Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w65 15/3 blz. 188-190
  • Ik wilde ’met God wandelen’

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Ik wilde ’met God wandelen’
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1965
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • IK VERNEEM HOE IK ’MET GOD KAN WANDELEN’
  • NAAR NOORWEGEN
  • DE NAZI’S VERBIEDEN HET WERK
  • Dankbaar voor een lang leven in Jehovah’s dienst
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1997
  • Veel wat tot dankbaarheid stemt
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1962
  • Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1989
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1989
  • De pioniersdienst bezielde mijn leven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1986
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1965
w65 15/3 blz. 188-190

Ik wilde ’met God wandelen’

ZOALS VERTELD DOOR E. ÖMAN

IK WERD ruim vierentachtig jaar geleden in Noord-Zweden, dicht bij de Finse grens, geboren. De afgelopen zestig jaar heb ik als een opgedragen christen geleefd, en nu zie ik als een oude man met wit haar vol vreugde terug op drieënvijftig jaren van volle-tijddienst in de bediening van Jehovah God.

Ik kan mij nog herinneren hoe ik bij mijn moeder op schoot zat en zij mij over God en zijn macht onderwees. Toen ik dertien jaar was, werd mijn dorst naar kennis gewekt, en begon ik veel te lezen. De genietingen van de wereld schenen mij leeg toe. Als jongeman maakte het veel indruk op mij in de bijbel te lezen dat ’Henoch met God wandelde’. Ik wilde hetzelfde doen.

Zo gebeurde het dat toen ik tweeëntwintig was en op een avond met een heldere sterrenhemel buiten ons huis stond en de melkweg zag, ik mij aan de Maker van dit schitterende, ontzagwekkende universum opdroeg. Dit was echter een paar jaar voordat ik leerde hoe ik werkelijk ’met God kon wandelen’.

Toen ik vierentwintig was, studeerde ik aan een middelbare school in het noordelijke deel van Zweden. In dezelfde plaats bevond zich een landbouwschool, en het hoofd hiervan was ook hoofd van de school die ik bezocht. In 1905 werd ik landbouwkundige, hetgeen het schoolhoofd ertoe bracht mij het volgende te zeggen: „Ik wil terug naar Zuid-Zweden. Al verscheidene jaren heb ik gehoopt een leerling te vinden die ik bij zijn verdere studie kon helpen en aan wie ik de leiding over deze twee scholen zou kunnen overdragen. Ik heb die leerling nu gevonden. Jij bent het Öman. Ik zal je wat tijd geven om dit te overdenken, en dan hoor ik graag je antwoord.”

Ik nam deze kwestie ernstig in overweging, daar ik bij mijzelf besloten had ’met God te wandelen’. Na God om leiding gebeden te hebben en drie dagen lang over deze aangelegenheid nagedacht te hebben, stond mijn besluit vast. Ik vertelde het schoolhoofd dat ik als boer terug wilde naar mijn huis. Vol teleurstelling boog hij het hoofd, maar zei toch: „Öman, ik heb het volste respect voor je en ik geloof dat ik je goede beweegreden begrijp. Ik wens je de grootste zegeningen.”

Daar ik een eigen huis wilde hebben, bouwde ik dicht bij de boerderij van mijn vader zelf een boerderij. Dit nam zes jaar in beslag, daar ik het werk alleen deed. Gedurende die jaren verzuimde ik het echter niet om de bijbel de bestuderen. Dikwijls onderzocht ik Gods Woord, evenals religieuze boeken, in de hoop de waarheid te vinden over de juiste manier om ’met God te wandelen’. De leerstelling van de eeuwige pijniging had mij veel verdriet gedaan. Wanneer ik godsdienstige leiders hierover vragen stelde, gaven zij mij niet een bevredigend antwoord. Zij zeiden: „Enok, je bent nog jong. Je moet niet over dergelijke dingen denken.”

IK VERNEEM HOE IK ’MET GOD KAN WANDELEN’

In 1911 bracht een jonge pionier of volle-tijd-prediker van Jehovah’s getuigen, August Abrahamson, mij de boodschap van Gods waarheid, en ik nam het eerste deel van de Schriftstudiën, „Het goddelijke plan der eeuwen”. Ik las het boek en begreep dat de tijd waarover Daniël had gesproken, was aangebroken. Het boek hielp mij het bedrog van de leer der eeuwige pijniging in te zien. Nadat ik dit eerste deel had bestudeerd, besloot ik ’met God te wandelen’ door al mijn tijd te besteden aan het verbreiden van de kennis van God en zijn koninkrijk onder de mensen; ik wilde pionier worden.

