’Een geringe werd tot duizenden’
zoals verteld door W. R. Brown
IN HET najaar van 1960 verkreeg de Engelse kolonie Nigeria onafhankelijkheid. Bij de voorbereidingen voor deze gebeurtenis sprak dr. Azikiwe, de gouverneur-generaal, tot zijn raad van ministers: „Hoe staat het, nu alle hoofden van religieuze groeperingen zijn uitgenodigd, met het hoofd of de vertegenwoordiger van Jehovah’s getuigen?” Sommigen van de ministers, en ook enkele geestelijken, maakten bezwaar tegen het uitnodigen van een Getuige, en zeiden dat Jehovah’s getuigen, doordat zij zich afzijdig houden van politiek, de regering niet hadden geholpen. Hierop antwoordde dr. Azikiwe, die ik al jaren kende: „Indien alle religieuze groeperingen waren zoals Jehovah’s getuigen, zouden wij geen moorden, diefstallen, misdrijven, gevangenen en atoombommen hebben. Deuren zouden niet dag in dag uit gesloten behoeven te zijn.” Alle ministers van de raad deden er het zwijgen toe. Toen besloot de gouverneur met de woorden: „Nodig mijnheer Brown uit om Jehovah’s getuigen te vertegenwoordigen.”
Dit verklaart waarom mijn vrouw en ik eind 1959 in Trinidad een telegrafische uitnodiging ontvingen om weer een bezoek aan Nigeria te brengen; alle kosten van dit bezoek zouden door de regering worden betaald. Verheugd accepteerden wij de uitnodiging. In september van het volgende jaar kwamen wij na tussenlandingen in New York en Londen, op de lkeja-luchthaven in Nigeria aan, waar wij door een officiële functionaris werden begroet. „Die nieuwe Chevrolet is voor u”, zo zei hij, „en deze brengt u gedurende uw hele verblijf in Nigeria overal waar u maar wilt. Deze man is uw chauffeur.” Wij reden naar de ambtswoning van de gouverneur, waar dr. Azikiwe ons opwachtte. Hij had het zo geregeld dat wij tijdens ons bezoek de persoonlijke slaapkamer van hem en zijn vrouw mochten gebruiken.
Een paar dagen later kwamen enkele hooggeplaatste personen met hun vrouw op bezoek omdat hun een diner was aangeboden. Onder hen bevonden zich de vertegenwoordiger van de koningin, lord Perth, en de ex-gouverneur van Jamaïca en Nigeria, sir Arthur Richards. Dr. Azikiwe bracht ons naar de tafel waar het diner werd geserveerd en waar allen, behalve mijn vrouw en ik, reeds waren gezeten. „Ik ken mijnheer en mevrouw Brown reeds ongeveer dertig jaar”, sprak dr. Azikiwe, „en zij hebben een grote bijdrage geleverd tot de geestelijke opbouw van ons Nigeriaanse volk. Mijnheer Brown, gaat u daarom aan het hoofd van de tafel zitten, en u, mevrouw Brown, aan het andere hoofd.”
Er bestond niet de minste twijfel over, of de gouverneur-generaal van Nigeria had grote waardering voor ons werk als Jehovah’s getuigen. Ik kan mij echter nog wel de tijd herinneren dat ons werk niet alleen in Nigeria, maar ook in de rest van West-Afrika, onbekend was. Dat vormde er voor rechter Rutherford, de president van de Watch Tower Bible and Tract Society, een reden voor om mij en mijn gezinnetje te vragen de eilanden in het Caraïbische gebied te verlaten en de Atlantische Oceaan over te steken met Afrika’s westkust als bestemming. Ik aanvaardde die toewijzing met vreugde.
EERSTE REIS NAAR AFRIKA
In april 1923 arriveerden mijn vrouw, kind en ik te Freetown in Sierra Leone. Wij waren toen niet de gasten van de een of andere regering. In feite wisten wij niet eens precies waar wij zouden kunnen verblijven. Ik vroeg een van de inwoners van de stad: „Zijn hier ook hotels?” Hij antwoordde: „Twee. Het ene is van een blanke man en het andere van een inheemse vrouw. Ziet u dat gebouw met drie verdiepingen daar? Gaat u daar maar naar toe; daar kunt u wel onderdak krijgen.” Dit bleek waar te zijn, want wij konden er een schone, koele kamer huren.
Door middel van advertenties en strooibiljetten gaf ik bekendheid aan een serie lezingen in de „Wilberforce Memorial Hall”. Mijn eerste pakkende onderwerp was: „De geesten in de gevangenis — Wie zijn zij? Waarom zijn zij daar? Hoe Jezus tot hen predikte.” De wakker geschudde stad wilde weten waar die Brown wel vandaan kwam en wat hij had te zeggen. De ruime zaal was tot de nok toe vol en honderden moesten worden teruggestuurd. Ongeveer zes geestelijken in hun opvallende kleding applaudisseerden samen met de andere aanwezigen toen punt na punt werd ontvouwd. De menigte ging voldaan over de verklaring huiswaarts, en u zult zich kunnen voorstellen hoe verheugd ik was. Ook het onderwerp voor de lezing van de volgende zondag bracht hen aan het denken en maakte de tongen los. „Heb je het nieuws al gehoord?” zeiden zij. „Je kunt naar de hel gaan en er ook weer uit terugkeren!”
Ook die zondag was de zaal weer helemaal vol met mensen die luisterden naar de lezing: „Naar de hel en terug — Wie zijn er?” Weer applaudisseerden de toehoorders toen bijbelse argumenten te berde werden gebracht, en de lezing had tot gevolg dat vele vooraanstaande kerklidmaten de kerk de rug toekeerden en zich bij Jehovah’s organisatie aansloten. Zodra geestelijken zagen wat er gebeurde, begonnen zij mij in de kranten in het openbaar aan te vallen.
Toen de krantenaanval op niets uitliep, gingen zij zich van een groot gebouw, de „Buxton Church”, bedienen om daar een serie van zes avondlezingen te houden; zij noemden zich hierbij de „gladiatoren” of zwaardvechters. Aan het eind van de serie moest de jurist die als hun voorzitter optrad, hun mededelen dat zij er niet in waren geslaagd om het „Russellisme” — zoals zij het noemden — de kop in te drukken. In een dagblad daagde ik de zes „gladiatoren” toen uit tot een openbaar debat, waarbij verschillende avonden achtereen twee uur aan een bespreking van diverse onderwerpen besteed zou worden. Zij weigerden en laakten het gedrag van de redacteur van de krant omdat hij, zonder hen te raadplegen, mijn uitdaging had gepubliceerd. Als gevolg van dit alles ging het getuigeniswerk in Freetown nu heel wat gemakkelijker.
Er werd hierna nog veel door mij gepredikt en ik kon talloze lezingen houden, als gevolg waarvan Jehovah de gemeente in Freetown met expansie zegende. In 1927 bezocht ik Bathurst in Gambia en ook in Liberia gaf ik getuigenis, namelijk in de „Hall of Representatives”, waarbij ik vele hulpmiddelen voor bijbelstudie kon verspreiden. Bovendien had ik het voorrecht met mijn geluidswagen Ghana en Nigeria te kunnen bezoeken. Mijn onverbloemde getuigenis bracht de geestelijkheid in Nigeria in grote opschudding en zij trachtten het werk een halt toe te roepen.
Het publiek had toentertijd weinig respect voor wat zij „de religie van de blanke man” noemden. Het was daarom passend dat ik in de „Glover Memorial Hall” over het falen van de religie der christenheid sprak. Ik maakte de lezing in de drie grote kranten bekend. Een katholieke redacteur zond mijn verslag op naar dr. M. Da Rocha, die een brief schreef en deze naast mijn advertentie liet plaatsen. Hij drong er bij de regering van Nigeria op aan mijn lezingen te verbieden of op zijn minst politieagenten te sturen om de vrede te bewaren. Hij deed een beroep op verschillende religieuze leiders in Lagos om hun bekwaamste vertegenwoordigers naar mijn vergadering te zenden ten einde mijn „ketterse stellingen” totaal te verpletteren. Er kwamen daarom politieagenten en vele kerkelijke vertegenwoordigers opdagen.
Mijn lezing, waarin ik de christenheid aan de kaak stelde, werd meermalen onderbroken door applaus. Toen ik gelegenheid gaf tot het stellen van vragen, stelde de zoon van een anglicaanse geestelijke er twee, die werden beantwoord. Hierna probeerde hij nog een derde vraag te stellen, waarop ik zei: „Zou u willen gaan zitten en ook anderen in de gelegenheid willen stellen?” Er kwamen nog meer vragen en ook deze werden naar tevredenheid beantwoord. Ik sloot de vergadering en bood hun tegen een kleine bijdrage een pocket-uitgave van het boek Bevrijding aan. Zij kochten alle dozen die wij mee naar de zaal hadden genomen, leeg en kwamen ’s avonds nog voor meer boeken naar mijn huis. Toen wij onze voorraad nagingen, bleek dat zij 3900 boeken hadden genomen! De mensen gaven deze ook nog tot ver in de omtrek aan hun buren door. Het was een vreugdevolle dag in de zendingsdienst.
METHODEN OM TE ONDERWIJZEN
Bij het houden van lezingen gebruikte ik altijd lantarenplaatjes, waardoor ik elke bijbeltekst op het doek kon projecteren en daarna kon verklaren. Hierdoor kregen de mensen een veel beter begrip van de Schrift en zij schreven talloze brieven naar het Genootschap om bijbels. Daarom kreeg ik de naam van „Bijbel-Brown”, een bijnaam die aan velen aan Afrika’s westkust bekend is.
Reed ik met mijn geluidswagen een dorp binnen, dan ging ik naar het hoofd ten einde hem uit te nodigen de lezing die voor zijn huis zou worden gehouden, bij te wonen. Het was niet ongewoon dat het hoofd een man het dorp instuurde om de toespraak overal met een bel aan te kondigen. De mensen spreidden dan een groot tapijt voor het hoofd uit en zetten hierop een stoel neer. Daar zat hij dan terwijl iemand een parasol boven zijn hoofd hield en een ander hem soms met een waaier van struisvogelveren koelte toewuifde. Het aantal aanwezigen liep meestal in de duizenden en men reageerde enthousiast op de bijbelse punten.
Bij verschillende gelegenheden reed ik van Freetown naar Ghana, waar ik getuigenis gaf, lezingen hield en het Photo-Drama der Schepping vertoonde. In Accra huurde ik het grootste theater van de stad voor de lezing: „Alle natiën marcheren op naar Armageddon — Miljoenen thans levende mensen zullen nimmer sterven”. Honderden mensen, die niet meer binnen konden komen, stonden buiten te luisteren, en de kranten leverden een gunstig commentaar. De „christelijke raad” in Ghana bracht echter bezwaren in tegen mijn scherpe lezing en dit had tot gevolg dat de regering mij als een ongewenste immigrant classificeerde. Er gingen twee jaren voorbij, waarna er een nieuwe gouverneur aan het bewind kwam. De broeders stelden een petitionnement op waarin het verzoek werd gedaan mij toestemming te verlenen Ghana te bezoeken. Dit werd door duizenden ondertekend en aan de autoriteiten aangeboden. Het werd toegestaan! U kunt zich mijn vreugde voorstellen toen ik mijn kinderen in de Heer terugzag en het congres in Ghana kon bijwonen. — 3 Joh. 4.
Gedurende de vijfentwintig jaren dat ik in West-Afrika bijkantoordienaar was, heb ik nooit graag erg lang op een bureaustoel gezeten. Ik deelde mijn tijd altijd zo in dat ik er van tijd tot tijd met de geluidswagen op uit kon trekken om het goede nieuws mondeling en door het gedrukte woord te verbreiden. In die jaren putte ik veel kracht en moed uit de brieven van broeder Rutherford.
In 1930 gingen wij in Nigeria wonen. Van 1931 tot en met 1938 werden er veertien gemeenten opgericht, en tegen 1947 was dit aantal tot 165 gestegen. Om in dit nieuwe gebied een fundament te leggen, moest ik als gemeentedienaar, kringdienaar en districtsdienaar optreden, ook al hadden deze ambten toen een andere naam. Twee keer per jaar hadden wij op vijf of zes plaatsen onze congressen en ik bezocht ze alle; hiertoe moest ik op één dag soms wel meer dan 640 kilometer afleggen om op het volgende congres aanwezig te zijn. De bezoekersaantallen varieerden van 65 tot ruim 2400. In de moeilijke jaren van de tweede Wereldoorlog lieten de broeders hun handen niet verslappen. Op het Westafrikaanse bijkantoor werden vele boeken en brochures in plaatselijke talen vertaald.
In 1947 kon het Genootschap ons tien afgestudeerde zendelingen van de Wachttoren Bijbelschool Gilead sturen. Drie werden aan Sierra Leone, twee aan Liberia, twee aan Ghana en drie aan Nigeria toegewezen. Ik was toen bijna zeventig jaar en blij dat Jehovah in bereidwillige handen had voorzien om het werk voort te zetten. Reeds enkele maanden daarna, toen de Gileadzendelingen de verantwoordelijkheid voor de bijkantoorplichten overgenomen hadden, kwam de president van het Genootschap, broeder Knorr, met zijn secretaris, broeder Henschel, ons een bezoek brengen. Het was een vreugdevolle bijeenkomst.
TERUG NAAR WEST-INDIË
Mijn vrouw en ik bleven tot 1950 in West-Afrika en troffen toen regelingen om naar West-Indië terug te keren. Een lid van de Wetgevende Raad, tevens redactioneel schrijver van een der belangrijkste kranten, vond het de moeite waard om over ons vertrek te schrijven. Hij publiceerde een artikel in de Daily Times onder het opschrift: „’BIJBEL-BROWN’ ZEGT TOT WEERZIENS, NIET VAARWEL.” De redactionele schrijver gaf een uitvoerig overzicht van de zevenentwintig jaren dat ik in West-Afrika veelomstreden bijbelse lezingen had gehouden en zei hierover voorts: „’Bijbel-Brown’ is thans een instelling geworden en hij is de vriend van allen, jong en oud, Europeaan, Afrikaan en Libanees, zelfs voor hen die het niet met hem eens waren en zijn religieuze propaganda verafschuwden. . . . Lagos zal de bekende figuur van ’Bijbel-Brown’ missen, en al zijn vrienden wensen hem en mevrouw Brown veel geluk in hun huis in het Caraïbische gebied.” Bijzonder hartroerend was de afscheidsbrief die ik van de broeders in Nigeria ontving. Hierin stond ander andere: „Ja, de woorden ’één man zal tot duizenden worden’, vormen geen ijdele taal, want de onbetwistbare feiten tonen aan dat er bij je aankomst in West-Afrika geen enkele getuige van Jehovah was. Door je prediking kwam er echter één en in 1928 was er een groepje van zeven getuigen. Hier eindigde het niet mee, want dit aantal van zeven breidde zich dusdanig uit dat tot de oprichting van [gemeenten] kon worden overgegaan. Hierna kwam er een bijkantoor en op het ogenblik dragen ruim tienduizend personen aan de westkust van Afrika de eervolle naam „Jehovah’s getuigen”. . . . Onder tranen nemen wij afscheid van jou en je gezin.”
Op de terugweg naar Trinidad konden wij het internationale congres dat in 1950 in het Yankee stadion te New York werd gehouden, bijwonen. Verfrist reisden wij toen door naar Trinidad, en later naar Jamaïca, waar ik door de volle-tijd-dienst een druk leven leidt. Door ouderdom en een slechte gezondheid kan ik het pioniersquotum echter niet meer halen. Ik zou willen dat ik het kon, want ik houd van het pionierswerk. Een afgezant van Jehovah te zijn, behoort tot de grootste voorrechten die een menselijk schepsel ten deel kunnen vallen!
Volgens het 1962 Yearbook of Jehovah’s Witnesses zijn er thans 35.729 Getuigen in Nigeria, 8662 in Ghana en nog honderden meer in de onmiddellijke omgeving. Dat ik door de Heer ben gebruikt om het zaad te planten en heb kunnen zien hoe Jehovah het heeft laten groeien, roept mij Paulus’ woorden in Romeinen 15:17-21 in gedachten. Wat een vreugde is het om mannen en vrouwen gehoorzaam te zien worden aan het goede nieuws van Gods koninkrijk. Wanneer ik met gevoelens van waardering terugkijk op een prachtig leven in Jehovah’s dienst, waarvan drieënvijftig jaren in de pioniersdienst doorgebracht, ben ik Jehovah dankbaar dat ik de waarheid van een spreker van het Wachttorengenootschap, die langs een weg in Panama een lezing hield, heb gehoord. Er kon in die tijd bij de bouw van het Panamakanaal goud worden verdiend, maar de waarheid betekende voor mij meer dan geld. Door bijbelstudiën te bezoeken, ontdekte ik wat Gods voornemen met de mens is. Vastbesloten dit ook aan anderen te vertellen, huurde ik zalen en hield ik bijbellezingen. Toen het tijdschrift De Wachttoren een oproep deed voor pioniers, reageerde ik hierop en ik heb er nooit spijt van gekregen.
In 1920 trouwden mijn vrouw en ik met elkaar, maar er wachtte ons veel werk. Twee dagen na onze bruiloft vertrokken wij met het Photo-Drama der Schepping van Trinidad naar Montserrat. Wij gaven getuigenis op Dominica, Barbados en Grenada en keerden toen terug naar Trinidad. Het was een vreugdevolle huwelijksreis in Jehovah’s dienst.
In 1922 schreef ik broeder Rutherford, de president van het Genootschap, en deelde hem mee dat ik met Jehovah’s hulp op de meeste eilanden in de Caraïbische Zee getuigenis had gegeven en op vele eilanden discipelen had gemaakt. Zou ik hen nogmaals gaan bezoeken? Slechts enkele dagen hierna kwam zijn antwoord: ’Ga met vrouw en kind naar Sierra Leone in West-Afrika.’ Kunt u zich voorstellen hoe verheugd ik was om naar een volk te gaan dat het goede nieuws nog niet had gehoord?
Vreugde vervult mijn hart wanneer ik aan beide zijden van de Atlantische Oceaan steeds meer mensen van goede wil Jehovah Gods organisatie zie binnenkomen. Hoevelen meer deze stap nog zullen doen voordat het werk is voltooid, kan ik niet zeggen. Ik weet echter wel dat onze hemelse Vader zich zeer beslist heeft gehouden aan de belofte die hij door bemiddeling van Jesaja heeft gedaan: „De kleinste zal tot duizend worden, en de minste tot een machtig volk; Ik, de HERE, zal zulks te zijner tijd snellijk doen komen.” — Jes. 60:22, SV.