Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w62 15/5 blz. 312-319
  • Liefde voor waarheid

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Liefde voor waarheid
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1962
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • DE WAARHEID KLOPT OP MIJN DEUR
  • LIEFDE VOOR WAARHEID OVERWINT HINDERPALEN
  • REACTIES OP ONZE BESLISSING
  • HET WEERSTAAN VAN STORMEN OP MIJN WERK
  • HET INTERNATIONALE CONGRES IN 1936
  • DE DEUR TOT DE PIONIERSDIENST
  • PIONIERSDIENST IN FRANKRIJK
  • GROTERE MOEILIJKHEDEN OVERWONNEN
  • VERDERE DIENST IN ZWITSERLAND
  • Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1989
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1989
  • Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1959
  • Jaarboek van Jehovah’s getuigen 1975
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1975
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1962
w62 15/5 blz. 312-319

Liefde voor waarheid

Zoals verteld door D. Wiedenmann

IS HET niet een feit dat mensen die een natuurlijke liefde voor waarheid bezitten, sneller belangstelling voor de bijbelse waarheid aan de dag leggen? Hoe meer zij zich hiervoor inspannen, hoe meer zij waarheid gaan liefhebben en dan komt er een dag dat zij bemerken dat de waarheid hen met Jehovah’s hulp heeft vrijgemaakt van de banden van deze verdwijnende boze wereld (Joh. 8:32). Natuurlijk moeten zij goed opletten en een zware strijd voeren om in deze gelukkige toestand te blijven en hun waardering voor de waarheid te verdiepen. Met het oog hierop is het uitermate belangrijk om deze liefde voor de waarheid te koesteren en in ere te houden. Ik heb dit ervaren en wanneer ik terugblik over de afgelopen vijfentwintig jaar zie ik dit als in een film die voor mijn geestesoog wordt afgedraaid.

Niet ver van een klein oud Zwitsers stadje met zijn trotse kasteel en vierhonderd inwoners, had mijn vader, die zich uit zijn zaken had teruggetrokken, zich gevestigd om zijn levensavond in een mooi landhuis door te brengen. Als de jongste en pas getrouwde zoon woonde ik bij mijn vader in en deelde de onkosten met hem. Ons gerieflijke huis was omringd door bloembedden, een groententuin en wat grasland met vruchtbomen, terwijl langs de oostkant een klein beekje liep.

DE WAARHEID KLOPT OP MIJN DEUR

Op een zaterdagmiddag was ik druk met mijn bloementuin, mijn hobby, bezig. Vanaf de weg kwam een man naar de heg van onze tuin toe en wisselde een paar vriendelijk woorden met mij: „Het is hier heel mooi en vreedzaam en hoe schitterend zal het zijn wanneer de hele aarde er als deze tuin zal uitzien en alle mensen zich in vrede, eenheid en eindeloos geluk in de wonderen van Jehovah’s schepping zullen verheugen.” „Uw fantasierijke beschrijving is niet slecht”, antwoordde ik, „maar hoe mooi het ook klinkt, ik geef de voorkeur aan de werkelijkheid en houd van de waarheid zoals deze ons wordt geboden.” Dit sleutelwoord „waarheid” werd onmiddellijk door deze man overgenomen en hij opende zijn tas en haalde er een boek uit — ja, de bijbel — en las Johannes 17:17 voor. Daar ik een ijverige protestantse kerkganger was, accepteerde ik natuurlijk de verklaring die hij mij ervan gaf.

Gedurende het gesprek kwam hij op een teer punt. „U zult beslist toegeven dat dit de waarheid is. Maar hoe verklaart u het dan dat zelfs in protestantse kringen wordt gezegd, dat protestanten er bijna helemaal mee zijn opgehouden tegen de onschriftuurlijke leer van het katholicisme te protesteren”, zo zei hij. Wat verstoord probeerde ik mijn „kerk” te verdedigen en begon onwillekeurig harder te praten. Mijn buren kwamen uit hun ramen kijken en fluisterden tegen elkaar; ten slotte opende mijn vrouw de deur en riep ons: „Komen jullie alsjeblieft naar binnen als jullie samen willen praten. De hele buurt behoeft niet te weten waar jullie het over hebben.”

