Vragen van lezers
● Op bladzijde 55 van het boek „Uw naam worde geheiligd” staat de volgende verklaring: „Terwijl Henoch in een toestand van geestvervoering was, kreeg hij een visioen van de komende nieuwe wereld, waarin ’geen dood meer zal zijn’, en gedurende dit visioen brak God Henochs leven af en bracht hij zijn dode lichaam over naar een plaats waar religieuze vijanden het niet konden vinden.” Welke schriftuurlijke basis is er voor deze verklaring? — M. Y., V.S.
Henoch maakte vrijmoedig de oordelen bekend die Jehovah aan de goddeloze mensen in zijn tijd zou voltrekken. „Ja, over hen heeft ook de zevende in rechte lijn afstammend van Adam, Henoch, geprofeteerd, toen hij zei: ’Zie! Jehovah is met zijn heilige myriaden gekomen om aan allen het oordeel te voltrekken en om alle goddelozen schuldig te verklaren betreffende al hun goddeloze daden die zij op goddeloze wijze bedreven hebben, en betreffende alle ergerlijke dingen die goddeloze zondaars tegen hem hebben gesproken’” (Jud. 14, 15, NW). Zij die zich tegen God keren, haten ook zijn dienstknechten en vervolgen hen. Daar deze goddelozen de bekendmaking van Jehovah’s oordelen als een vervloeking in de oren klinkt, proberen zij de hand te slaan aan degenen die deze oordelen bekendmaken. Een dergelijke vervolging is niet pas later voor het eerst voorgekomen. Volgens Jezus is deze in de tijd van Abel, de zoon van Adam, al begonnen (Matth. 23:34, 35, NW). In het geval van Henoch heeft Jehovah God echter niet toegelaten dat zijn religieuze vijanden hem ombrachten. In Genesis 5:24 (NW) staat hierover: „Henoch bleef met de ware God wandelen. Toen was hij niet meer, want God nam hem weg.” Klaarblijkelijk was zelfs zijn lichaam nergens te vinden; het werd niet achtergelaten om door zijn religieuze vijanden te worden mishandeld. „God nam hem weg.” Waarschijnlijk heeft God in zijn geval zijn lichaam verborgen, net als is gebeurd met het lichaam van Mozes, waarover Michaël een geschil had met Satan. — Deut. 34:5, 6; Jud. 9, NW.
Dat Henochs leven werd afgebroken terwijl hij een visioen had, is gebaseerd op Paulus’ opmerking in Hebreeën 11:5 (NW), die luidt: „Door geloof werd Henoch overgebracht, opdat hij de dood niet zou zien, en hij was nergens te vinden, omdat God hem had overgebracht; want vóór zijn overbrenging had hij het getuigenis dat hij God welgevallig was geweest.” Dat deze woorden niet betekenen dat Henoch naar de hemel werd gevoerd, iets wat men in de christenheid algemeen aanneemt, blijkt duidelijk uit de volgende schriftuurplaatsen:
In Matthéüs 11:11 (NW) staan Jezus’ woorden opgetekend dat er niemand was opgestaan die groter was dan Johannes de Doper, en dat toch een mindere in het koninkrijk der hemelen groter zou zijn dan Johannes, wat erop duidt dat Johannes niet in de hemel zou komen. Indien dit niet van Johannes gezegd kon worden, dan zeker niet van Henoch. Bovendien lezen wij in Johannes 3:13 (NW) Jezus’ voor zichzelf sprekende woorden dat tot op zijn tijd ’geen mens tot in de hemel was opgestegen’, zelfs Henoch niet. Pas door middel van Jezus’ dood werd een nieuwe en levende weg die naar de hemel voerde, geopend. Jezus is „in alle dingen de eerste” geworden, ook wat de toegang tot de hemel betreft. — Kol. 1:18; Hebr. 10:20, NW.
Bovendien spreekt de apostel Paulus in hoofdstuk 11 van Hebreeën over getrouwen als Henoch, Noach en Abraham. In 11 de verzen negenendertig en veertig van dit hoofdstuk stelt Paulus de mannen des geloofs die vóór de christelijke gemeente hadden geleefd, tegenover degenen die, zoals hijzelf, er deel van uitmaakten: „Toch hebben al dezen, ofschoon er door hun geloof ten aanzien van hen getuigenis werd afgelegd, de vervulling van de belofte niet verkregen, daar God iets beters voor ons voorzag, opdat zij afgescheiden van ons niet tot volmaaktheid gebracht zouden worden.” Met andere woorden, pas wanneer de leden van de christelijke gemeente hun beloning ontvangen, zullen deze getrouwe mannen uit de oudheid hun beloning deelachtig worden.
Wij kunnen dus niet concluderen dat met de woorden dat Henoch werd overgebracht, wordt bedoeld dat hij naar de hemel werd gevoerd. Waarop doelen deze woorden dan wél? Klaarblijkelijk is in Henochs geval de dood anders gekomen dan voor de rest van de mensheid; om die reden staat er geschreven dat hij werd „overgebracht, opdat hij de dood niet zou zien”.
Het Griekse woord in Hebreeën 11:5 (NW) dat in de Nieuwe-Wereldvertaling van de Christelijke Griekse Geschriften met „overgebracht” is weergegeven, betekent „overbrengen”, „verplaatsen” of „de plaats veranderen van”. Waarschijnlijk werpt de ervaring van de apostel Paulus licht op deze zaak, want hij werd naar de derde hemel overgebracht of weggerukt; of dit in het lichaam of afgescheiden van het lichaam gebeurde, kon hij niet zeggen. In deze toestand ontving hij een visioen van het toekomstige geestelijke paradijs der christelijke gemeente (2 Kor. 12:1-4, NW). Klaarblijkelijk heeft God Henoch in een soortgelijke toestand van geestvervoering of extase, terwijl hij een visioen had van het aards paradijs (Henoch wist niets van een geestelijk paradijs), weggenomen of in slaap gebracht. Hij heeft de dood niet gezien in die zin, dat hij zijn eigen dood niet heeft zien naderen, en Henoch heeft dus ook geen smarten des doods gekend. In Henochs geval zal de opstanding een overgang betekenen van zijn visioen naar de werkelijkheid van het leven in de nieuwe ordening, dat hij mocht zien.