Van het toen in Örebro gevestigde bijkantoor van de Watch Tower Bible and Tract Society ontving ik nog de andere vijf delen en ik abonneerde mij op De Wachttoren in het Zweeds. Bovendien kreeg ik het adres van broeder Abrahamson. Op de fiets legde ik de afstand van honderdtwintig kilometer naar zijn huis af. Zijn vrouw en vier andere vrienden waren aanwezig toen ik in september 1911 in de rivier de Lule werd gedoopt.

Ik sprak met mijn ouders over het glorierijke waarheidslicht dat ik had gevonden. Zowel mijn vader als mijn moeder waren zeer verheugd er over te vernemen, en mijn vader zei: „Het moet zijn zoals jij zegt; een God van liefde moet zo zijn.” Ik zei tegen hem: „Van nu af aan zal ik al mijn tijd eraan geven om als pionier voor zijn koninkrijk ’met God te wandelen’. U kunt uw boerderij verkopen en in mijn nieuwe huis gaan wonen; ik geef dit aan u en aan mijn lieve moeder.”

Toen ik als pionier vertrok, stonden mijn ouders met tranen in hun ogen op de veranda, en zei mijn vader: „Ik weet dat jij de Heer dient en moge hij je zegenen.”

In de zes jaren die hierop volgden, trok ik door noordelijk Zweden en een deel van Noord-Finland. In één nacht legde ik skiënd een afstand van vijfentachtig kilometer af, en een andere keer liet ik in één dag per loopslee (sparkstötting) bijna zevenentachtig kilometer achter mij. ’s Zomers op de fiets en ’s winters op ski’s trok ik met mijn tas vol bijbelse lectuur naar de gezinnen die heel geïsoleerd in de bergen woonden. In de regel wist ik niet waar ik de komende nacht zou slapen, maar het ontbrak mij nooit aan een bed. Ik verspreidde veel bijbelse lectuur onder de mensen. Al de vriendelijke en gastvrije mensen die ik ontmoette en de vele ervaringen die ik opdeed, vertegenwoordigen in mijn leven zeer dierbare en vreugdevolle herinneringen.

Het was geloof ik in 1915 dat ik in een plaatsje kwam dat Bergsjö heette. Ik zocht een kamer voor de nacht. Hoewel er vele huizen waren, koos ik om de een of andere reden een bepaald huis uit. Toen ik de vrouw des huizes iets over mijn predikingswerk vertelde, antwoordde zij meteen: „Mijn man en ik zijn in de waarheid, en wij zijn heel blij je te zien; wij zouden het prettig vinden als je zolang je hier bent bij ons bleef.” Deze twee vrienden, broeder en zuster Brodin, verheugden zich erover dat ik acht boeken en wat brochures in hun omgeving mocht verspreiden. De tijd die ik bij hen doorbracht, was inderdaad zeer gezegend. Vele jaren later, in 1955, kwam er op een congres in Stockholm een broeder naar mij toe die zei: „Ik ben een geadopteerde zoon van je oude vrienden, de familie Brodin. Ik was vier jaar toen je in Bergsjö werkte, en ik herinner mij nog dat je mij vertelde dat ik een getuige voor Gods waarheid moest zijn. Ik heb je woorden nooit vergeten.”

Gedurende de jaren 1914 en 1915 bracht ik enige tijd door op het Zweedse bijkantoor van de Watch Tower Society. In september 1914 begonnen wij in Zweden het „Photo-Drama der Schepping”, een film waarin Gods voornemen met de aarde en de mensheid werd uitgebeeld, te draaien. Van die tijd tot mei 1915 bezochten vele duizenden mensen de gratis voorstellingen. Deze bijeenkomsten riepen zeer veel belangstelling voor de bijbel en het werk van Jehovah’s getuigen wakker.

NAAR NOORWEGEN

In de winter van 1916 op 1917 werkte ik enige tijd op het bureau van het Genootschap in Örebro en vandaar ging ik naar Oslo om als bijkantoordienaar dienst te verrichten. Het was de zevende februari 1917, en ik dacht: „Ik ken wel andere broeders die bekwamer zijn dan ik.” Maar Hebreeën 10:38 (NW) hielp mij: „Indien hij terugdeinst, heeft mijn ziel geen behagen in hem.”

Verscheidene jaren lang hield het Zweedse bijkantoor toezicht op het werk in Noorwegen, maar in 1921 ontving ik een brief van de president van het Genootschap, broeder Rutherford, waarin hij mij vertelde, dat ik rechtstreeks onder de instructies van het bureau van de president werkzaam zou zijn.

In 1922 werd ik Noors staatsburger en in dat jaar trouwde ik tevens met zuster Maria Dreyer. Maria had de waarheid net als ik in 1911 leren kennen. In 1944 stierf zij op eenenzeventigjarige leeftijd met de hoop op „de prijs van de roeping naar boven, die God door bemiddeling van Christus Jezus doet toekomen”. — Fil. 3:14, NW.

DE NAZI’S VERBIEDEN HET WERK

In Noorwegen breidde het Koninkrijkswerk zich uit, en in 1940 waren er zeven van ons werkzaam op het bijkantoor. Een paar dagen nadat de Duitsers Noorwegen hadden bezet, namen zij mij gevangen. Nadat ik enige tijd in de gevangenis had doorgebracht, kreeg ik toestemming naar huis terug te keren, maar vaak werd ik weer opgehaald en moest ik hun vele vragen beantwoorden. Op 8 juli 1941 verboden de nazi’s ons werk, en confisqueerden zij alle eigendommen van het Genootschap. Alleen mijn vrouw en ik mochten in het huis blijven wonen; de vijf andere bewoners moesten het verlaten. Onder zeer moeilijke omstandigheden hielden wij in het huis verblijf. Na korte tijd kwamen er ook Noorse nazi’s naar het huis en werd ik weer vele malen ondervraagd. Gedurende de vijf bezettingsjaren riepen de Duitsers en de Noorse nazi’s mij meer dan honderd maal op hun bureau. Elke keer dat ik mijn documenten nam en het huis verliet, voelden mijn vrouw en ik dat het wel eens voor het laatst zou kunnen zijn, want duizenden Noren werden naar concentratiekampen in Duitsland weggevoerd of in Noorwegen vermoord.

In de oorlog werkten wij „ondergronds”. Op vele wonderbaarlijke manieren kregen wij De Wachttoren uit Denemarken en Zweden toegezonden, waarna de Getuigen in Noorwegen afschriften maakten zodat iedereen het geestelijke voedsel kon ontvangen. Al die tijd bleef ik met de broeders in contact staan; zij schreven mij, maar niet rechtstreeks, daar de Gestapo mij voortdurend in het oog hield.

De ervaringen uit de oorlogsjaren hadden veel van mijn lichamelijke kracht geëist, en ik dacht dat het beter voor het Koninkrijkswerk zou zijn wanneer een jongere broeder mijn plaats zou gaan innemen. Toen de president van het Genootschap, N. H. Knorr, ons echter in de laatste dagen van 1945 in Oslo bezocht, zei hij mij dat ik zo lang ik wilde hier op Bethel kon blijven. Een andere broeder werd als bijkantoordienaar aangesteld.

In de oorlogsjaren kwam er een zuster Haldis naar Bethel om mijn vrouw en mij te helpen. Zij was een zeer goede helpster en zorgde voor het Bethelhuis en tevens voor mijn zieke vrouw totdat ze gestorven was. Jaren later, in 1953, vroeg ik zuster Haldis of zij mijn vrouw zou willen worden, en toen wij trouwden, verhuisden wij naar een particuliere woning en bleven van daar uit ons werk voor Gods koninkrijk ten uitvoer brengen. Ik werd pionier en Haldis werkte als verpleegster en bovendien veel in de Koninkrijksbediening.

Ik ben nog steeds pionier. Het is een heel kostbaar voorrecht in de pioniersdienst werkzaam te zijn, en het schenkt mij ook veel vreugde de vergaderingen in de gemeente te bezoeken; ik voel het als een groot verlies als ik er niet kan zijn. Het was werkelijk een groots voorrecht voor mij in 1963 het ’Eeuwige goede nieuws’-congres van Jehovah’s getuigen in Stockholm te bezoeken. Op vierentachtigjarige leeftijd kan ik met vreugde en dankbaarheid terugzien in het besef dat mijn oprechte verlangen om ’met God te wandelen’ in vervulling is gegaan doordat ik de belangen van zijn glorierijke koninkrijk heb gediend.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen