Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w62 15/9 blz. 568-572
  • Heb uw naaste lief, niet de wereld

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Heb uw naaste lief, niet de wereld
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1962
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • JEZUS STELDE HET VOORBEELD
  • DE WERELD LIEFHEBBEN? — NEEN!
  • DE NAASTE LIEFHEBBEN? — JA!
  • Wat het betekent onze naaste lief te hebben
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2006
  • „Gij moet uw naaste liefhebben als uzelf”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2014
  • Heb jij je naaste lief als jezelf?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2015
  • Wie is mijn naaste?
    Ontwaakt! 1986
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1962
w62 15/9 blz. 568-572

Heb uw naaste lief, niet de wereld

HET was hartje winter en de automobilist die hulp nodig had, begon de moed te verliezen. Hij had al enige tijd wanneer er auto’s voorbijreden tevergeefs om hulp staan wenken. Eindelijk kwam er een vrachtrijder langs die, toen hij zag in welke benarde omstandigheden de automobilist zich bevond, de rol van de barmhartige Samaritaan tegenover hem vervulde. Deze hulpvaardigheid bracht de betreffende automobilist echter innerlijk in beroering. Waarom? Omdat, zoals hij het zelf uitdrukte: „Mijn God! Dat van al die mensen die passeerden nu net die ene die stopte en hielp een van de mensen van de Wachttoren moest zijn!”, dat wil zeggen, een van Jehovah’s getuigen. Op de vrachtwagen stond de naam Wachttoren en de chauffeur was een lid van het personeel van het kantoor te Brooklyn, VS, van dat Genootschap.

Deze mensen hebben zich door hun goede christelijke manieren een benijdenswaardige reputatie verworven. Professor B. Bettleheim beschrijft in zijn onlangs uitgegeven boek The Informed Heart (1960), waarin hij over zijn ervaringen in een Duits concentratiekamp vertelt, de Getuigen als „voorbeeldige kameraden, . . . de enige groep gevangenen die een andere gevangene nooit zouden mishandelen of bedriegen”.

Waarom hebben sommige mensen een antipathie tegen de Getuigen, terwijl anderen zich zo gunstig over hen uitlaten? Vanwaar deze verschillende meningen? Wegens het feit dat sommigen in gebreke zijn gebleven om net als de Getuigen onderscheid te maken tussen liefde voor de wereld en liefde voor de naaste. Gods Woord verklaart duidelijk dat christenen de wereld niet mogen liefhebben, en even duidelijk dat christenen hun naaste dienen lief te hebben.

Aan de ene kant krijgen wij dus het gebod: „Hebt de wereld niet lief” en de waarschuwing: „Weet gij niet, dat de vriendschap met de wereld vijandschap tegen God is? Wie dus een vriend der wereld wil zijn, wordt metterdaad een vijand van God.” Bovendien verklaarde Jezus dat hij, zijn volgelingen en zijn koninkrijk geen deel van de wereld waren en dat hij niet ten behoeve van de wereld tot God bad. — 1 Joh. 2:15; Jak. 4:4; Joh. 17:9, 16; 18:36.

Aan de andere kant wordt er echter toch van christenen verlangd dat zij ’hun naaste als zichzelf liefhebben’ en „doen wat goed is voor allen”. Hoe kunnen christenen hun naaste liefhebben en toch de wereld, waarvan wij kunnen zeggen dat ze uit hun naasten bestaat, niet liefhebben? In die zin dat zij onderscheid maken tussen een „wereld”, „samenstel van dingen”, organisatie of regeling en de afzonderlijke personen die dat samenstel uitmaken. — Luk. 10:27; Gal. 6:10.

Om een voorbeeld te noemen: In de Verenigde Staten zijn twee grote politieke partijen, de Republikeinen en de Democraten. Een goed en loyaal Republikein zou beslist geen bijdragen aan de Democratische partij overmaken ten behoeve van de verkiezingscampagne, noch zou hij op de Democraten stemmen of dezen helpen bij hun campagne tegen de Republikeinen. En wanneer de Democraten aan het bewind zouden zijn, zou hij zich niet, louter om in politiek opzicht begunstigd te worden, met de Democraten verbroederen. Neen, uit loyaliteit jegens zijn partij, zou hij niets van dit alles doen. Dat betekent echter niet dat hij geen belasting zou betalen alleen omdat de Democraten het beheer over de belastingen hebben. Het betekent evenmin dat, indien hij een buurman heeft die Democraat is, hij hem niet zou helpen wanneer zijn huis in brand staat, louter en alleen omdat hij Democraat is, of dat hij geen noodzakelijke zaken met hem zou doen, iets van hem zou kopen of iets aan hem verkopen. Natuurlijk niet! Hij maakt dus onderscheid tussen het Democratische politieke samenstel van dingen en de personen waaruit die partij bestaat en die nu toevallig zijn buren zijn.

JEZUS STELDE HET VOORBEELD

Jezus maakte tijdens zijn gehele bediening een duidelijk onderscheid tussen deze twee begrippen. Toen Satan hem zijn wereld, dat wil zeggen alle koninkrijken ervan, aanbood, op voorwaarde dat hij zich zou neerwerpen en een daad van aanbidding jegens hem zou verrichten, „zeide Jezus tot hem: Ga weg, satan! Er staat immers geschreven: Den Here, uw God, zult gij aanbidden en Hem alleen dienen”. Hij erkende dat Satan, zoals de apostel Paulus het later uitdrukte, „de god van dit samenstel van dingen” is, en daarom paste hij ervoor op dat Satan ’geen vat op hem zou krijgen’. — Matth. 4:10; 2 Kor. 4:4; Joh. 14:30, NW.

Wat die wereld tot Satans samenstel van dingen maakte, was niet alleen het feit dat Satan er de god van was, maar ook dat de elementen waardoor ze werd beheerst door Satan werden bestuurd en deden wat hij gebood. Wat waren die heersende elementen? De politiek, de handel en de valse religie. Jezus hield zich van alle drie afgezonderd en afgescheiden. Hij mengde zich niet in de politiek van zijn tijd. Hij weigerde zich bij de Romeinse regering aan te sluiten en sprak over de vertegenwoordiger ervan, Herodes Antipas, als ’die vos’. Hij werkte niet met caesar samen, maar betaalde slechts „aan Caesar terug wat van Caesar is, maar aan God wat van God is”. Hij stond zelfs niet toe dat zijn eigen volk hem tot zijn koning kroonde, want wij lezen dat „daar Jezus bemerkte, dat zij zouden komen en Hem met geweld meevoeren om Hem koning te maken, . . . Hij Zich weder . . . in het gebergte [terugtrok], geheel alleen”. — Luk. 13:32; 20:25, NW; Joh. 6:15.

Jezus liet zich evenmin door de handel meeslepen, door rijkdommen te verzamelen. Hij gaf zijn volgelingen de raad schatten in de hemel te vergaren, niet op aarde, en de bediening gratis te verrichten, daar hij hun de waarheid ook kosteloos had geschonken. Hij dacht zelfs zo weinig aan materiële bezittingen, dat hij „geen plaats” had „om het hoofd neer te leggen”. — Luk. 9:58.

Jezus maakte geen gemene zaak met het religieuze element van Satans samenstel van dingen. Verre van dat. Hij sprak vrijmoedig zijn oordeel over de vertegenwoordigers ervan uit. „Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars”! „Gij hebt den duivel tot vader.” Jezus was geen voorstander van intergeloof, want, zoals hij verklaarde, „niemand zet een niet-gekrompen lap op een oud kledingstuk . . . Ook doet men jongen wijn niet in oude zakken”. Het was duidelijk dat Jezus de wereld van zijn tijd, Satans samenstel van dingen dat uit politiek, handel en valse religie bestond, niet liefhad. — Matth. 23:29; Joh. 8:44; Matth. 9:16, 17.

Hoe groot was zijn liefde echter voor zijn medemensen! „Toen Hij de scharen zag, werd Hij met ontferming over hen bewogen, daar zij voortgejaagd en afgemat waren, als schapen die geen herder hebben.” Hij smeekte hun: „Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want mijn juk is zacht en mijn last is licht.” — Matth. 9:36; 11:28-30.

Hij gaf blijk van zijn naastenliefde door in de allereerste plaats de waarheid betreffende zijn Vader en het goede nieuws betreffende het koninkrijk van zijn Vader tot hen te prediken. Ruim drie jaar trok hij te voet door Palestina — Galiléa, Judéa en Perea — predikend en onderwijzend in de synagogen, in de tempel te Jeruzalem, in de huizen der mensen, in de bergen en aan de kust. En om zijn boodschap nog meer kracht bij te zetten, verrichtte hij allerlei wonderen, hij genas zieken, voedde grote menigten en wekte zelfs doden op. Er heeft beslist geen enkel mens voor of na hem geleefd die tijdens zijn leven een dergelijke naastenliefde heeft tentoongespreid. Als het allergrootste blijk hiervan gaf hij zijn leven voor het leven van de wereld. Hield Jezus van de wereld of het goddeloze stelsel van zijn tijd? Neen! Hield hij van zijn naasten? Beslist wel!

DE WERELD LIEFHEBBEN? — NEEN!

De wereld is sinds de tijd van Jezus niet veranderd, zelfs al heeft voor de meeste lezers van deze regels de christenheid de plaats van het judaïsme uit Jezus’ dagen ingenomen. Satan is nog steeds de god van deze wereld; de heersende elementen zijn nog steeds politiek, handel en valse religie. Louter het feit dat een groot deel van deze wereld de christenheid wordt genoemd, maakt de wereld nog niet christelijk. Hoe kan ze christelijk zijn wanneer ze in gebreke blijft Gods wetten en beginselen, zijn wil en koninkrijk te erkennen? Jezus zei: „Wie met Mij niet is, die is tegen Mij, en wie met Mij niet bijeenbrengt, die verstrooit.” — Matth. 12:30.

Hoe kan een christen deel van een stadsbestuur en een nationale regering uitmaken wanneer de politiek ervan naar corruptie riekt? Er gaat nauwelijks een dag voorbij zonder dat er iets van aan het licht komt; een bijzonder goed gedocumenteerd voorbeeld is „Vuil geld in Boston”, een artikel dat in het tijdschrift Atlantic van maart 1961 verscheen. In een stad die trots is op haar godsdienstigheid, heeft de onverschilligheid voor corruptie een nieuw hoogtepunt bereikt. Een oprecht christen zou beslist niets met een dergelijke oneerlijke politiek te maken kunnen hebben. „Slechte omgang bederft nuttige gewoonten.” — 1 Kor. 15:33, NW.

Wat is er christelijk aan de meedogenloze en in de grond oneerlijke handel van deze tijd? Onlangs werden er hoge functionarissen van enkele van de grootste maatschappijen in de Verenigde Staten gearresteerd omdat zij de regering en anderen voor miljoenen dollars hadden bedrogen. De grote zakenwereld staat wanneer het om winst gaat voor niets: ze verderft de jeugd door middel van pornografisch vermaak en gewelddadigheid; ze verderft politici, hetzij direct of indirect, door middel van steekpenningen; ze verderft de vader van een gezin door van de diensten van prostituées gebruik te maken. Waarschuwt de apostel niet: „Want de wortel van alle kwaad is de geldzucht. Door daarnaar te haken zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten doorboord”? — 1 Tim. 6:10.

En hoe staat het met de populaire religiën van de christenheid? Dat zij gemene zaak maken met corrupte politici en de meedogenloze en oneerlijke handel is al voldoende om hen te veroordelen; hetzelfde geldt voor het feit dat, terwijl het aantal aanhangers van de verschillende religiën zeer in aantal toeneemt, de moraal van de maatschappij gestadig achteruitgaat, alsook voor de verwarring die zij door hun tegenstrijdige geloofsbelijdenissen stichten. Volgens Gods Woord is Christus niet verdeeld, maar de religie der christenheid is dit wel, en niet alleen verdeeld in vele sekten maar enkele van deze op zich hebben zich op hun beurt weer in tientallen denominaties gesplitst, wat een snijdend getuigenis van hun onbekwaamheid om harmonieus met elkaar om te gaan vormt. — 1 Kor. 1:13.

Het is dus duidelijk dat een oprecht christen, iemand die zich heeft opgedragen om de wil van God te doen, geen deel van Satans wereld als zodanig kan zijn. Hij gebruikt de wereld in die zin dat hij profijt trekt van de faciliteiten die ze te bieden heeft, terwijl hij voor de daardoor verkregen voordelen betaalt. Hij wordt er echter geen deel van, hij laat zich niet meeslepen door hebzucht en eerzucht, en bezwijkt niet voor de bekoring en verleiding van de wereld, zoals het geval was met een van de medewerkers van de apostel Paulus: „Want Demas heeft mij uit liefde voor de tegenwoordige wereld verlaten.” Neen, de christen slaat acht op de waarschuwing van de geliefde discipel: „Hebt de wereld niet lief en hetgeen in de wereld is. Indien iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. Want al wat in de wereld is: de begeerte des vlezes, de begeerte der ogen en een hovaardig leven, is niet uit den Vader, maar uit de wereld. En de wereld gaat voorbij en haar begeren, maar wie den wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid.” — 2 Tim. 4:10; 1 Joh. 2:15-17.

DE NAASTE LIEFHEBBEN? — JA!

De wereld niet liefhebben, wil echter nog niet zeggen dat de christen van thans zijn naaste niet mag liefhebben of zijn naaste niet liefheeft. Hij maakt onderscheid tussen het samenstel van dingen dat door Satan wordt beheerst en de afzonderlijke personen, de menselijke medeschepselen, die door Satan gevangen worden gehouden. Hij heeft zijn naaste in zoverre lief als zichzelf, dat hij hem behandelt op een wijze zoals hij door zijn naaste behandeld wil worden. Hij is altijd bereid zijn naaste, indien de omstandigheden dit nodig maken, te hulp te komen, zoals die christelijke vrachtwagenchauffeur deed die in het begin van deze bespreking werd genoemd. Net als de Samaritaan uit Jezus’ gelijkenis maakt hij van alle gelegenheden gebruik om iemand die in ernstige moeilijkheden verkeert behulpzaam te zijn. Hij slaat acht op het gebod om goed te doen jegens alle mensen wanneer de gelegenheid zich daartoe voordoet, maar vooral jegens zijn medechristenen. — Luk. 10:30-37; Gal. 6:10.

Toch komt het wel voor dat opgedragen christenen in hun wens vriendschap met de wereld te vermijden, wat dit betreft tekort schieten. Omdat zij zich hebben opgedragen om als christelijke bedienaren van het evangelie Gods wil te doen, zijn zij misschien geneigd de gedachte te koesteren dat de enige soort van hulp die zij anderen kunnen geven geestelijk is, maar dat is niet het geval. Het is wel de belangrijkste soort, maar er zijn gelegenheden waarbij een naaste materiële of stoffelijke bijstand nodig heeft, en dan dient men deze, indien men hiertoe in staat is, te verstrekken, hoewel men zich natuurlijk niet door sentimentaliteit moet laten leiden en tot uitersten moet vervallen.

Hoewel een christen dus steeds bereid moet zijn naar gelang van zijn eigen middelen en de behoeften van anderen materiële bijstand te verlenen, mag hij nooit vergeten dat alle personen in de huidige wereld die rechtvaardigheid liefhebben in geestelijke zin in grote nood verkeren; hun ontbreekt begrip van Jehovah God, zijn naam, Woord en voornemens, alsook van zijn wil voor hen. De beste manier waarop christenen liefde kunnen betonen, is door ijverig aan deze geestelijke behoefte te voldoen, want terwijl „de wijsheid beschermt evenals het geld, . . . is [het] een voordeel te weten: de wijsheid doet haar bezitters leven”. — Pred. 7:12.

Er is van de zijde van christenen heel wat naastenliefde voor nodig om regelmatig van huis tot huis te gaan, beledigende opmerkingen, onverschilligheid en wat niet al te negeren, en dat onder alle weersomstandigheden, en anderen ertoe aan te sporen zich van Gods voorzieningen voor eeuwig leven op de hoogte te stellen. Zij zouden dit alles niet doen indien zij de wereld zouden liefhebben. Dienen wij dus de wereld lief te hebben? Neen! Dienen wij onze naaste lief te hebben? Ja!

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen