN OP HET HOOFDKANTOOR
In het voorjaar van 1926 nodigde broeder Rutherford ons uit, naar het hoofdkantoor in Brooklyn te komen. Mijn voorrecht als vertaler te mogen werken werd daar voortgezet en nog uitgebreid. Mijn vrouw hielp in de huishouding, waarbij zij een goed gebruik maakte van haar typisch Zwitserse zin voor reinheid, netheid en gezelligheid. Tussen het vertalen van boeken door genoot ik het voorrecht Duitssprekende gemeenten als pelgrim te bezoeken, dat wil zeggen, als iemand die in ver uiteenliggende afzonderlijke gedeelten van de Verenigde Staten als reizend vertegenwoordiger en openbare spreker van het Genootschap dienst deed. Soms ging ik naar Canada. Af en toe had ik de kans om in het Duits en in het Jiddisch het goede nieuws van het Messiaanse koninkrijk op uitgebreide schaal over de radio te verbreiden.
Toen begunstigde Jehovah mij met een onverwacht dienstvoorrecht. Ik mocht stimulerende en aansporende bijbelse drama’s en naar de werkelijkheid geschetste weergaven van schandelijke gerechtelijke verhoren die in Amerika hadden plaatsgevonden onder leiding van bevooroordeelde en door geestelijken beïnvloede rechters en aanklagers, produceren en regisseren. De hoorspelen stelden hen aan openbare schande bloot en zuiverden het werk van Jehovah’s dienstknechten van alle blaam. De geoefende spelers en musici in deze hoorspelen stonden bekend als het „Koningstheater”. Hun stukken zijn jarenlang door het eigen radiostation van het Genootschap, WBBR, en door andere stations in New York, New Jersey en Pennsylvania opgevoerd.
GILEAD
In 1943 stichtte het Genootschap de Wachttoren Bijbelschool Gilead, een bedieningsschool voor het verschaffen van een voortgezette opleiding aan zendelingen en vertegenwoordigers in het veld voor een bijzonder soort van dienst in buitenlandse arbeidsterreinen. Deze school heeft een heel belangrijk aandeel gehad aan de grote toename in Koninkrijksverkondigers die sinds 1943 te zien is geweest. Jehovah heeft mij zijn onverdiende gunst betoond door mij een van de onderwijzers te laten zijn, en mij onderwijs te laten geven over het wetenschappelijk onderzoek in verband met de bijbel en over het spreken in het openbaar. Dit heb ik met ondersteuning en leiding vanuit de hemel meer dan zeventien jaar lang met mijn gehele hart mogen doen en ik onderwees in die tijd vierendertig klassen met zendelingen en tien klassen van de Koninkrijksbedieningsschool.
Toen ik de leeftijd van zeventig jaar bereikte, moest ik noodzakelijkerwijs de hoeveelheid werk die ik verrichtte, verminderen. Met het oog daarop onthief de president van het Genootschap, N. H. Knorr, mij van mijn schoolwerkzaamheden en haalde Irma en mij terug naar Bethel in Brooklyn. Daar gaf hij ons toewijzingen voor lichtere werkzaamheden. Het deed pijn onze prachtige Koninkrijksboerderij, waar de Gileadschool was gevestigd, te verlaten. Dit plekje en zijn bewoners waren ons zo heel dierbaar geworden. Maar wij hebben zelfs nog meer dan vroeger ondervonden dat Bethel werkelijk, zoals sommigen hebben gezegd, een plaats is die „eenvoudig niet van deze wereld” is. Iemand moet hier zelf wonen en werken om de verbazingwekkend goed verlopende efficiëntie en de voortreffelijke christelijke geest van samenwerking van deze organisatie volledig te beseffen. Niemand wordt opgejaagd, opzieners treden niet op de voorgrond, en toch is het een plaats die gonst van grote activiteit en die verbazingwekkend produktief is.
Tot dusverre heb ik bij al mijn vele en verschillende gevarieerde diensttoewijzingen sinds 1913, elke verandering na enige tijd dankbaar als een verbetering bezien. Wij hebben het nog nooit tevoren zo goed gehad als nu in ons geliefd Bethelhuis. Wij geloven dat de enige verdere verandering ten goede alleen nog maar de hemel zelf kan zijn.
Ik ben nu in mijn zevenenzeventigste levensjaar, en begrijpelijkerwijs word ik snel moe, maar ik heb helemaal niet het idee nu of in de toekomst het bijltje erbij neer te leggen. Mijn geest heeft zijn frisheid bewaard en zijn enthousiasme voor alles wat waarachtig, goed, beminnelijk en mooi is, behouden, zoals geschreven staat: „De rechtvaardige zal groeien als een palmboom . . . zij zullen in den ouderdom nog vrucht dragen . . . om te verkondigen, dat de HERE waarachtig is” (Ps. 92:13-16 12-15). Veel presteren kan ik niet, maar eenvoudige werkzaamheden kan ik met toewijding blijven verrichten. Ik ben mij er volledig van bewust dat ik alleen maar een „onnutte” slaaf ben geweest en dat alles wat ik in de dienst van de Meester heb gedaan, alleen maar was wat ik moest doen. — Luk. 17:10.
Wanneer ik de jaren van mijn Koninkrijksdienst nog eens overzie, dan besef ik dat ik in die tijd ups en downs heb gehad en vreugde en verdriet, dit alles opdat ik erdoor getoetst en gelouterd zou worden. De uiterst boeiende bestijging van Gods Berg is af en toe erg steil en riskant geweest. Het is waar dat ik soms ben gestruikeld en mij verwondde, maar met de krachtige hulp van onze barmhartige Berggids ben ik altijd weer overeind gekomen en met hernieuwde moed en voorzichtigheid weer aan de klim naar boven begonnen. Ik kan er werkelijk getuigenis van afleggen dat in mijn geval geen van Gods genadige beloften onvervuld gebleven is. Ze zijn alle uitgekomen (Joz. 23:14). Ik beschouw het als een onschatbaar en onuitsprekelijk voorrecht, een bescheiden bijrol te kunnen spelen in het grootse universele drama van Jehovah’s rechtvaardiging. Ik besef dat ik, alvorens ik Gods licht der waarheid begon te aanschouwen, rondtastte in de vallei des doods en alleen maar bestónd. Sinds het ogenblik dat ik, door middel van de verdienste van mijn Redder en Koning, mijn leven aan onze grote hemelse Vader heb opgedragen, heb ik waarlijk een rijk en vreugdevol leven geleid, een leven dat het ook werkelijk waard is geleefd te worden. Mijn vurigste verlangen en mijn grootste hoop is niet om groot te zijn in het koninkrijk der hemelen, maar om God te zien en voor altijd dicht bij hem en bij mijn Redder te zijn. Daarom heb ik alles wat ik bezat, wat maar o zo weinig was, opgegeven om de kroon des levens te verwerven en bovenal Jehovah als mijn eeuwige Vriend te hebben.