De achterkant van een strooibiljet
OP EEN kringvergadering te Illinois werd door een vrouwelijke getuige van Jehovah de volgende ervaring verteld: „Ik werd in een katholiek gezin geboren en nadat ik reeds verschillende kerken had bezocht, nam ik het uiteindelijke besluit naar geen enkele meer toe te gaan, daar er ’iets ontbrak’. Toen ik enkele jaren geleden op een dag van mijn werk thuiskwam, vond ik een strooibiljet waarop een openbare lezing van Jehovah’s getuigen werd aangekondigd. De titel van de lezing noch de naam Jehovah’s getuigen maakte enige indruk op mij, want ik had nog nooit van hen gehoord; ik wist zelfs niet eens wie Jehovah was! De boodschap op de achterkant van het strooibiljet stelde echter de vraag: ’Hoe goed kent u uw bijbel?’ en dit maakte indruk op mij.
Altijd al had ik de bijbel willen kennen en daarom schreef ik zelfs nog voordat ik het eten ging klaarmaken, een cheque uit en bestelde de New World Translation terwijl ik de bestelling in de brievenbus op de hoek deed. Nadat ik de bijbel had ontvangen, kreeg ik op een zaterdagochtend bezoek van een Getuige. Gedurende ons gesprek merkte ik op dat zij wel het een en ander van de bijbel wist. Ik zei dat ik zou willen dat ik iets meer van de bijbel afwist en zodoende werd dus onmiddellijk een studie opgericht. Nadat zij was weggegaan, hief mijn man zijn handen ten hemel en zei: ’Betrek mij alsjeblieft niet in je gesprekken met die mensen!’ Daar ik niets over ’die mensen’ wist, las ik die nacht bijna het hele boek ’God zij waarachtig’ door. De volgende morgen merkte ik tegenover hem op, dat dit het enige redelijke boek over religie was dat ik ooit had gelezen. Niet lang daarna ging hij meedoen aan onze bijbelstudie.
Intussen kwam mijn moeder te overlijden. Mijn zuster bracht ons een bezoek en zei: ’Studeer toch niet meer met die mensen. Met moeders dood en je bijbelstudie raak je zo verward. Ik kom je wel wat opmonteren en troosten.’ Die avond legde ik haar het boek ’God zij waarachtig’ in handen en de volgende week richtte ik reeds een studie bij haar op; deze vond voortgang totdat zij en ik ons aan Jehovah opdroegen en op dezelfde dag werden gedoopt. Mijn man, die in het begin niets met ’die mensen’ te doen wilde hebben, werd vijftien maanden later gedoopt. Ik dank Jehovah God dat hij iemand heeft gezonden om het Woord des levens te verbreiden — en ik dank tevens de persoon die een strooibiljetje onder onze deur doorschoof toen wij niet thuis waren.”