Tot mijn verbazing was de man, die een „Bijbelonderzoeker” (staan thans bekend als getuigen van Jehovah) bleek te zijn, bereid om in de huiskamer te komen. Hij trad nu meer in details en toonde mij vele bijbelteksten en leverde er commentaar op. De meerderheid was onbekend voor mij en hoewel ze mij intrigeerden, vergrootten ze ook mijn tegenstand, want als protestanten bezaten wij de bijbel en wij probeerden er naar ons beste vermogen in overeenstemming mee te leven. Tegen het eind legde hij mij het tijdschrift Het gouden tijdperk in de hand en moedigde mij aan om een speciaal artikel met aandacht te lezen en mijn mening erover te kennen te geven bij zijn volgende bezoek. Ik stemde hiermee in, daar ik bij mijzelf al het besluit had genomen om deze materie grondig te bestuderen, ten einde hem hierover de waarheid te kunnen vertellen.

Een week later werd er op de deur geklopt en riep mijn vrouw mij toe: „De Bijbelonderzoeker is er weer.” Ik was zeer zelfbewust, daar ik met veel moeite verschillende teksten had kunnen verzamelen als tegenargumenten. Een zekere overtuiging, zo niet een uitgesproken triomfantelijk gevoel, klonk door in mijn stem toen ik hem mijn bijbelse bewijzen liet horen. Rustig luisterde de Bijbelonderzoeker en begon toen elke tekst aan een onderzoek te onderwerpen. Was het werkelijk mogelijk dat ik sommige van de schriftuurplaatsen niet in hun verband had gelezen? Ik begon mij minder op mijn gemak te voelen en veegde zelfs steels het zweet van mijn voorhoofd. Klaarblijkelijk besefte hij in welk een pijnlijke situatie ik mij bevond, want hij leidde het gesprek naar veiliger terrein en prees mij omdat ik de tijd had genomen om bijbelse waarheden tot op het fundament te onderzoeken; tevens toonde hij mij dat het zeer waardevol is om ze te begrijpen en te verdedigen. Hij liet exemplaren van De Wachttoren en Het gouden tijdperk bij mij achter.

De bezoeken duurden voort, hoewel er niet zo vaak gelegenheid was als vroeger, want ik was druk bezig met de koop van een nieuw en modern huis dichter bij mijn werk. Anderzijds ging ik vaker naar de kerk, maar niet langer met dezelfde geestesgesteldheid. Ik was nu meer geneigd om iets nauwkeurig te onderzoeken en te beschouwen en met de bijbel te vergelijken, want ik wilde nu weten wat werkelijk de waarheid is. Ik begon bepaalde tegenstrijdigheden op te merken. Wanneer wij zo’n „goede predikant” hadden, zoals ik in onze gesprekken altijd had beweerd, waarom gaf hij ons dan niet een duidelijke verklaring van de drieëenheid, de onsterfelijke ziel, van de vraag waarom God het kwade laat bestaan, enzovoorts — zoveel te meer omdat de Bijbelonderzoeker vlak bij hem woonde en deze thema’s vaak met hem had besproken?

Hoewel het verhuizen naar het grotere huis veel van mijn tijd in beslag nam, begon liefde voor de waarheid wortel te schieten. Dit veranderde niet door de komst van mijn schoonouders. Ik beloofde mijn vriend de Bijbelonderzoeker zelfs dat ik met hem mee zou gaan naar hun kleine vergaderplaats. Heel nederig zette hij mij uiteen, dat er slechts een paar mensen in een „aardig souterrain” in het stadje bijeenkwamen. Wij gingen er samen naar toe. Het was werkelijk een aardige kamer. Onwillekeurig dacht ik, hoewel ik ze natuurlijk niet met de kamer kon vergelijken, aan de catacomben in Rome die door de eerste christenen werden gebruikt. In elk geval voelde ik mij onmiddellijk thuis onder de acht aanwezigen en ik was mij er van bewust dat de geest van Jehovah hier aanwezig was; anders zou ik waarschijnlijk rechtsomkeert hebben gemaakt.

