Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w64 1/10 blz. 594-597
  • Uit de duisternis tot het licht

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Uit de duisternis tot het licht
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1964
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • DE WAARHEID BEGINT TOT MIJ DOOR TE DRINGEN
  • EEN BEZORGDE MOEDER TRACHT TUSSENBEIDE TE KOMEN
  • BETHELDIENST EN CONGRESSEN
  • In Jehovah’s dienst voorwaarts gaan
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1967
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1959
  • Vol waardering voor de dienst van de „getrouwe en beleidvolle slaaf”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1974
  • Liefde voor waarheid
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1962
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1964
w64 1/10 blz. 594-597

Uit de duisternis tot het licht

Zoals verteld door W. Kuhn

’UIT de duisternis geroepen tot zijn wonderbaarlijke licht!’ Die woorden van een apostel van Jezus Christus in 1 Petrus 2:9 (NW) hebben voor mij een diepe betekenis. Het was echter geen kleinigheid om uit de duisternis van dit samenstel van dingen tot het waarheidslicht uit Gods Woord te komen.

Vóór de eeuwwisseling geboren, had ik in een dorpje in de oosthoek van Bohemen een betrekkelijk gelukkige jeugd. Toen ik nog geen vijf jaar oud was, stierf mijn vader. Reeds heel vroeg in mijn jongensjaren trachtte ik diep na te denken over dingen die met geloof in God in verband stonden.

Om die reden bezocht ik dikwijls een bedevaartplaats waar ik heerlijk kon mediteren. Ik zag dingen die mij tot nadenken stemden: er hingen oude krukken, brillen en soortgelijke dingen welke van mensen waren geweest die, volgens zeggen, plotseling op wonderbaarlijke wijze waren genezen. „Moeder, kan iemand in deze tijd zo snel worden genezen?” vroeg ik op een keer. „Vermoedelijk wel”, kwam haar aarzelende antwoord, maar zij kon mij geen bepaald geval noemen. Mijn aandacht werd ook vaak getrokken door de processies die van heinde en ver naar deze bedevaartplaats kwamen; degenen die hiervan deel uitmaakten, baden luid de rozenkrans of een litanie en hadden soms een beeld van Maria bij zich dat op een houten platform was bevestigd en door vier mannen op de schouders werd gedragen.

Mijn moeder nam mij echter ook mee naar bedevaartplaatsen die veel verder van huis lagen. Het trok mijn aandacht, dat de beelden van Jezus en de apostelen heel andere kleding te zien gaven dan de bisschoppen en pausen met hun rijke gewaden. Eerstgenoemden waren altijd gekleed als het gewone volk. Waarom was Jezus nooit in schitterende priestergewaden te zien? Zeer beslist zouden bovenal hij en tevens zijn apostelen, die slechts gewone kleren droegen, zulk een prachtige kledij hebben verdiend, zo dacht ik bij mijzelf. En hoe was deze opzienbare verandering in kleding dan tot stand gekomen? Ik kwam niet verder met mijn overpeinzingen; ik scheen de „sleutel” tot de oplossing niet te kunnen vinden. Toentertijd was ik zelfs niet eens op de hoogte van het bestaan van de bijbel.

Ik was al bijna twaalf jaar, toen de priester op een dag voor het godsdienstuurtje op school een boek in zwarte band meebracht en ons uitlegde, dat dit de Heilige Schrift bevatte en dat er profetieën in stonden. „Gewoon een boek voor de geestelijken”, dacht ik bij mijzelf.

Toen ik, veertien jaar oud, van school kwam, koos ik een beroep waardoor ik iets van de wereld zou kunnen zien. Van Bohemen reisde ik naar het Oostenrijkse Tirol, en een jaar later, in 1914, naar Zwitserland. Dat jaar leerde ik tegen het eind van de zomer Jehovah’s getuigen kennen, en, door bemiddeling van hen, de bijbel.

DE WAARHEID BEGINT TOT MIJ DOOR TE DRINGEN

Toen ik in Zwitserland arriveerde, zag ik in de Anzeiger für die Stadt Bern, een blad dat in Bern bij ieder huisgezin wordt bezorgd, het opschrift „Kerkdiensten”, met daaronder het grote aantal religieuze bijeenkomsten van allerlei richtingen dat men kon bezoeken. Ik ging naar verschillende toe, maar van wat ik hoorde, kwam ik niet onder de indruk. Toen ik de kolom nog eens bestudeerde, kwam ik bijna onderaan een groepering tegen die „Vereniging van bijbelonderzoekers” werd genoemd. Bijbel? Had ik dat woord niet al eens eerder gehoord? Ja, toen die keer op school! „Wat is dat eigenlijk voor een boek, de bijbel?” vroeg ik mij af. „Dat moet ik eens uitzoeken.” Daarom bezocht ik de vergaderingen van de „Bijbelonderzoekers”; ik deed dit eenmaal, tweemaal en bleef ernaartoe gaan. Wat ik daar hoorde, bracht mij in de opperste verbazing. De bijbel is Gods Woord, het boek waarin God zijn voornemen aan de mens openbaart!

Ik kan haast geen woorden vinden voor het innige geluk dat in mijn hart opwelde toen ik voor de eerste maal een exemplaar van de bijbel, die ik had gekocht, in mijn hand hield. De inhoud ervan nam mij volledig in beslag. De eerste Wereldoorlog was rond de grenzen van dit land losgebarsten, en de „Bijbelonderzoekers”, zoals Jehovah’s getuigen toen werden genoemd, toonden mij in hun boeken, dat de gebeurtenissen van dat ogenblik op het begin van de tijd van het einde van het goddeloze samenstel van dingen wezen. De chronologische bewijzen welke er in de publikaties werden aangevoerd, fascineerden mij. „Is het werkelijk mogelijk dat iemand dergelijke gebeurtenissen door middel van de bijbel kan voorzien?” peinsde ik. De bewijzen hiervoor hield ik nu juist in mijn hand. „Hier kan ik nog meer over deze grote God vernemen”, dacht ik, en ik had het niet bij het verkeerde eind. Ik viel van de ene verbazing in de andere. Zo vernam ik dat God een persoonlijke naam heeft, namelijk Jehovah, een naam die ik nog nooit eerder had gehoord. Dit was allemaal zo nieuw en het maakte een geweldige indruk op mij.

In die eerste paar maanden nadat ik met deze bijbelse waarheden in aanraking was gekomen, moest ik mij uitermate inspannen om mij aan mijn geestelijke duisternis te ontworstelen en tot een duidelijke en vaste overtuiging te komen. Ik was ’s zondags naar de kerk blijven gaan, zoals mijn moeder mij geleerd had, maar wanneer de priester de mis las, haalde ik de bijbel uit mijn zak en las ik hierin, in plaats van in het gebedenboek. Ik was mij er echter wel van bewust dat dit niet eindeloos zo kon voortgaan. Nadat ik de hele situatie zorgvuldig had overwogen, nam ik het besluit uit de duisternis tot het licht van Gods Woord, de bijbel, te komen.

EEN BEZORGDE MOEDER TRACHT TUSSENBEIDE TE KOMEN

Het lag alleen maar voor de hand, dat ik niet over al de schitterende waarheden die ik had leren kennen, kon blijven zwijgen. Vol vreugde schreef ik mijn moeder over deze bijbelse waarheden, maar zij deelde mijn enthousiasme niet. Integendeel, zij was diep verontrust. „Je bent regelrecht op weg naar de hel”, schreef zij mij terug. Toen zij echter zag dat haar waarschuwingen en dreigementen mij niet naar de kerk konden terugvoeren, schreef zij naar de parochie-autoriteiten in Bern met het verzoek mij onder hun hoede te nemen. Een van de priesters vroeg mij hem te bezoeken, en bij drie gelegenheden kon ik een lang gesprek met hem hebben. „Wat heb je tegen de kerk dat je deze wilt verlaten?” werd mij gevraagd. „De kerk leert niet wat Gods Woord zegt”, antwoordde ik, en haalde als voorbeeld de leerstelling van de onsterfelijke ziel aan. Bij al deze discussies kon de priester mij er niet van overtuigen dat deze leerstelling waar was. Hierdoor zag ik het waarheidslicht van Gods Woord, zoals dit naar voren treedt uit Ezechiël 18:4, waar staat: „De ziel die zondigt, die zal sterven”, zelfs nog duidelijker. Overtuigd dat de mens geen onsterfelijke ziel heeft, zag ik alle andere leerstellingen, zoals eeuwige pijniging, vagevuur, gebeden voor de doden, enzovoorts, als een kaartenhuis in elkaar vallen. Ik liet mij door de kerk als lidmaat uitschrijven.

Toen mijn moeder merkte, dat de parochiële autoriteiten mij er niet toe hadden kunnen bewegen „terug te keren”, schreef zij mij dat het haar minder verdriet zou hebben gedaan wanneer ik in de oorlog was gesneuveld, dan dat ik tot een andere godsdienst overging. In een andere brief stuurde zij mij een foto van zichzelf waarop zij haar eigen gezicht met inkt onzichtbaar had gemaakt, waarmee zij te kennen wilde geven: Ik schaam mij voor je; ik kan het haast niet meer verdragen je te zien! Dat zij dit werkelijk meende, toonde zij mij later. In 1928 maakten wij een afspraak elkaar voor het eerst sinds ik vijftien jaar tevoren bij haar was weggegaan, in Oostenrijk te ontmoeten. Toen ik de kamer binnenkwam, merkte ik dat zij zich vlug achter een meubelstuk verborg. Ik groette eerst de andere personen in het vertrek en praatte wat met hen over de reis, terwijl ik rustig wachtte tot zij uit haar schuilplaats te voorschijn kwam. Later haalde ik haar voor twee weken naar Zwitserland. Wij hadden vele interessante gesprekken. Het was echter opmerkelijk dat wanneer ik zei: „Voor mij telt alleen maar wat de Heilige Schrift zegt”, zij er het zwijgen toe deed.

Daar mijn moeder niet tegen de waarheid van Gods Woord opkon, nam zij haar toevlucht tot haar laatste wapen: Tranen! Niet zelden gingen haar woorden vergezeld van een tranenvloed. Dat was niet altijd een prettig gezicht, maar ik kon mijn liefde voor Gods Woord niet door tranen laten wegspoelen en het schitterende waarheidslicht voor mij laten verduisteren. Na weer zo’n hooglopend gesprek zei zij, beseffend dat al haar pogingen mij van mijn op de bijbel gebaseerde geloof af te keren, vruchteloos waren geweest, met door tranen verstikte stem: „Och arme! Had ik je maar niet op de wereld gebracht!” „Je bent zo hard als een steen”, was het laatste wat zij zei, en vanaf die dag huilde zij niet meer.

BETHELDIENST EN CONGRESSEN

Nu ik tot Gods wonderbaarlijke waarheidslicht was geroepen, beschouwde ik de volle-tijd-prediking van Gods koninkrijk als mijn nieuwe levensdoel. Ik bood mijzelf voor deze dienst aan. „Je zou wel op het Bijbelhuis kunnen komen, want wij hebben genoeg werk voor je”, kreeg ik te horen. Er was al een bijkantoor van de Watch Tower Society in Bern, toentertijd het „Bijbelhuis” genoemd. En zo werd ik een lid van deze instelling, waar ik een linotypemachine leerde bedienen.

In 1935 smaakte ik de vreugde samen met verscheidene andere broeders een reis naar Amerika te kunnen maken voor een bezoek aan een congres in Washington, D.C. Nog nooit had ik zo’n geweldige menigte waarheidlievende mensen bij elkaar gezien als toen in Washington, waar er 9000 bijeen waren. Ik had het voorrecht de opzienbarende bekendmaking te horen, dat de „grote schare”, waarvan in Openbaring 7:9-17 wordt gesproken, niet een hemelse klasse van het tweede plan is, maar een aardse klasse van getrouwe mensen die onder Gods koninkrijk op aarde zullen leven. Deze „nieuwe waarheid” deed mij denken aan een gebeurtenis tien jaar geleden. Een man die zichzelf ook tot Jehovah’s getuigen rekende, had soortgelijke, op eigen overwegingen gebaseerde gedachten tot uitdrukking gebracht en was zijn denkbeelden gaan verbreiden. Waar was hij nu echter? Hij was in vergetelheid geraakt. Dit leerde mij, dat zelfs wanneer men denkt dat men een bepaald onderwerp beter begrijpt dan Gods organisatie het op dat ogenblik onderwijst, men niet aanmatigend op de organisatie moet vooruitlopen.

In 1953 werd het mij weer mogelijk gemaakt een congres in het Yankee Stadion te New York bij te wonen. Dergelijke grote vergaderingen bewijzen volgens mij dat Jehovah’s goedkeuring op zijn volk rust. Ze laten sterk in het oog springen wat een schitterende organisatie van licht Jehovah op aarde bezit, een organisatie die geestelijk ’voedsel te rechter tijd’ uitdeelt. — Matth. 24:45, NW.

Een leven van dienst op een Bethelhuis, waar zulk ’voedsel te rechter tijd’ wordt klaargemaakt en verstrekt, vormt zeer beslist een gezegend voorrecht, want het schenkt een voldoening welke geen enkel werelds beroep kan geven. Het is een voldoening die gepaard gaat met het besef, dat men in overeenstemming met Gods wil werkzaam is geweest. Ik dank de grote God Jehovah dat hij mij uit de geestelijke duisternis tot zijn wonderbaarlijke licht heeft geroepen.

(Ondanks het feit dat de gezondheid van broeder Kuhn, die zich in de „roeping naar boven” verheugde waarover in Filippenzen 3:14 (NW) wordt gesproken, in later jaren hard was achteruitgegaan, heeft hij tot zijn dood op 5 oktober 1963 getrouw op het Bethelhuis in Bern dienst verricht.)

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen