Jehovah’s zegen verrijkt
ZOALS MAUDE YUILLE DIT HEEFT VERTELD
DE WIJZE man heeft geschreven: „De zegen van Jehóvah maakt rijk en hij voegt er geen pijn aan toe” (Spr. 10:22, NW). Luister eens, dan zal ik u vertellen hoe ik dat zelf heb ondervonden.
Op de dag dat ik werd geboren, bracht Alston Yuille, de zoon van de bakker, het brood bij ons thuis, maar pas meer dan twintig jaar later leerden wij elkaar kennen; hij was toen ingenieur aan het gouvernementsbureau in Mobile, Alabama, in de Verenigde Staten, en ik was lerares aan een middelbare school. Alstons broer had van een „colporteur” drie boeken, Schriftstudiën, gekocht en deze aan zijn moeder gegeven. Zij gaf ze op haar beurt aan Alston. Toen hij ze las, werd hij er zozeer door in verwarring gebracht, dat hij ze van zich af gooide. Hij kon ze echter niet vergeten. Uiteindelijk ging hij, met een aantekenboekje naast zich — zonder zelfs op een concordantie te vertrouwen — de bijbel van Genesis tot Openbaring lezen, terwijl hij iedere verwijzing naar het leven na de dood noteerde. Toen hij de bijbel uit had, was hij overtuigd: De hel is het graf. Toen ik hem ontmoette, was hij in staat mij met mijn geestelijke problemen te helpen.
Als kind was ik heel erg godsdienstig geweest. Voor mij was God werkelijkheid en ik wilde hem beter leren kennen. Daarom sloot ik mij op 12-jarige leeftijd bij de Baptistenkerk aan. Wat het begrijpen van de bijbel betreft, maakte ik echter helemaal geen vorderingen. Wanneer ik mijn baptistische kennissen op de kweekschool vragen stelde, berispten zij mij om mijn gebrek aan geloof; de evangelische bijeenkomsten vestigden de aandacht op mensen, niet op God. Tijdens mijn studie aan de universiteit van Alabama had ik zelfs alle belangstelling voor het bijwonen van de zondagsschool en kerkdiensten verloren.
Op 24 september 1913, in het „laatste normale jaar van de menselijke geschiedenis”, traden Alston Yuille en ik in het huwelijk. De eerste Wereldoorlog begon; daarna woedde er een tropische storm die alles wat wij bezaten meenam, behalve de hypotheek op de boerderij. In februari 1917 werd Alston naar Californië gezonden. Toen hij op een zondag langs de „kaart der eeuwen” voor de zaal van de Bijbelonderzoekers liep, stapte hij er binnen, maakte kennis en begon de vergaderingen bij te wonen. Spoedig schreef hij mij of ik hem een speciaal genoegen wilde doen door de Schriftstudiën te lezen.
En ik? Toen ik Pastor Russell in 1914 over „Armageddon” had horen spreken en het Photo-Drama der Schepping had gezien, was ik diep onder de indruk gekomen van de eenvoud en oprechtheid ervan, maar destijds had ik het heel druk. Nu was dat anders. Steeds weer flitste de verschrikkelijke gedachte door mijn geest: „Het christendom heeft gefaald.” Ten langen leste nam ik een besluit: Die boeken van Alston. Op een avond begon ik er in te lezen en ik las aan één stuk door totdat het ochtend werd. Wat een openbaring betekende dat voor mij! De christenheid heeft gefaald, maar niet het christendom. Ik schreef direct aan Alston dat ik met zoveel genoegen in de Studiën las. Onze brieven kruisten elkaar. Toen ik mij in Stockton, Californië, bij hem voegde, bezochten wij regelmatig de vergaderingen van de Bijbelonderzoekers. Wat hebben de broeders in die kleine gemeente mij goed geholpen om met het van-huis-tot-huis-werk te beginnen!
PIONIERSDIENST
Op 25 december 1917 droegen wij ons beiden aan Jehovah op, terwijl wij dit op de zondag vóór het Gedachtenisfeest in 1918 door middel van de onderdompeling symboliseerden. Het verzamelen van handtekeningen voor een verzoekschrift ter vrijlating van onze broeders uit de strafgevangenis te Atlanta en een mededeling in The Watch Tower brachten mij ertoe een aanvraag voor de pioniersdienst in te zenden. Ik begon in oktober 1919, toen het tijdschrift Het Gouden Tijdperk uitkwam. Destijds lieten wij proefnummers achter en gingen binnen een week terug. De eerste persoon die een abonnement nam, een presbyteriaanse dame, interesseerde zich voor de bijbel; ik bracht nabezoeken, zij aanvaardde de waarheid en is nog steeds getrouw. In het begin vond ik het wel moeilijk om én mijn huishouden te doen én te pionieren, maar naarmate de tijd verstreek, werd het gemakkelijker.
In 1922 woonden wij ons eerste congres in Cedar Point bij, waarna wij een jaar in Alabama gingen pionieren. Onze gelukkige ervaringen bewezen telkens weer dat ’de zegen van Jehovah rijk maakt’. Op een avond kwamen wij doodmoe in een kleine stad aan, waar wij een vriendelijk uitziend pension vonden om er de nacht door te brengen. Toen ik na het avondeten de vrouw van de eigenaar met de afwas hielp, spraken wij over ons werk. Zij hadden moeilijkheden in de plaatselijke kerk — een beproeving op hun geloof. Toen de afwas klaar was, kwamen zij en haar man op onze kamer en wij gaven hun getuigenis tot bij middernacht. Zij dronken de waarheid in en weigerden geld voor het logies van die nacht en de maaltijden aan te nemen, maar accepteerden wel gretig een serie boeken.
Wij wisten dat er in een bepaalde stad veel onverschilligheid en tegenstand heerste, maar deze stad lag in ons gebied en ook daar moest getuigenis worden gegeven. Wij konden zelfs niet één stukje lectuur gratis achterlaten. Op weg naar huis, zonder genoeg geld voor benzine voor de auto en zonder het vooruitzicht op avondeten, stopten wij om bij een geïnteresseerde persoon een nabezoek te brengen. Hij nam een bijbel, alle lectuur die wij bij ons hadden en abonneerde zich op de twee tijdschriften. Toen dat gebied bewerkt was, keerden wij naar San Francisco terug, waar ik bleef pionieren. Het was een vreugdevolle dag toen ook Alston weer de volle-tijd-dienst kon ingaan, en deze keer voorgoed.
Door Jehovah’s onverdiende goedheid konden wij al die buitengewoon belangrijke vergaderingen in de Verenigde Staten na 1923 meemaken, waarvan vooral die in Columbus in Ohio, in 1931, toen de naam „Jehovah’s getuigen” werd aangenomen, en die in Washington in 1935, toen wij met de „grote schare” kennis maakten, mij nog zeer goed heugen. De vergaderingen vormden altijd een verfrissende tijd waarop wij in staat waren om, zo te zeggen, onze geestelijke batterijen opnieuw te laden.
Het jaar 1931 was een jaar om met gouden letters te worden vermeld. Nadat wij de naam Jehovah’s getuigen hadden gekregen en de brochure Het Koninkrijk — De Hoop der Wereld, begonnen wij met de brochure straatwerk te verrichten. Eerst deed het een beetje vreemd aan, zo op de drukke straathoeken in het centrum van San Francisco te staan en uit te roepen: „Koninkrijk, Hoop der Wereld — vijf cent!” Wij raakten er echter spoedig aan gewend en vonden het heerlijk. Daarna volgde de speciale veldtocht om de Koninkrijks-brochure onder de financiers, politici en predikanten te verspreiden. Mijn toewijzing was om naar de financiers te gaan. Ik vroeg mij af hoe ik ooit in staat zou zijn sommigen van die mensen te bereiken, maar door de „zegen van Jehovah” was het gemakkelijk en ik deed enkele verrukkelijke ervaringen op. Een lange heer keek toen ik hem de brochure aanbood glimlachend op mij neer en vroeg: „Vijf cent! Is dat alles wat ik u schuldig ben?” en hij gaf mij twee halve dollars. Een andere financier was niet thuis toen ik hem bezocht, maar ik liet de brochure en mijn visitekaartje achter. Hij schreef mij een briefje waarin hij mij voor de brochure dankte en sloot vijf dollar in.
Wat later werd er een begin met het radiowerk gemaakt. De broeders in de streek rond de San Francisco Bay bezaten een station, de KFWM (later KROW). Zondags verzorgden wij een godsdienstig programma van een uur, met een lezing, bijbelse vragen en muziek; in de loop van de week werden er actuele programma’s om een „babbeltje” van vijftien minuten over een onderwerp uit Het Gouden Tijdperk opgebouwd. Wij pioniers bezochten de belangstellenden. Ik ben blij dat ik een aandeel aan dat werk heb gehad.
Er waren nog andere aspecten van de velddienst die beslist zeer opwindend waren. Alle verkondigers uit een groot gebied concentreerden zich bijvoorbeeld op een stad waar vervolging van de zijde van de autoriteiten bestond. Als sprinkhanen daalden wij op zo’n stad neer, stelden de politie voordat wij begonnen te werken ervan in kennis en bezochten dan elk huis waarbij wij de bewoners over de ware aard van ons werk vertelden. Het leek erop alsof wij werkelijk een veldslag gingen voeren, wanneer auto na auto van het „contactpunt” wegreed en wij kalm aan het werk gingen, elk in het hem toegewezen gebied. Door deze veldtochten werd er een wonderbaarlijk getuigenis voor de waarheid gegeven.
De jaren vlogen voorbij en iedere dag opnieuw bracht prettige ervaringen. Toen rechter Rutherford in het Civic Auditorium van San Francisco sprak, kreeg ik de namen van belangstellende personen op, onder wie zich een tuinman in Union Square bevond. Toen ik hem daar ging opzoeken, was hij nergens te vinden. Ik draaide me om en ging weg, maar ik was nog geen half blok verder of mijn geweten begon te spreken: „Daar heb je nu een man die belangstelling voor de waarheid heeft en in plaats dat je hem gaat zoeken, loop je weg, net als Jona; het kan best zijn dat je een van de schapen van de Heer aan zijn lot overlaat.” Ik keerde dus op mijn schreden terug en vond hem in het gereedschapsschuurtje. Hij bestelde een complete serie publikaties van het Genootschap en abonneerde zich op onze twee tijdschriften. Toen ik de boeken ging brengen, was hij in gesprek met iemand anders, die ook belangstelling toonde en boeken bestelde. De tuinman werd een broeder van ons en de andere persoon, broeder Rosselli, is vele jaren lang een toegewijde pionier geweest, eerst in San Francisco, waar wij samen vele gelukkige ervaringen opdeden, en daarna vertrok hij — omdat hij geen verplichtingen had — naar buitenlandse gebieden, naar Hawaii, de Filippijnen, Alaska, Spanje, Italië en Portugal, waar hij het land werd uitgezet. Met een geruïneerde gezondheid keerde hij naar San Francisco terug. Daar vertelde hij de waarheid aan zijn masseur, Peter Carrbello. Peter en zijn vrouw bezochten de Gileadschool, werden als zendelingen naar Brazilië uitgezonden en werkten in de kringdienst en op het Bethelhuis in Rio de Janeiro. Het heeft de goede God niet goedgedacht mij kinderen van mijn eigen vlees en bloed te geven, maar deze theocratische „kinderen” en „kleinkinderen” zijn een vreugdevolle troost geweest.
NAAR BRAZILIË
Toen kwam maart 1936. Wij waren van plan een caravan te bouwen zodat wij nog vrijer zouden zijn om overal te gaan dienen. Er kwam echter een brief van het bureau van de president met de vraag wat Alston ervan zou denken naar Zuid-Amerika te gaan. Die gedachte was nog nooit bij hem opgekomen, maar hij wilde in de dienst van de Heer overal heen gaan en ik dacht er net zo over. Op 31 mei voeren wij op de „Del Valle” van de Delta Line daarom van New Orleans de Mississippi af, en toen over de Golf van Mexico naar Rio de Janeiro; vandaar gingen wij per trein naar São Paulo, waar het bijkantoor voor Brazilië was.
Toen wij in Brazilië aankwamen, waren er ongeveer zestig verkondigers. Hoewel ik in het begin alleen maar tegen hen kon glimlachen, voelde ik mij toch helemaal thuis bij onze Braziliaanse broeders. Met een onderwijzeres, de dochter van een zuster in de waarheid, begon ik de taal te leren; de kinderen uit de buurt kwamen echter iedere avond bij ons op de drempel zitten en stelden mij dan duizend en één vragen, terwijl zij de mijne beantwoordden. Wat moesten zij om mijn Portugees lachen! Ik heb echter veel van hen geleerd.
Ongeveer een maand nadat wij waren gearriveerd, hadden wij een congres in São Paulo, de eerste grote vergadering in Brazilië. Wij waren verrukt over het aantal toehoorders van honderd tien op de openbare lezing, die met een geluidswagen en over de radio was aangekondigd. Bovendien heerste er precies zo’n geest als die waardoor de grotere congressen altijd gekenmerkt waren geweest.
Wij waren er in geslaagd grammofoons mee te nemen naar Brazilië, waarvoor ik die eerste dagen toen ik de taal nog moest leren zeer dankbaar was. Al spoedig na onze aankomst kwam er een geluidsinstallatie voor de auto, en deze werd gedurende de tijd dat wij in São Paulo waren, doeltreffend gebruikt. Er verzamelden zich grote menigten wanneer de lezingen werden afgedraaid en na het programma verspreidden wij veel lectuur.
VERVOLGING
Tijdens de donkere dagen van de tweede wereldoorlog kregen ook wij ons deel van de vervolging te dragen. U zult zich herinneren dat Brazilië voor 90 percent katholiek beweert te zijn, en de politieke woordvoerders noemen deze staat „het grootste katholieke land ter wereld”. De onder de oppervlakte bestaande tegenstand van de zijde der hiërarchie openbaarde zich toen de lectuur van de pioniers in de kleine steden in beslag werd genomen, er valse beschuldigingen werden ingebracht en er pogingen werden gedaan het Genootschap verordeningen op te leggen die helemaal niet van toepassing waren, terwijl de geluidswagen het speciale doelwit van de aanval was.
In een klein stadje zond de priester, toen wij die middag het laatste programma gaven, de mensen de kerk uit om de auto te vernielen, maar de burgemeester en de politie verschenen ook. De burgemeester verklaarde dat wij volkomen gerechtigd waren onze boodschap bekend te maken. Toen wij hem en de politieautoriteiten vroegen of zij tijdens het gehele programma wilden blijven, zei hij dat zij dat zouden doen en dat er zich geen moeilijkheden zouden voordoen. Een van de vrouwen die door de priester was gezonden, zei: „Dat is de waarheid.” Toen het programma afgelopen was, bedankten wij de burgemeester en gaven hem een boek Rijkdom. Daarna trokken wij verder naar de volgende stad.
De bemoeienis van de regering werd krachtiger. Om de paar weken zond het een of andere departement ons iemand om op het bureau van het Genootschap een „onderzoek” in te stellen. De post werd gecensureerd en het was moeilijk contact met Brooklyn te krijgen. Men vertelde Alston dat indien hij naar de Verenigde Staten zou gaan, zijn paspoort afgenomen zou worden en hij geen ander zou krijgen. Het Genootschap werd met ontbinding bedreigd. Dit was voor hem geen geschikte tijd om weg te gaan. Daarom stuurde hij mij in 1940 naar het congres in Detroit met een volledige uitleg van onze problemen voor de president van het Genootschap en ook voor de Heer Bankhead, destijds Voorzitter van het Huis van Afgevaardigden, die in zijn studietijd lang met hem bevriend was geweest. Wij dachten dat er een broeder van Brooklyn naar Washington zou gaan, maar broeder Rutherford schreef dat ik dat moest doen. Stelt u zich eens voor! Hoe zou ik ooit in staat zijn mij van die taak te kwijten? „De zegen van Jehovah” maakte de weg vrij. Ik gaf mijn papieren af, beantwoordde enkele vragen, zat om middernacht reeds in het vliegtuig naar New Orleans, voer weer de Mississippi af en terug naar huis, naar Brazilië. In 1941 plaatste broeder Rutherford het bijkantoor naar Rio de Janeiro over, waar er, zo hoopte men, minder vervolging zou zijn. Dit bleek inderdaad het geval te zijn.
IN RIO DE JANEIRO
Een jaar lang hadden wij al tevergeefs uitgezien naar een huis dat wij zouden kunnen huren en daarom kocht het Genootschap, met de hulp van plaatselijke broeders, een huis in het enige deel van Rio de Janeiro dat binnen loopafstand van de stations van alle treinen naar de voorsteden lag. Jehovah’s zegen heeft daarop gerust. De investering is vele, vele malen de oorspronkelijke aankoopsom waard. Enkele jaren later, in 1953, werd er aan de achterkant van het huis een gebouw van twee verdiepingen — voor de drukkerij en het bureau — opgetrokken, en nu bouwt het Genootschap een prachtig nieuw Bethelhuis vóór dit zelfde perceel. Wat heb ik een veranderingen meegemaakt!
Broeder Knorr bracht ons in 1945 voor de eerste keer een bezoek. Wat hadden wij vooruitgezien naar een bezoek van de president van het Genootschap! Zijn bezoeken zijn altijd een zegen en een grote stimulans voor het werk geweest, alsook de bezoeken van andere vertegenwoordigers van het Genootschap, broeder Franz en broeder Henschel. Daarna begonnen de afgestudeerden van Gilead, met hun Gileadopleiding, binnen te stromen om de Braziliaanse broeders te helpen. Voor sommigen van hen was het moeilijk om zich hier blijvend te vestigen; de meesten zijn bij ons gebleven en wij zijn blij met hun hulp.
In 1946 nodigde broeder Knorr alle bijkantoordienaren (en hun vrouwen) uit om zes onvergetelijke maanden op Brooklyn Bethel door te brengen en de graduatie van de zevende klas van Gilead en de ’Verheugde natiën’-vergadering in Cleveland, Ohio, bij te wonen. Wij voeren met de Santarém van de Lloyd Brasileiro, een nationale lijn, naar New York. Het schip, dat zwaar met koffie geladen was, voer kalm. Ik had iedere middag een bijbelstudie met de scheepsarts en de purser en toen er aan boord een Spaanse consul uit Montevideo, die Cuba als toewijzing had gekregen, stierf, vroeg de arts mij met de weduwe te spreken. Zij sprak Spaans en ik Portugees, maar wij verstonden elkaar. Ik gaf haar het boek „De waarheid zal u vrijmaken” in het Spaans, wat zij scheen te waarderen. Een van onze zendelingen bracht haar nadat zij in Uruguay terug was, een bezoek. Die maand was er een brochure-veldtocht en wij verspreidden elk veel meer dan ons quotum van 100 doordat wij iedereen, van de kapitein tot de bemanning en alle passagiers, getuigenis gaven.
Ik zal nooit de Wachttoren-studiën op maandagavond vergeten die wij in de tijd dat wij op Bethel waren, hebben meegemaakt. Er waren een aantal Engelse broeders die de oorlogsjaren nog maar net achter de rug hadden, en zij kenden hun bijbel zo goed! Zij citeerden tekst na tekst ter ondersteuning van de punten in de paragrafen. Voor mij is de Wachttoren-studie op maandagavond werkelijk het middelpunt waarom het leven van de Bethelfamilie draait.
Alstons gezondheid ging zo hard achteruit dat sommigen vonden dat wij broeder Knorr om toestemming moesten vragen in de Verenigde Staten te mogen blijven. Op een dag vroeg ik hem wat hij ervan zou denken als broeder Knorr zou beslissen dat wij in de Verenigde Staten moesten blijven. Het antwoord volgde snel: „Mijn toewijzing is Brazilië. En de jouwe?” De mijne ook! In oktober keerden wij naar Brazilië terug. Op de zondag vóór het Gedachtenisfeest in 1948, precies dertig jaar na zijn doop, beëindigde Alston zijn aardse loopbaan. Het was een groot genoegen voor hem geweest het maandbericht over december 1947 te kunnen inzenden, waaruit bleek dat Brazilië de mijlpaal van duizend verkondigers was gepasseerd. Er ontstond geen leemte in de bezetting. Alston stierf op zondagochtend en voordat wij ’s maandagsochtends als een gezin aan het ontbijt zaten, was Dillard Leathco aangesteld om als bijkantoordienaar dienst te verrichten.
Er zijn gelukkige jaren, vol activiteit, voorbijgevlogen. Voor mij waren de mijlpalen de congressen in het Yankee Stadion in 1953 en 1958, maar het prachtigste congres van allemaal was de ’Verenigde aanbidders’-vergadering vorig jaar. Maandenlang had ik al naar het nieuwe gebouw op het kalenderblad gekeken, waar twee leden van de Braziliaanse Bethelfamilie de Gileadcursus volgden en ik hoopte dat ik dat gebouw eens zou zien, maar ik had niet durven dromen dat het tijdens de week van het congres mijn tehuis zou zijn. En toch was het zo! Dat congres was één bron van vreugde.
Van New York ging ik naar Houston om nog een congres bij te wonen. Daarna bracht ik een kort bezoek aan mijn naaste aardse familieleden, terwijl ik hun de pas op het congres vrijgegeven New World Translation of the Holy Scriptures gaf; toen weer terug naar huis naar Brazilië, deze keer echter niet per schip maar per straalvliegtuig om deel te kunnen nemen aan de voorbereidingen voor onze ’Verenigde aanbidders’-vergadering in São Paulo de maand daarop.
Mijn Braziliaanse broeders nemen een grote plaats in mijn hart in en wat een rijkdom om er nu 24.000 te hebben in plaats van de zestig die hier waren toen ik vijfentwintig jaar geleden naar Brazilië kwam! Het Braziliaanse volk is zeer gastvrij, hartelijk en toegankelijk. Het is een waar genoegen hun getuigenis te geven en met hen te studeren.
In mijn vakantie neem ik graag een jong zusje mee om samen twee kostbare weken te gaan pionieren in niet-toegewezen gebied. „Mata as saudades” (het verdrijft het heimwee), zoals de Brazilianen zeggen. Het leven op Bethel is onvergelijkelijk; ik zou het voor niets op deze aarde willen ruilen.
Als ik dit alles overdenk, kan ik naar waarheid zeggen: „Het is in alle opzichten heerlijk geweest” en ik vertrouw erop dat het ook in de toekomst heerlijk zal blijven. Hoe rijkelijk worden wij als volle-tijd-bedienaren door Jehovah gezegend!