Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w67 15/2 blz. 124-127
  • Jehovah is mijn sterkte en mijn lied

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Jehovah is mijn sterkte en mijn lied
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1967
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • DOOR EEN VRAAG TOT HET ZOEKEN NAAR KENNIS AANGESPOORD
  • BIJBELLEZINGVELDTOCHTEN
  • GEARRESTEERD EN IN DE GEVANGENIS VOOR HET GOEDE NIEUWS
  • Jehovah beloont hen die hem ernstig zoeken
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1963
  • Vreugde vinden door God te dienen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1964
  • Dienen onder Jehovah’s liefdevolle hand
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1996
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1961
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1967
w67 15/2 blz. 124-127

Jehovah is mijn sterkte en mijn lied

Zoals verteld door George S. Douras

DIT jaar voltooi ik, door Gods onverdiende goedheid, vijfenveertig jaar opdracht en dienst aan de levende en ware God, Jehovah. Gedurende deze lange tijdsperiode, onder gunstige en ongunstige omstandigheden, is Jehovah mijn sterkte en mijn lied, mijn steun en mijn reden tot vreugde des harten geweest.

Het is altijd mijn wens geweest mijn Schepper te loven, zelfs toen ik in 1920 als jongeman van vijfentwintig in Athene, Griekenland, rechten studeerde. Ik was iemand die veel belangstelling had voor literatuur, een dichter, en wat schonk het mij een vreugde God, de Schepper, met mijn liederen te loven! In die tijd wist ik echter beslist nog niet hoe ik God in volledige harmonie met Jesaja 42:10 moest prijzen: „Zingt den HERE een nieuw lied, zijn lof van het einde der aarde.”

DOOR EEN VRAAG TOT HET ZOEKEN NAAR KENNIS AANGESPOORD

Op een dag gebeurde er iets waardoor mijn denken over God in beweging werd gezet. Mijn vriend, die mijn gedichten altijd las, stelde mij plotseling de vraag: „Wel, geloof jij in God? Leer mij dat dan ook te geloven.” Nadat ik even over dat verzoek had nagedacht, antwoordde ik: „Het is nog maar de vraag of ik God wel kén. Buiten wat ik in mijn gedichten schrijf om hem te loven, kan ik nauwelijks zeggen dat ik iets van God af weet.” En werkelijk, ik had geen nauwkeurige kennis omtrent God.

Die vraag was beslist een mijlpaal in mijn leven! Met een schok realiseerde ik mij dat ik kennis van God, van zijn wil en zijn voornemen met de mens moest hebben. Daarom duurde het niet lang of ik was er druk mee bezig naar nauwkeurige kennis te zoeken. Iemand gaf me een evangelieverslag over het leven van Jezus Christus, en dit hielp mij een flink eind op weg in mijn speurtocht naar kennis.

Ik moet toegeven dat, toen ik de religies der christenheid onderzocht, leerstellingen zoals een eeuwige pijniging, de drieëenheid en andere, mij beslist niet bevredigden. Ik begon me af te vragen of deze leerstellingen eigenlijk niet van menselijke oorsprong zouden kunnen zijn. Maar hoe kon ik dat zeker weten? Ik had hulp nodig voor een goed begrip van de bijbel. In die tijd kreeg ik een bijbels traktaatje in handen. Het was The Bible Students Monthly. Het werd uitgegeven door het Wachttorengenootschap en droeg als titel „De val van Babylon”. Het toonde aan hoe de valse religie spoedig in vergetelheid zou geraken. Op de achterkant stond een afbeelding van een afbrokkelende muur waarvan de stenen — die namen droegen als „Theorie van eeuwige marteling”, „Drieëenheidsleer”, „Er is geen kwaad, geen pijn, geen dood, geen Duivel”, „Kinderdoop”, „Vagevuur” en vele andere — één voor één naar beneden vielen, waardoor te kennen werd gegeven dat de onschriftuurlijkheid van deze leerstellingen aan de kaak werd gesteld.

Nadat ik dat traktaatje had gelezen, kocht ik in een boekwinkel in Athene enkele andere publikaties van het Wachttorengenootschap. Ik begon gretig de delen getiteld „Schriftstudiën” te bestuderen. Gedurende deze studie had ik nog steeds geen contact met de uitgevers of hun vertegenwoordigers. De president van het Wachttorengenootschap, J. F. Rutherford, bracht echter een bezoek aan Athene, en een verslag hiervan verscheen in de krant. Hoewel ik niet in staat was hem te zien of te horen, spoorde dit mij er toch toe aan de personen te vinden die deze wonderbaarlijke bijbelse waarheden verbreidden. Ten slotte vond ik een kleine gemeente van ongeveer vijftien personen, die de plaatselijke gemeente van de International Bible Students Association, zoals Jehovah’s getuigen destijds genoemd werden, vormden. Toen ik bemerkte dat zij de waarheid uit de bijbel onderwezen, aarzelde ik niet mij met hen te verbinden en begon ik een leven van dienst voor Jehovah, gebaseerd op nauwkeurige kennis.