LIEFDE VOOR WAARHEID OVERWINT HINDERPALEN

Enige maanden later zat ik op een mooie zondagmiddag in de schaduw van het balkon gezellig in een gemakkelijke stoel het boek Verzoening te lezen. „Is het mogelijk?” dacht ik. „Heeft God werkelijk op een onzelfzuchtige wijze zoveel voor de zondige nakomelingen van Adam gedaan dat hij zijn teder beminde Zoon in een aardse dood afstond opdat tussen Hem en berouwvolle personen de weg tot verzoening geopend zou worden” Ja, daar stond het, schriftuurlijk verklaard en vanuit vele gezichtshoeken bekeken. Er kon geen twijfel over bestaan. Jehovah openbaarde en bevestigde inderdaad lang voordat wij ooit over iets dergelijks dachten of bepaalde stappen deden, zijn onmetelijke liefde jegens ons. Ik besefte dat het hoog tijd was om lief te hebben, „omdat Hij ons eerst heeft liefgehad” (1 Joh. 4:19). Óf ik moest mijzelf van ganser harte aan Jehovah God opdragen, óf volledig breken en volgens de oude wereld blijven leven.

Diep in mijn hart had ik de beslissing al genomen. De vroeger zorgelijk gestelde vragen: Wat zal er met mijn goede betrekking, mijn nieuwe huis, mijn talloze familieleden en mijn clubs gebeuren? waren door mijn toegenomen kennis van de bijbel, die een diepere liefde voor de waarheid met zich meebracht, beantwoord. Met de bijbel en het boek Verzoening in de hand haastte ik mij naar mijn vrouw in de huiskamer, verklaarde haar vreugdevol enkele belangrijke punten en besloot met te zeggen: „Vandaag zeg ik per brief mijn lidmaatschap van de protestantse kerk op.” Begrijpelijkerwijs was dit een hele schok voor haar. Tot op dat ogenblik had zij niet veel belangstelling voor kerkelijke aangelegenheden aan de dag gelegd en nu kwamen plotseling al de vragen waar ook ik mee had gezeten, in haar op.

Ik troostte haar en toonde haar dat ik beslist een goed echtgenoot voor haar zou blijven, hetgeen volgens de bijbel mijn plicht was. Tot mijn grote vreugde begon zij de daaropvolgende weken allerlei bijbelse vragen te stellen, waaruit bleek dat zij de publikaties van het Genootschap had gelezen; op een dag vroeg zij mij: „Mag ik met je mee naar de vergadering” „Niets liever!” was mijn antwoord.

REACTIES OP ONZE BESLISSING

Ik zegde niet alleen mijn kerklidmaatschap op, maar trad ook uit de zangvereniging, het mannenkoor en de fietsclub, terwijl mijn vrouw het vrouwenkoor verliet. Er barstte een storm los! De vice-president van het koor bracht mij een bezoek. Heel vriendelijk, maar met het vooropgezette doel om „mij weer tot mijn zinnen te brengen”, hield hij een kameraadschappelijke toespraak. Zeer beslist was het allemaal goed bedoeld. Ik gaf hem getuigenis over de stap die ik had gedaan en waarom ik niet halfslachtig maar grondig te werk wilde gaan. Hij stond versteld; dit had hij niet verwacht, en hij probeerde de situatie te redden door te zeggen: „O, maar met dergelijke ideeën zou je een zeer opbouwende invloed op de andere leden kunnen hebben.” Hoe kon ik echter, zoals zo vaak in de liederen die wij zongen, werd gedaan, „redding” toeschrijven aan menselijke instellingen?

Toen kwam mijn bejaarde vader naar mij toe; hij was zelf een oudgediende van de club en het koor. De problemen werden opnieuw onder de loep genomen en vanuit elke hoek bekeken. „Weet je wat de dirigent tegen mij zei? ’Sinds wanneer is je zoon David gek geworden?’ Ik legde hem uit dat een dergelijke en ook nog andere soorten van vijandigheid niet vermeden konden worden. Jezus moest nog veel meer verdragen. Hoewel mijn vader de waarheid niet volledig doorgrondde, waren zijn laatste woorden: „Ik geloof nu wel dat het goed is wat je doet.”

HET WEERSTAAN VAN STORMEN OP MIJN WERK

Nu was de beurt aan mijn baas. Hij riep mij op zijn kantoor. Ik had hem nog nooit zo opgewonden gezien of onder dergelijke omstandigheden met hem gesproken. „Wanneer de directeur er van hoort dat u u bij de Bijbelonderzoekers hebt aangesloten, wordt u eruit gegooid.” „Dat is best mogelijk” antwoordde ik. „Ik heb dit allemaal in overweging genomen, maar ik ben er ook van overtuigd dat Jehovah mij van mijn dagelijkse brood zal blijven voorzien.” „Wie geeft u uw brood? Deze zaak verschaft u uw salaris en uw brood”, antwoordde mijn baas. Zijn pogingen om mij te intimideren waren echter vruchteloos.

Een paar weken later bracht mijn werk mij dagelijks met de directeur in contact. Wat was er gebeurd? Deze man, die er aan gewend was om zijn wensen op een bazige manier tot uitdrukking te brengen, legde nu een vriendelijkheid aan de dag die mij verbaasde. Weer vroeg mijn baas mij om op zijn kantoor te komen, en hij begroette mij met de woorden: „De directeur weet alles en hij respecteert je houding.” Ik had alle reden tot dankbaarheid.

HET INTERNATIONALE CONGRES IN 1936

Doordat onze kennis van de waarheid groter werd, nam ook onze vreugde over de vergaderingen en de dienst toe. Dat de broeders van het bureau van het Wachttorengenootschap in Bern geregeld lezingen kwamen houden, betekende ook zeer veel vreugde voor ons. Toen het internationale congres van 1936 in Luzern naderde, hadden wij het voorrecht pioniers uit oostelijke landen gastvrijheid te kunnen betonen. Een jong en altijd vreugdevol pioniersechtpaar uit Joegoslavië, broeder en zuster Platajs, logeerde bij ons. Hun hartverwarmende ervaringen in de Koninkrijksdienst en hun getrouwe, onzelfzuchtige toewijding aan Jehovah maakten een diepe indruk op ons. (Later werd broeder Platajs vanwege de waarheid op gewelddadige wijze door nazi-terroristen ter dood gebracht.) Enige dagen later reisden wij naar het gedenkwaardige congres, waar wij door de onderdompeling in water in het openbaar mochten symboliseren dat wij ons tevoren reeds in ons hart aan God hadden opgedragen. De talloze door de onverdraagzaamheid van katholieke priesters veroorzaakte arrestaties en de moeilijkheden met de plaatselijke autoriteiten bereikten hun hoogtepunt in een verbod van de alom bekendgemaakte openbare lezing door broeder Rutherford; hierdoor kon deze lezing slechts als een besloten vergadering van Jehovah’s getuigen worden gehouden.

De politie oefende er scherpe controle op uit dat er geen ander publiek de zaal binnen zou komen. Het plein voor het Kongresshaus was gevuld met een grote menigte personen van goede wil. Ofschoon er geen luidsprekers waren toegestaan, bleven toch de meesten van hen, verontwaardigd over de door de politie getroffen maatregelen, anderhalf uur lang wachten totdat wij de zaal verlieten en hen inlichtten over de in de lezing besproken punten, waarbij wij hun ook lectuur overhandigden. Dit alles deed onze liefde voor de waarheid niet afnemen. Integendeel, aangespoord door de op het congres en van de pioniers ontvangen bemoediging, vroeg ik mijn vrouw: „Gesteld dat wij eens vrij komen van onze verplichtingen tegenover onze schoonouders, denk je niet dat wij deze verzekerde positie en ons huis zouden kunnen opgeven en ons geheel en al aan de dienst wijden?” „Ja, waarom niet?” antwoordde mijn vrouw. „Het huis en de tuin nemen zoveel tijd in beslag, die ik veel beter in het predikingswerk zou kunnen besteden.” Deze wetenschap alleen al vervulde mijn hart met grote vreugde.

DE DEUR TOT DE PIONIERSDIENST

Anderhalf jaar ging voorbij. Mijn vrouw en ik woonden als enigen in ons grote huis. Mijn schoonvader, die enige tijd ziekelijk was geweest, was gestorven, en mijn schoonmoeder wilde haar laatste jaren bij haar broer, die weduwnaar was, doorbrengen. Wij hadden nog geen kinderen, wat ons wel eens speet daar wij van kinderen houden. Wat kon ons er dan van weerhouden om hetgeen ons het kostbaarst leek — de pioniersdienst — met Jehovah’s hulp te verwezenlijken? Hoewel zorgvuldig en onder gebed wogen wij toch onmiddellijk de pro’s en contra’s van onze theocratische onderneming tegen elkaar af. Hoe konden wij anders? Ons keuze was gemaakt!

Gedurende een zakenreis stelde ik mijn baas van mijn plannen op de hoogte. Hij luisterde rustig en wierp toen een aantal argumenten in de schaal die, van menselijk standpunt uit bezien, mij van gedachte hadden kunnen doen veranderen. Onze beslissing was echter op Gods Woord gebaseerd en met de hulp van zijn geest en liefde voor waarheid konden wij voet bij stuk houden. Wij vonden een koper voor mijn huis en op de ochtend van ons vertrek naar Parijs via Bern werden de officiële papieren getekend.

PIONIERSDIENST IN FRANKRIJK

De broeders en zusters in Parijs bereidden ons een warm welkom. Het bureau wees ons het Département Hautes-Pyrénées toe en een paar dagen later vertrokken wij samen met broeder Hausner, een Tsjechische pionier, naar onze bestemming. In Tarbes, de belangrijkste stad van het département, zouden wij nog een pionier, broeder Riet, ontmoetten. Bij onze aankomst wisten wij een kleine gemeubileerde kamer te krijgen. Wat een verschil met ons schone ordelijke huis! Zowel hierover als over de verandering in voeding hadden wij echter van tevoren nagedacht. Zonder nog verder tijd te verliezen begonnen wij met de prediking van het goede nieuws, hetgeen ons veel meer vreugde schonk dan onze dienst van vroeger, die veel beperkter was.

„Wat is er aan de hand vrouwtje? Waarom ben je zo rusteloos?” vroeg ik mijn vrouw een beetje bezorgd. „O, niets speciaals; ik heb alleen maar wat jeuk”, antwoordde zij. Ik deed het licht aan, en o! daar namen de kleine rode diertjes die wij nog niet eerder hadden ontmoet, haastig de vlucht. Neen, in onze onwetendheid hadden wij hier niet op gerekend. Wij maakten de lakens schoon en plaatsten de vier poten van ons bed in bakjes met petroleum. Dat is de manier om ze uit de buurt te houden, zo dachten wij. Maar mis! In de nacht klommen ze tegen de muren op en lieten zich, waarschijnlijk geleid door onze warme adem, veilig op ons bed vallen. Broeder Riet, die meer ervaring had met deze kleine bezoekers, gaf ons echter een goede raad. Ze hebben gewoon een hekel aan varenbladeren onder de matras. Dit bleek waar te zijn, en al gauw keerden deze onwelkome diertjes ons de rug toe.

Nog maar net hadden wij deze kleine moeilijkheid overwonnen, of wij werden bij de préfecture geroepen. Deze beambte ontving mij tamelijk nors en zei: „Hebt u niet gezegd dat u een toerist bent en hebt u niet een wereldberoemde firma als referentie opgegeven? En nu merken wij dat u religieuze boeken probeert te verspreiden onder de inwoners van deze plaats.” Ik antwoordde: „Ik doe dit werk niet met winstgevende bedoelingen, maar ik benut mijn vrije tijd ten einde oprechte personen te helpen een kennis van vertroostende bijbelse waarheden te verkrijgen.” Hij vroeg mij hem twee boeken te geven en ik werd tijdelijk vrijgelaten met het uitdrukkelijke bevel niet met mijn werk door te gaan. Zij zouden mij weer oproepen. Hier had ik niet op gerekend — tenminste niet zo vlug. Zou het kunnen zijn, dat wij met het werk waarmee wij nog maar zo pas waren begonnen, zouden moeten ophouden, en dat wij het risico zouden lopen om uit het land gezet te worden? Onder ons groepje van vier heerste grote droefheid toen wij voor het bureau in Parijs ons onplezierige rapport opstelden. Vurig baden wij Jehovah om de autoriteiten dusdanig te leiden, dat zij een beslissing in ons voordeel zouden nemen. Er gebeurde niets. Dag na dag verstreek. De spanning onder ons werd voortdurend groter. Toen, eindelijk, kwam een politieagent ons een nieuwe oproep brengen. Na Jehovah’s leiding gevraagd te hebben, ging ik met gemengde gevoelens naar de préfecture. Ik werd door dezelfde beambte ontvangen en zijn veranderde gelaatsuitdrukking schonk mij enige moed. Hij gaf mij de twee boeken terug en zei glimlachend: „Op één voorwaarde mag u in uw ’vrije tijd’ met dit werk blijven voortgaan — dat u elke avond naar Tarbes terugkeert” Terwijl mijn hart overvloeide van vreugde en mijn voeten nauwelijks de grond schenen te raken, haastte ik mij naar huis. Hoe gelukkig en hoe vol dankbaarheid waren wij tegenover onze hemelse Vader, wiens leiding zo duidelijk was gebleken!

Hierna hadden wij veel vreugde en vele zegeningen bij het zaaien van de waarheid en het brengen van nabezoeken. Ja, mijn huwelijkspartner en ik waren het er over eens dat dit werkelijk de gelukkigste tijd van ons leven was. Door deze ervaringen werd onze liefde voor onze hemelse Vader en zijn geliefde Zoon zeer gesterkt.

GROTERE MOEILIJKHEDEN OVERWONNEN

Op een dag kwamen wij, na een dorp in de buurt te hebben bewerkt, op een open weide bij elkaar voor ons gezamenlijke middagmaal. Het was een zachte herfstdag. Hier en daar konden wij boeren met hun met paarden bespannen wagens over de velden zien rijden; de meeste van hen hadden een jachtgeweer bij zich zodat zij, indien de gelegenheid zich voordeed, wilde eenden en andere dieren konden schieten. Wij zagen een van deze jonge boeren in onze richting rijden. Hij trok de teugels aan, waarna de wagen tot stilstand kwam. Hij zwaaide het geweer van zijn schouder en sprong van de wagen. Er klonk een schot en de man zonk op de grond ineen. Een vrouw begon hysterisch te gillen en hevig geschrokken renden wij met de andere boeren naar de plaats van het ongeluk.

„Kan ik ergens bij helpen?” vroeg ik. „O ja, want u heeft een auto. Hier is het adres van de dokter in de dichtstbijzijnde stad; laat hem alstublieft zo vlug mogelijk komen.” Ik liet mijn drie partners achter en spoedde mij naar de stad. Haastig pakte de dokter zijn tas in en volgde mij in zijn eigen auto. Ongelukkig genoeg was het al te laat.

Twee dagen later werd er ’s morgens om vijf uur hard op onze deur geklopt. „Doet u open; wij zijn van de politie. U moet onmiddellijk met ons mee.” Ik schoot mijn kleren aan en opende de deur. Er stonden twee politieagenten te wachten om mij mee te nemen naar de Gendarmerie Nationale. Nadat ik er een half uur gezeten had, werd ik bij de ambtenaar gebracht. „Waar was u eergisteren om zo en zo laat” was de eerste vraag. „Wat deed u op dat ogenblik” Ik moest de ene vraag na de andere beantwoorden en hoe langer dit duurde, hoe vriendelijker de beambte werd. Na twintig minuten werd ik naar een andere kamer geleid, waar ik tot mijn verbazing broeder Riet vond. Er waren ternauwernood vijf minuten verstreken toen broeder Hausner na een kort verhoor binnenkwam. Zonder een verklaring of wij in verband met de ongelukkige dood van de boer waren verhoord, werden wij weer vrijgelaten. Waarschijnlijk waren wij door iemand aangeklaagd, maar door onze met elkaar overeenkomende verklaringen was de samenzwering op niets uitgelopen. Wij konden nog niet voorzien van welk voordeel dit nauwere contact met de politie voor ons zou zijn.

Vanaf dit ogenblik gingen wij in ons grote gebied altijd het eerst naar het bureau van politie en boden wij de politiebeambten onze bijbelse lectuur aan. Hiermee wilden wij als het ware zeggen: „Nu weten jullie dat wij er zijn.” Ja, zij leerden ons kennen en gaven daarom geen uitvoering aan het verlangen van fanatieke katholieken en hun priesters die opbelden om over ons te klagen.

Een vermeldenswaardige uitzondering vormde het geval van een politieagent die, overeenkomstig het bevel van de brigadier, heel zorgvuldig mijn auto doorzocht en een klein tasje en een zware boekentas vond. „Open deze tas”, beval de brigadier. „O, het is een grammofoon!” Tot mijn grote vreugde moest ik een paar platen voor hen draaien. Hierdoor werd een goed getuigenis gegeven, waarmee de zaak was afgehandeld.

Nadat broeder Riet en broeder Hausner naar hun nieuwe toewijzing in Algerië waren vertrokken, moesten mijn vrouw en ik met ons tweeën Toulouse bewerken. Onze vreugde in Jehovah’s werk nam niet af, maar groeide doordat wij vele mensen van goede wil vonden en met sommige van hen De Wachttoren gingen bestuderen. Een ouder echtpaar gaf bij elke gelegenheid getuigenis aan hun vrienden, terwijl twee jongere mensen met ons in de velddienst gingen uittrekken. Er waren goede vooruitzichten voor de oprichting van een gemeente.

Toen wij begin augustus 1939 naar Zwitserland vertrokken om het congres in Zürich te bezoeken, lieten wij het grootste deel van onze persoonlijke bezittingen bij onze vrienden in Toulouse achter en namen met een gelukkig „Au revoir” afscheid van hen. Tot op de huidige dag hebben wij elkaar echter niet weergezien. Wij waren nog maar net de grens over, toen deze met prikkeldraad werd versperd en de tweede Wereldoorlog zich met al zijn verschrikkelijke gevolgen aankondigde. Later hoorden wij dat er in Tarbes en speciaal in Toulouse krachtige gemeenten zijn opgericht.

VERDERE DIENST IN ZWITSERLAND

Ondanks alles zetten wij ons zendingswerk in eigen land voort en een jaar later werden wij naar het Bethelhuis in Bern geroepen. Dit is een groots voorrecht geweest en in de afgelopen periode van eenentwintig jaar hier op Bethel hebben wij in gunstige tijd en in moeilijke tijd onze liefde voor goddelijke waarheid kunnen tonen en versterken.

Op een grote bijeenkomst in dezelfde zaal te Luzern als die waarin broeder Rutherford had gesproken, bleek dit voordelen voor mij af te werpen, want buiten mijn werk op Bethel was ik ook nog districtsdienaar. Mijn lezing was op grote schaal aangekondigd, maar de Katholieke Actie bleef niet werkeloos toezien. De zaal was tot de laatste plaats bezet. In de eerste vijftien minuten gebeurde er niets. Toen, terwijl ik aan de hand van de bijbel bewees dat de religieuze stelsels van de christenheid niet hun standpunt hadden ingenomen tegen de twee wereldoorlogen en zich hier niet krachtig tegen hadden verzet, riep een stem van de achterste rijen van het balkon, „Dat is niet waar!” Onmiddellijk reageerden verscheidene jongemannen in het midden en aan de zijkanten van de zaal hierop en begonnen te fluiten. Jehovah schonk mij de kracht om de ordeverstoorders rustig terecht te wijzen en hen te verzoeken kalm te blijven. Met uitzondering van twee of drie personen die de zaal verlieten, luisterden zij. Na twintig minuten namen de zaken echter een ernstiger wending en begon er een „fluitconcert”, terwijl sommige jongemannen opstonden. De ordedienaren hielden hen een tijdlang onder controle, maar toen onderbrak ik mijn lezing en vroeg alle aanwezigen: „Stemt u in met het gedrag van deze mensen” Een luid „Neen” was het antwoord. „Dan zou ik degenen die het niet met mijn woorden eens zijn, willen aanraden mijn lezing tot het eind te beluisteren, aantekeningen te maken en daarna openlijk hun bezwaren en vragen kenbaar te maken.” Dit had de gewenste uitwerking en de lezing kon tot het eind toe worden uitgesproken. Het was hartverwarmend om na afloop kleine groepjes jongemannen rond rijpe broeders te zien, die de waarheid met hen bespraken en hun lectuur overhandigden; later zagen wij hen rustig en zelfs een beetje beschaamd de zaal verlaten. Verscheidene van hen bezochten alle lezingen die hierna in deze stad werden gehouden.

Bethel blijft ons een afwisselend leven, vele dienstvoorrechten en onuitsprekelijke vreugden schenken, maar brengt ook beproevingen op allerlei gebied met zich mee. Vroegere werkgevers en familieleden hebben mij herhaaldelijk verleidelijke aanbiedingen voor werk gedaan. Wij hebben onszelf de vraag gesteld: „Zou het niet onredelijk en uitermate onverstandig zijn om op basis van dergelijke vergankelijke dingen de weg der waarheid en de weg ten leven te verlaten” Steeds weer hebben wij deze verlokkingen vastbesloten van de hand gewezen. Wie schenkt ons de noodzakelijke kracht? Jehovah, onze goedgunstige hemelse Vader die ons in zijn liefde heeft geleid. Wij hebben zijn waarheid lief en koesteren van ganser harte de wens dat wij deze met zijn hulp nooit de rug zullen toekeren.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen