Verzet tegen het nieuwe
Vooral gedurende de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw verzetten degenen die van mening waren dat een nieuwe uitvinding hun zaak of beroep in gevaar bracht, zich er hevig tegen. Indien wetten het nieuwe niet konden keren, namen de tegenstanders hun toevlucht tot rechtstreekse, gewelddadige maatregelen, waarvan L. Sprague de Camp in The Heroic Age of American Invention een beschrijving geeft: „In de twintiger jaren van de zeventiende eeuw vernielden kolenbranders de steenkool-hoogoven van Dudley. Toen de Franse natuurkundige Denis Papin kort na 1690 een begin maakte met de bouw van een boot welke werd aangedreven door middel van schepraderen, werd deze door een troep Rijnsoldaten vernield, terwijl zij Papin zouden hebben gelyncht indien zij hem in handen hadden gekregen. In de twintiger jaren van de negentiende eeuw havenden Schotse letterzetters in het geheim de stereotiepplaten die door Gobert Gad waren uitgevonden en ruïneerden hiermee de uitvinder.
In de zeventiende en de achttiende eeuw trachtten enkele Engelsen door waterkracht aangedreven houtzagerijen, die al sinds de Romeinse tijd op het vasteland van Europa bekend waren, te bouwen. Benden handzagers die bang waren dat hun geweldige spieren in onbruik zouden raken, vernielden de zagerijen. In dezelfde periode ruïneerden andere benden Hargreaves’ spinmachines en Thimonniers naaimachines. Kapiteins van zeilschepen ramden Fultons stoomboten in de hoop hem te ruïneren. De machinisten van stoomlocomotieven saboteerden het gebruik van de elektrische locomotief die in 1838 door de Schot Robert Davidson was uitgevonden. Charles Welch, een uitvinder die tegen het eind van de negentiende eeuw een machine voor het delven van kolen had uitgevonden, moest met een geweer de wacht houden bij zijn machines om te voorkomen dat mijnwerkers ze kapot zouden maken.” Zelfs in de twintigste eeuw zijn stakingen die ten doel hebben de automatisering tegen te gaan, niets ongewoons.