BIJBELLEZINGVELDTOCHTEN

In 1922 gaf The Watch Tower de gedenkwaardige toespraak uit die de president van het Genootschap op de vergadering te Cedar Point, in de Amerikaanse staat Ohio, had uitgesproken, en die eindigde met de aansporing: „Verkondig, verkondig, verkondig de Koning en zijn koninkrijk.” Ik verlangde ernaar een aandeel te hebben aan het verkondigen van Gods koninkrijk en na enige tijd had ik het voorrecht door de gemeente aangesteld te worden om als eerste van onze groep openbare bijbellezingen te houden in de provincies van Griekenland. Het duurde niet lang of ik diende, in Jehovah’s kracht, als de eerste „pelgrim”, dat wil zeggen, als een reizend vertegenwoordiger van het Wachttorengenootschap, in Griekenland.

Ik ben Jehovah beslist zeer dankbaar voor de volgende drie jaren van gezegende ervaringen. Wat waren ze geweldig! Jehovah was mijn sterkte en mijn lied, en hij schonk mij veel vreugde, ondanks het feit dat er veel tegenstanders waren van het goede nieuws van Gods koninkrijk, mensen die soms de politie riepen om ons in onze pogingen de bijbel te onderwijzen, te dwarsbomen. Vaak verbood de politie op aanstichten van de religieuze geestelijkheid onze openbare bijbellezingen. Meestal werd de Koninkrijksboodschap echter gepredikt in zalen die vol zaten met mensen die Gods waarheden warm ontvingen.

Op een van de Griekse eilanden was een openbare bijbelse toespraak aangekondigd en een groot aantal aanwezigen vulde het theater en wachtte tot de spreker zou beginnen. Op het laatste ogenblik gelastte de politie de toespraak echter af. De spreker mocht vanaf het podium alleen maar kort vertellen dat de toespraak verboden was en wat hiervan de reden vormde. Dit optreden van de politie tegen de bijbel, wekte het misnoegen op van een zekere man uit het publiek die was verbonden aan het Franse consulaat. Hij ging staan en verklaarde met luide stem: „Hier zijn wij verboden; kom maar met mij mee naar het Franse consulaat, daar zullen wij toestemming krijgen!” De spreker was de eerste die de man van het Franse consulaat volgde en na hem volgden alle aanwezigen. Wat een uniek schouwspel was dit in de straten van Korfoe! Kort hierna werd de bijbelse toespraak gehouden in de zaal van het Franse consulaat, tot grote vreugde van alle aanwezigen! Hier konden de Griekse autoriteiten ons niet weerhouden over de bijbel en Gods koninkrijk te spreken.

In 1925 moest ik met het oog op mijn gezondheid ophouden met het „pelgrim”-werk, en gedurende de tijd dat mijn gezondheid mij niet toestond zo veel te doen als ik wel wilde, voelde ik mij als de psalmist die zei: „Want zolang ik zweeg, kwijnde mijn gebeente weg onder mijn gejammer den gansen dag” (Ps. 32:3). Ik hoopte dat Jehovah mij nieuwe kracht zou geven, omdat ik wist dat er staat geschreven: „Jongelingen worden moede en mat, . . . maar wie den HERE verwachten, putten nieuwe kracht.” — Jes. 40:30, 31.

GEARRESTEERD EN IN DE GEVANGENIS VOOR HET GOEDE NIEUWS

Mettertijd kreeg ik mijn krachten terug en genoot ik nog veel voorrechten in Jehovah’s dienst. Toen Griekenland in 1936 onder een dictatoriaal bewind kwam, deed ik met nog andere Getuigen een ongewone ervaring op. De autoriteiten sloten zowel onze vergaderzaal als het bijkantoor van het Genootschap in Athene. Bijna alle getuigen van Jehovah in Athene werden gearresteerd en naar de gevangenis overgebracht, waar zij ongeveer een maand lang werden vastgehouden.

De autoriteiten eisten van ons dat wij ons geloof in de bijbel zouden laten varen, maar dat wilden wij niet doen. Toen zij zagen dat zij ons niet konden dwingen ons geloof vaarwel te zeggen, troffen zij regelingen om ons naar diverse Griekse eilanden te deporteren. Dit plan werd echter op het laatste ogenblik verijdeld. Toevallig hoorde iemand die op goede voet stond met de dictator het goede nieuws van het Koninkrijk, dat hem door een van Jehovah’s getuigen werd verteld. Deze persoon vond de beslissing Jehovah’s getuigen te deporteren monsterlijk. Hij zei tot de dictator: „Deze mensen zijn geen politieke tegenstanders van ons. Wat doen zij? Zij verwachten Gods koninkrijk. Laat het maar komen! Wij verwachten het ook.” Hierdoor veranderde de dictator van gedachten en beval zijn minister van openbare veiligheid de deportatie af te gelasten. Daarop riep de minister ons allen (ongeveer honderd getuigen) bijeen in een grote zaal op het ministerie, waar hij ons raad gaf en ons vertelde dat wij in vrijheid werden gesteld.

Tijdens de volgende tien jaar had ik veel voorrechten bij het dienen van mijn broeders. Hoewel openbare bijbelse toespraken in de openlucht verboden waren, had ik als gemeenteopziener de gelegenheid in particuliere huizen in Athene voor groepen van personen lezingen over Gods koninkrijk te houden. In een bepaald geval riep een persoon die in het huis woonde waar de lezing gehouden zou worden, de politie. Ik werd met nog enkele andere Getuigen gearresteerd. Tijdens een rechtszitting werd ik veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar.

Deze tijd in de gevangenis was een enigszins nieuwe ervaring in mijn christelijke bediening, maar wat bleek ze waardevol voor mij te zijn! Lichamelijk lijden in drie verschillende gevangenissen, dat wel, maar wat een vreugde des geestes! Hoewel het niet altijd even gemakkelijk was op de cementen vloer in slaap te komen, vond ik toch overdag vaak gelegenheid te prediken. Soms sprak ik tot zoveel gevangenen dat ik net het gevoel had of ik op een „openbare-lezingenveldtocht” was. Bovendien had de „dichter” in mij de gelegenheid te bedenken dat hij Jehovah met versregels kon loven, en tijdens de lange lege uren deed ik dat ook door de pijnen en vreugden van een gevangenisstraf ter wille van Christus onder woorden te brengen. Het vonnis van twee jaar werd echter gereduceerd tot zes maanden, en zodoende was ik weldra terug bij mijn geliefde broeders.

Het leek op een antwoord op een van mijn theocratische smeekbeden:

O Heer, wees niet ver verwijderd,

O Heer, wees niet te laat;

Bevrijd uw dienstknechten door uw machtige arm,

En wij zullen een nieuw lied zingen voor uw naam.

O harp, weerklink, laat uw snaren harmonieus weerklinken!

Want het is wonderbaarlijk!

Deze zes maanden in de gevangenis gaven mij ook nog de gelegenheid mijn kennis van het Engels te vergroten, zodat ik na mijn vrijlating beter toegerust was om op de vertaalafdeling van het bijkantoor van het Genootschap te dienen. Dit voorrecht heb ik de afgelopen negentien jaar gehad. Als ik terugkijk naar het jaar 1920, toen ik Gods waarheid leerde kennen en er nauwelijks meer dan vijftien gelovigen in Griekenland waren, vervult het mij met vreugde te zien dat het aantal Koninkrijksverkondigers in Griekenland nu de elfduizend heeft overschreden! Het geeft mij veel vreugde met mijn vrouw onder hen gerekend te worden.

Jehovah is met zijn volk in Griekenland geweest. Ik voel mij persoonlijk dankbaar jegens Hem en prijs zijn naam voor alles wat Hij voor mij heeft gedaan. Wat er ook nog zal gebeuren, ik ben er zeker van dat Jehovah voor zijn gelovige volk een sterkte en een lied zal blijven.

(Broeder Douras, wiens hoop de „prijs van de roeping naar boven” was, waarnaar in Filippenzen 3:14 wordt verwezen, bleef getrouw in de bediening op het Bethelhuis te Athene tot zijn dood op 15 oktober 1965, kort nadat hij van een gemeentevergadering was thuisgekomen. Evenals in het geval van anderen die tot het hemelse koninkrijk geroepen zijn en die hun aardse loopbaan in getrouwheid beëindigden, ’gaan de dingen die zij gedaan hebben, tegelijk met hen’. — Openb. 14:13.)

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen