Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w61 1/10 blz. 589-591
  • De koninkrijksbelangen op de eerste plaats

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • De koninkrijksbelangen op de eerste plaats
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1961
  • Vergelijkbare artikelen
  • Koninkrijksbedienaren opleiden
    Gods Koninkrijk regeert!
  • De theocratische bedieningsschool werpt voordelen af
    Handleiding voor de Theocratische Bedieningsschool
  • Hoe worden Getuigen van Jehovah opgeleid voor hun evangelisatiewerk?
    Veelgestelde vragen over Jehovah’s Getuigen
  • De Bedienarenopleidingsschool — Een grote deur die tot activiteit leidt
    Onze Koninkrijksdienst 2004
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1961
w61 1/10 blz. 589-591

De koninkrijksbelangen op de eerste plaats

DE SPECIALE opleiding voor opzieners van de gemeenten van Jehovah’s getuigen, welke door middel van een één maand durende cursus op de door het Wachttorengenootschap ingestelde Scholen der Koninkrijksbediening wordt verschaft, is met intense waardering ontvangen. Voor mannen echter die een gezin moeten onderhouden — en dat in een tijd waarin het moeilijk is werk te vinden — betekent het treffen van regelingen om de school te bezoeken dat zij een sterk geloof moeten bezitten.

Degenen die de school hebben bezocht, hebben een probleem onder de ogen moeten zien. Neen, het probleem betrof niet de vraag of zij naar de school zouden gaan of niet, want hierop wisten zij het antwoord. Het betrof echter de vraag: Zou hun werkgever hun een hele maand of langer vrij willen geven en bij hun terugkomst nog steeds een baan voor hen hebben? Ongeacht hoe het antwoord zou luiden, zij wisten dat zij juist handelden wanneer zij hun dienst voor God op de eerste plaats stelden.

Toen sommige werkgevers vernamen dat de gemeentedienaar een gratis opleiding zou ontvangen om hem ervoor toe te rusten zijn werk als opziener doeltreffender te verrichten, verbaasden zij zich over de door de organisatie getoonde belangstelling voor degenen die haar vertegenwoordigen. Alleen al de gedachte dat er voor de opleiding of zelfs voor kost en inwoning gedurende de cursusduur, in het geheel geen vergoeding werd gevraagd, wekte bij hen verbazing. En wat was het doel van de opleiding? Niet commercieel, niet dat de opziener meer geld zou kunnen verdienen voor de een of andere organisatie, zelfs niet dat hij voor zichzelf meer geld zou kunnen verdienen, maar dat hij op een doeltreffender wijze voor de geestelijke behoeften van zijn gemeenteleden zou kunnen zorgen. Dat het Wachttorengenootschap de opleiding gratis verschafte en de opziener bereid was hier zijn tijd aan te geven, heeft sommige werkgevers het gevoel gegeven dat het verlenen van een beetje medewerking wel het minste was wat zij konden doen.

In andere gevallen kregen de gemeentedienaren geen spontane medewerking van hun werkgever. Dit bleek voor de betreffende dienaren een beproeving op hun geloof te zijn, maar een beproeving die zij met Jehovah’s hulp het hoofd hebben kunnen bieden.

Een gemeente-opziener van Fort Worth, in de Amerikaanse staat Texas, verhaalt de volgende ervaring: „Toen ik mijn uitnodiging ontving om de School der Koninkrijksbediening te South Lansing, New York, te bezoeken, ging ik naar de eigenaar van het bedrijf waar ik werkte om hem zes weken vrijaf te vragen. Het antwoord luidde zeer definitief Neen, en toen ik mijn werkgever mededeelde dat ik toch zou gaan, begon hij advertenties te plaatsen om mij als chef in zijn bedrijf te vervangen. . . .

De maandag voordat ik zou vertrekken, zond de eigenaar briefjes naar de zestien afdelingshoofden met de mededeling onmiddellijk met mij in contact te treden indien dit in het belang van het werk nodig was, aangezien ik gedurende de volgende zes weken met verlof was.

Toen ik vóór mijn vertrek mijn laatste salaris uitbetaald kreeg, vroeg ik of ik mijn vakantiegeld mocht hebben, aangezien mijn gezin dit nodig zou hebben. Mijn werkgever antwoordde: ’Wat zou u ervan denken wanneer ik uw vrouw alleen maar uw volgende salaris uitbetaal? Dan kunnen wij uw vakantiegeld voor de zomer bewaren, want dan zult u, net als andere jaren, vast weer weg willen gaan.’”

De opziener in Burlington, in de Amerikaanse staat Noord-Carolina, deed de volgende ervaring op: „Toen ik om een maand vrij vroeg ten einde naar de School der Koninkrijksbediening te gaan, zei mijn afdelingshoofd dat hij niemand iets in de weg wilde leggen die de Heer trachtte te dienen. De volgende dag deelde onze directeur mij echter mee dat ik mijn ancienniteit en verzekering zou verliezen wanneer ik extra verlof zou nemen en dat zij, wanneer zich onvoorziene omstandigheden zouden voordoen, iemand voor mij in de plaats zouden moeten nemen. Toch was ik vastbesloten om de school te bezoeken en daarom zei ik dit ook.

Vlak voordat ik naar de school ging, kwam mijn afdelingshoofd naar mij toe om mij te zeggen dat ik me gedurende de maand dat ik weg was, geen zorgen moest maken, want dat mijn verzekering voor mijzelf en mijn gezin gewoon doorging en ik bij mijn terugkeer promotie zou maken. Ik sprak mijn waardering uit voor alles wat hij voor mij had gedaan, maar zei hem dat ik meer belangstelling had voor mijn bediening dan voor het op mij nemen van meer verantwoordelijkheden op mijn wereldse werk, en ook dat ik gedurende de zomer nóg twee weken vrij moest hebben om ons congres in Texas te bezoeken. Hij zei dat hij tot dusver altijd al iets voor mij had geregeld en dit deze zomer ook weer zou doen.”

Een gemeentedienaar en tevens pionier in de Amerikaanse staat Noord-Carolina schrijft het volgende: „Mijn vrouw en ik waren geweldig blij toen ik de uitnodiging ontving de 17de klas van de School der Koninkrijksbediening te South Lansing, New York, te bezoeken. Wij zijn nu reeds verscheidene jaren in de gewone pioniersdienst en ik was erg verheugd om een opleiding te ontvangen waardoor mijn bekwaamheid om Jehovah’s Koninkrijksboodschap uit te dragen, verbeterd zou worden.

Er doemde echter één probleem op aan de horizon. Ik werkte ongeveer anderhalf jaar bij de maatschappij . . ., en de soort van baantjes waardoor mijn vrouw en ik in staat waren te pionieren, zijn schaars in dit gebied. Toen ik mijn chef over het bezoeken van de bijbelschool vertelde, was hij sceptisch. Hij wees er snel op dat de laatste drie mannen die langer dan twee weken vakantie hadden genomen, waren ’afgedankt’. Ondanks dit antwoord ging ik naar het districtshoofd om met hem over de school te spreken. Ik vertelde hem over de opvoedkundige waarde van de cursus, de lessen in het spreken in het openbaar en het doel van de opleiding. Toen ik uitlegde dat ik vier weken vrij nodig zou hebben om de school te bezoeken, dacht hij enkele ogenblikken na en zei: ’Ik weet dat u uw religie ernstig opneemt en dat is voor iedereen goed. Ik zal een uitzondering maken en u laten gaan omdat ik met uw werk sympathiseer en wegens uw goede staat van dienst bij ons.’ Toen ik over het vakantiegeld van een week wilde gaan praten, onderbrak hij mij met de woorden: ’Maakt u zich geen zorgen over geld. Ik zal uw salaris gewoon doorbetalen op voorwaarde dat u dit niet op het kantoor gaat rondbazuinen. Per slot van rekening’, zo zei hij, ’is dit een zeldzame uitzondering’.

Toen ik de eigenaar van het caravankamp waar ik met mijn wagen sta, over de school vertelde, zei hij dat hij mij geen cent in rekening zou brengen voor de periode dat ik weg was en dat ik de caravan gewoon moest laten waar deze stond.

Als wij dus, hoewel onze problemen soms bergenhoog lijken, op Jehovah vertrouwen en op zijn vermogen om onze problemen op te lossen, zal het onze enige grote zorg zijn om zijn naam steeds meer te loven.”

De opziener te Beaumont, Californië, schrijft het volgende: „Toen ik mijn uitnodiging voor de School der Koninkrijksbediening ontving, had ik moeilijkheden met mijn stembanden, wat de dokter als ’predikantenkeelpijn’ omschreef. Het geneesmiddel, zo zei hij, was niet zoveel te spreken. Mijn enige inkomen trok ik uit de verkoop van goederen, en deze was gedurende de afgelopen paar maanden vrijwel nihil geweest, met het gevolg dat de rekeningen zich begonnen op te stapelen. Jehovah’s geest was echter werkzaam ten aanzien van ons, en mijn vrouw opperde het denkbeeld dat zij misschien wel een baantje kon krijgen. Zij slaagde hier inderdaad in en hoewel haar salaris niet voldoende was om alle uitgaven te bekostigen en de reis te betalen, was het beter dan niets. Zij nam dus haar potlood en blocnote ter hand als secretaresse terwijl ik haar schort voordeed en mijn stem spaarde. Met een bijdrage van de gemeente om het tekort aan te vullen, kan ik door Jehovah’s onverdiende goedgunstigheid de School der Koninkrijksbediening bezoeken.”

Een gemeentedienaar in Brooklyn, New York, vertelt dat hij driemaal naar zijn baas was geweest om verlof te vragen ten einde de School der Koninkrijksbediening te bezoeken. Alle drie de keren werd zijn verzoek van de hand gewezen, terwijl zijn werkgever de laatste keer kwaad was. Drie dagen later was het tijd om naar de school te gaan, en daarom ging de broeder weer naar zijn baas toe, maar deze keer om zijn volledige salaris op te vragen, daar hij zijn baan moest opzeggen. Bij deze gelegenheid ontving hij, na een lange conversatie waarin het doel van de school nog eens werd uiteengezet, toestemming om met verlof te gaan.

Sommigen die de school hebben bezocht zijn hierdoor hun wereldse baan kwijtgeraakt, maar zelfs dezen hebben niet het gevoel alsof de Here hen in de steek heeft gelaten. In het geheel niet! Hij heeft hen op de School der Koninkrijksbediening boven hun verwachting met goede dingen gezegend. Ook zal hij in de komende dagen niet nalaten hun gebed te verhoren: „Geef ons elken dag ons dagelijks brood” (Luk. 11:3). Zoals Jezus zelf heeft verzekerd, zullen degenen die oprecht eerst Gods koninkrijk zoeken, bemerken dat alle andere voor het leven noodzakelijke dingen hun toegeworpen zullen worden. — Matth. 6:33.

Deze opzieners hebben wat het op de eerste plaats stellen van de Koninkrijksbelangen betreft, een goed voorbeeld gesteld. Zij zijn wat zij volgens de apostel Petrus dienen te zijn: „voorbeelden der kudde” (1 Petr. 5:3). Anderen die zich bij de Nieuwe-Wereldmaatschappij hebben aangesloten, zullen hun goede voorbeeld nastreven. Wanneer zij in omstandigheden geraken waarin werelds werk het wellicht onmogelijk maakt een congres van Jehovah’s getuigen bij te wonen of wanneer het wereldse werk de gemeentevergaderingen begint te verdringen, zullen zij aan de raad denken welke in Hebreeën 13:7 staat opgetekend: „Houdt uw voorgangers in gedachtenis, die het woord Gods tot u hebben gesproken; let op het einde van hun wandel en volgt hun geloof na.”

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen