Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w64 1/9 blz. 538-541
  • Volharding ondanks tegenstand schenkt vreugde

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Volharding ondanks tegenstand schenkt vreugde
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1964
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • TOT DE BEDIENING GEROEPEN
  • TEGENSTAND
  • VOLHARDING ONDANKS RAMPSPOED
  • Vreugde over de oogst in India
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1990
  • Toegewijd aan Jehovah en de bediening
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1965
  • Jehovah’s onverdiende goedheid blijkt voldoende te zijn
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1968
  • „Blijft zoeken, en gij zult vinden”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1972
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1964
w64 1/9 blz. 538-541

Volharding ondanks tegenstand schenkt vreugde

Zoals verteld door A. J. Joseph

TOEN Jezus zijn discipelen uitzond om te prediken, vertelde hij hun, tegenstand te verwachten. Hij zei hun ook, dat de heilige geest hen zou helpen deze tegenstand te overwinnen en dat zij zelfs reden hadden om zich te verheugen wanneer zij vervolgd werden. — Matth. 5:10-12, NW.

Gedurende de vijftig jaar dat ik in India dienst voor God verricht, heb ik een dergelijke tegenstand ondervonden. Ik heb ook de hulp van Jehovah’s heilige geest ervaren. Bovendien heb ik mij dikwijls, zelfs wanneer ik werd vervolgd, kunnen verheugen, waarbij de wetenschap dat ik juist had gehandeld en God net als de profeten van vroeger had behaagd, mij tevreden stemde.

TOT DE BEDIENING GEROEPEN

In 1905 kwam ik in aanraking met lectuur die door de Watch Tower Society was gepubliceerd. Ik woonde toen bij mijn ouders in Travancore, een provincie in de staat Kerala in zuid-India.

Het vermoeden was in mij opgekomen, dat sommige leerstellingen en gebruiken van de Kerk van Engeland, waar mijn ouders lid van waren, niet schriftuurlijk genoemd konden worden. Noch mijn ouders, noch mijn religieuze vrienden konden enig licht op mijn vragen werpen. Mijn vader raadde mij aan naar een man te schrijven die in zuid-India aan het hoofd van een kerkelijke organisatie stond en hem te vragen of hij ook boeken had welke de door mij in twijfel getrokken drieëenheidsleer verklaarden. Ik deed dit. En wat stuurde deze man mij? Wel, het vijfde deel van de Studies in the Scriptures, een Engelse publikatie van de Watch Tower Society; de titel was: „De verzoening tussen God en de mens”. In dit boek las ik voor het eerst de waarheid betreffende Jehovah’s opperheerschappij, de verhouding tussen God en Jezus Christus, en de betekenis van de heilige geest. Het duurde niet lang of ik schafte mij meer van dergelijke publikaties aan, met inbegrip van het tijdschrift De Wachttoren.

Tegen het eind van 1906 was ik ernstig ziek en zag ik mij genoodzaakt in Cuddapah bij Madras te gaan wonen. Hier was ik in de gelegenheid intensief te studeren, en toen ik van mijn ziekte herstelde, begon ik de Koninkrijksboodschap door middel van traktaten die ik van het hoofdbureau van de Watch Tower Society in Brooklyn had verkregen, te verbreiden. Ik zocht een betrekking om in mijn onderhoud te voorzien, waarna ik een aantal jaren getuigenis gaf aan de „christenen” in dit gebied.

Als een geregelde lezer van het tijdschrift De Wachttoren vernam ik dat de president van de Watch Tower Society, C. T. Russell, in verband met een wereldreis in 1912 India zou bezoeken. Toen hij arriveerde, was ik in de gelegenheid hem te horen spreken. Ik vroeg een persoonlijk onderhoud met hem aan. Ondanks zijn drukke programma trok hij twee uur voor mij uit. Hij nodigde mij uit de prediking van het goede nieuws op volle-tijd-basis te gaan verrichten. Ik bracht hier, net als Jeremia in vroeger tijden, tegen in dat ik voor een dergelijk verantwoordelijk werk nog zeer onervaren was. Hij verzekerde mij dat Jehovah zou helpen en dat hij mij, net als al zijn dienstknechten, kracht zou schenken. Ik aanvaardde het voorrecht.

Per spoor doorkruiste ik zuid-India in alle richtingen, waarbij ik op elk station uitstapte en dan in de omliggende dorpen traktaten verspreidde. Met een ossekar moest ik naar andere dorpen die dieper het land in lagen. Ik liep grote afstanden wanneer er geen berijdbare wegen waren. In gebieden met veel rivieren en kreken maakte ik gebruik van primitieve boerenschuiten om de mensen te bereiken.

Het predikingsveld in India was groot en ik besefte dat er hulp nodig was. Ik vroeg de president van de Watch Tower Society, iemand uit Amerika of Engeland te laten komen om het werk op grotere schaal te organiseren, waarna er een broeder van het Londense bijkantoor werd gezonden, terwijl een ander van Malaka naar India werd overgeplaatst. Het was toen ongeveer midden 1913.

In Travancore, en wel in het bijzonder in het centrale en noordelijke gedeelte van de staat, ging het werk goed vooruit. In praktisch alle „christelijke” centra werden lezingen gehouden waarvoor iedereen werd uitgenodigd. In elke plaats bleven wij een week en belegden dan iedere avond een vergadering. De mensen kregen de gelegenheid vragen te stellen. Soms duurden deze discussies tot laat in de avond. Al gauw werden er voor geregelde bijbelstudie groepjes geïnteresseerde personen gevormd.

Toen de eerste wereldoorlog uitbrak, werden de Engelse broeders naar hun land teruggeroepen en moest ik het werk zo goed mogelijk voortzetten. Ik reisde naar plaatsen waar kleine groepen mensen als gevolg van de openbare lezingen de waarheid hadden aanvaard en leidde bijbelstudiën bij hen. De geweldige vruchten die dit afwierp, vormden een zeer grote aanmoediging voor mij.

TEGENSTAND

Het duurde niet lang of de religieuze leiders van de verschillende „christelijke” groeperingen ontketenden een felle tegenstand tegen ons. Zij veroorzaakten relletjes om roet in het eten te gooien wanneer ik mensen had gevonden die belangstelling toonden. Wanneer Jehovah mij niet door middel van zijn geest had geholpen, had deze zware tegenstand mij er misschien wel toe gebracht er mee op te houden.

Een predikant van de Kerk van Engeland daagde mij uit tot een debat over de leerstelling van de onsterfelijke ziel. Er kwamen 300 mensen naar dit debat luisteren. Hij haalde slechts één schriftuurplaats aan en kon absoluut niet bewijzen dat de mens een onsterfelijke ziel heeft. Doordat ik de Schrift gebruikte, konden de aanwezigen uitmaken hoe men deze leerstelling eigenlijk moet bezien. Na het debat kwamen sommigen naar voren en gaven de wens te kennen meer te vernemen. Dit had tot resultaat dat er in die stad, Thottakkad geheten, een nieuwe gemeente werd opgericht.

Bij een andere gelegenheid leidde ik een openbare vergadering in de stad Pallam ten zuiden van Kottayam. Ik had nog geen vijftien minuten gesproken, of een sterke kerel wierp zich op mij en smeet mij op de grond, waarna hij mij onder tromgeroffel van sommigen in de menigte een eind voortsleepte. Deze vernederende ervaring zette echter geen domper op mijn ijver. Ik kon mij er alleen maar over verheugen dat ik waardig werd gerekend voor Jehovah’s naam deze schande te ondergaan. Een voorbijganger die dit incident had opgemerkt, kwam de volgende dag naar het huis waar ik verbleef en gaf uiting aan zijn grote sympathie; hij nodigde mij tevens uit een volle week op zijn erf openbare vergaderingen te beleggen, met welk doel hij een tijdelijke zaal zou bouwen. Ik nam dit aanbod aan en deze vergaderingen werden goed bezocht door 300 tot 400 personen. Spoedig werd er weer een gemeente opgericht.

Terwijl het werk groeide, nam ook de tegenstand toe, speciaal van de zijde van de religieuze organisaties der christenheid. Tijdens een lezing in de stad Pullad werd ik onderbroken door een zendeling van een van deze sekten. Vriendelijk vroeg ik hem te gaan zitten, maar dit weigerde hij. Hij bracht zijn volgelingen ertoe het tijdelijke onderkomen dat wij voor deze vergadering hadden gebouwd, af te breken, waardoor er een hele beroering ontstond. De volgende dag bouwden wij het zaaltje weer op en kregen wij politiebescherming. De vergaderingen bleven de hele week doorgang vinden.

Op aanstichting van geestelijken volgden er nog verscheidene andere aanvallen. In Kundara huurde ik een zaal om openbare vergaderingen te kunnen houden. Een paar broeders verspreidden strooibiljetten waarop de lezingen werden aangekondigd. Op de vastgestelde tijd begon ik met een van mijn lezingen, maar twintig minuten later stond een vooraanstaande geestelijke van een der kerken recht voor mij van zijn plaats op en gaf zijn medestanders een teken, waarop dezen op lege blikken begonnen te slaan en luid begonnen te schreeuwen. De predikant, een verklaarde „christelijke” leider, stookte zijn onordelijke bende er verder toe aan mij met koeiemest en vuil te bekogelen. Een achtenswaardige, invloedrijke hindoe die zich niet ver van de zaal bevond, kwam op het lawaai af om te zien wat er aan de hand was. Hij vroeg de predikant of Christus christenen een dergelijk voorbeeld had gesteld, of dat hij in zijn tegenstand tegen mij meer de joodse religieuze leiders uit Jezus’ tijd nadeed. De geestelijke kreeg een kleur en bond in, waarna ik mijn lezing vervolgde.

Gezien al deze tegenstand, werd ik zeer aangemoedigd door een brief die ik van de toenmalige president van de Watch Tower Society, J. F. Rutherford, ontving. Hierin kwam de volgende paragraaf voor: „Je kunt steeds meer tegenstand verwachten van hen die de geest van de tegenstander bezitten, want deze ziet dat zijn koninkrijk snel terrein verliest. Alle volgelingen van de grote Koning der koningen worden hierbij aangemoedigd met hernieuwde ijver voorwaarts te gaan nu wij zien hoe zijn Koninkrijk Satans rijk in stukken slaat en spoedig rechtvaardigheid haar intrede zal doen.”

In december 1921 schreef broeder Rutherford mij, regelingen te treffen voor een openbare vergadering in alle gemeenten op een zondagmiddag in het begin van 1922. Elke gemeente moest het onderwerp bespreken: „Millioenen nu levende menschen zullen nimmer sterven.” In bijna elk dorp of elke stad in ons gebied werd deze grootse lezing uitgesproken. Dit grondige getuigenis verbitterde de geestelijkheid nog veel meer, maar het werk bloeide.

VOLHARDING ONDANKS RAMPSPOED

In 1925 werd mijn gezin door een grote ramp getroffen. Drie van mijn kinderen stierven aan een ernstige vorm van dysenterie. Voor mij en mijn vrouw was dit een grote schok, maar wij vonden troost in ons vaste geloof in de opstanding. Jehovah schonk ons kracht, zowel om deze ramp met moed en vastberadenheid te dragen, als om met het werk voort te gaan.

Wat was ik zielsgelukkig dat ik had volhard, toen ik in juli 1926 een brief van het hoofdbureau in Brooklyn ontving met het bericht, dat broeder F. E. Skinner aan India was toegewezen om in Bombay een bijkantoor te openen, en mij werd gevraagd onder leiding van dit bijkantoor mijn werk voort te zetten. Mijn droom was werkelijkheid geworden! Het predikingswerk is, speciaal vanaf dat ogenblik, in India gestadig vooruitgegaan doordat het bijkantoor praktische raad heeft verschaft betreffende de te volgen methoden bij het oprichten van gemeenten en het geven van getuigenis. Jaar na jaar zijn met schapen te vergelijken mensen langzaam maar zeker onder de Voortreffelijke Herder Christus Jezus bijeengebracht, zodat er op het ogenblik in India tweeduizend personen met 74 gemeenten verbonden zijn, allen verenigd in de aanbidding van Jehovah God.

Als ik terugzie op de afgelopen vijftig jaar dat ik Jehovah in India heb gediend, schenkt het mij vreugde, dat de Almachtige God goed voor mij is geweest en mij heeft geholpen al deze tijd ondanks felle tegenstand te volharden. Hoewel mijn lichaam thans door hoge ouderdom zwak is, maakt het mij gelukkig vooruit te zien naar de verdere vervulling van Jehovah’s voornemens.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen