Mijn doel in het leven nastreven
Zoals Eva Barney dit heeft verteld
WAT zou een mens nog meer kunnen verlangen? Wat zou iemand nog meer in zijn leven kunnen wensen? Gezegend met een gezellig thuis, een goede baan, de beste kleren, geld op de bank, aandelen in een bonafide firma, de familie-auto altijd tot mijn beschikking en fantastische ouders — Ik dacht bij mijzelf: ’Is dit nu mijn doel in het leven nastreven?’ Doordat ik mij in 1923 aan Jehovah heb opgedragen, moest ik de goddelijke wil doen. Mijn leven moest van toen af aan door Gods Woord zoals dit mij door Zijn heilige geest en Zijn organisatie duidelijk wordt gemaakt, worden geleid.
Als resultaat van ijverige bijbelstudie kwam ik tot de conclusie dat ik mijn stoffelijke comfort moest opgeven om mijn doel in het leven te kunnen nastreven en dat ik de weg moest vrijmaken om al mijn tijd, kracht en hulpbronnen aan het prediken van „dit goede nieuws van het koninkrijk” te wijden. Er in de geest van overtuigd zijn is één, maar in overeenstemming met die overtuiging handelen is een tweede en ik vond het buitengewoon moeilijk. Hoe zou ik ooit mijn moeder, vader, thuis, baan en familie kunnen verlaten? En hoe zou het in financieel opzicht gaan? Wat zouden mijn kennissen en familieleden ervan denken? Omdat ik wist dat mijn vader heel kwaad zou zijn, kwamen er nog meer vragen bij mij op. Zou ik het kunnen?
DE PIONIERSDIENST IN
Volkomen onbekend met de strijd die in mijn binnenste woedde, schreef mijn goede vriendin Bessie How, een zeer vurige getuige van Jehovah, mij een brief waarin zij mij uitnodigde bij haar te komen vakantiepionieren. Blij aanvaardde ik haar vriendelijke en attente aanbod, onbewust van de verandering die door deze twee weken welke ik met het werken van huis tot huis doorbracht, in mijn leven gebracht zou worden. Nu was ik dus werkelijk vakantiepionierster. Ik kan nu begrijpen waarom het Genootschap de vakantiepioniersdienst heeft ingesteld, daar het die dienst was die mij aangaf hoe ik mijn doel in het leven kon nastreven.
De eerste stap was mijn wereldse werk op te geven. Ook nu kwam mijn goede vriendin Bessie mij te hulp bij het op schrift stellen van mijn verzoek tot ontslag. De volgende morgen stond ik in het kantoor van mijn chef met mijn ontslagaanvraag en het boek Bevrijding, daar ik haar deze persoonlijk wilde overhandigen. Zij was niet op haar kantoor. Bang dat ik plotseling van gedachten zou veranderen, legde ik ze snel op haar bureau en ging weg. Om vier uur die middag werd ik bij haar geroepen. Zij had mijn ontslagbrief gelezen en wilde nu meer inlichtingen over de reden waarom ik wegging. Dit was een goede gelegenheid en ik benutte ze ten volle. Haar reactie op mijn getuigenis was dat zij in alle jaren dat zij bij die firma werkte, nog nooit een dergelijke ontslagaanvraag had ontvangen. Gewoonlijk namen werknemers hun ontslag omdat zij gingen trouwen of om een beter betaalde baan te aanvaarden. Bovendien verschafte haar religie „niet dat soort van geloof — een goede baan laten varen voor werk dat geen financiële voordelen afwerpt”. Attent bood zij aan mij zes maanden vrij te geven om „uw nieuwe werk te proberen”. Ik sloeg haar aanbod af omdat ik het beter vond ’alle schepen achter mij te verbranden’ en vertrok, terwijl zij mij veel zegen en succes toewenste. Het volbrengen van deze stap in de richting van het uiteindelijke doel bracht mij grote vrede des geestes. Mijn uitingen van dankbaarheid gingen naar Jehovah voor de kracht die hij mij had geschonken.
Vader was natuurlijk woedend toen hij dit hoorde en kwaad voer hij uit dat indien ik het huis uit ging om „dat predikingswerk” te gaan doen, ik nooit weer terug behoefde te komen. Ik was vanzelfsprekend pijnlijk getroffen, maar vastbesloten om te gaan.
VOLDOENING PUTTEN UIT DE BEDIENING
Spoedig nadat ik afscheid had genomen van mijn kennissen en familieleden, waren mijn partner en ik op weg naar onze eerste toewijzing, Iroquois, Ontario, Canada. Nadat wij een kamer hadden gevonden en ons hadden geïnstalleerd, kreeg ik plotseling een vlaag van heimwee. De enige mogelijkheid was naar huis op te bellen. Mijn moeders stem klonk mij zo geruststellend in de oren dat het heimwee overging en er tevredenheid voor in de plaats kwam. Er kwam een wonderlijk gevoel van vrijheid over mij. Wat heerlijk was het! Vrij van de zorgen van deze wereld! Geen beslommeringen! De volle-tijd-dienst voor Jehovah bracht ons vervolgens naar Cardinal, Ontario, en daarvandaan werden wij naar Montreal, Quebec, gestuurd. Wat verfrissend was het met nog zeven pioniers, net als ik jonge mensen die Jehovah volkomen waren toegewijd, samen te werken! Ja, wij hadden onze problemen: slecht weer, onvoorziene uitgaven, ziekte, religieuze tegenstand en de bijna voortdurende hinder van de zijde van de politie en enkele arrestaties. Alle onaangename ervaringen werden echter ruimschoots vergoed daar wij op schapen gelijkende personen van goede wil vonden. Naarmate hun waardering voor de boodschap groeide, nam onze vreugde toe.
Regelmatig werden er brieven naar huis gezonden waarin opvallend vreugdevolle ervaringen werden verteld. Moeder was er blij mee, maar vader interesseerde zich er alleen voor wanneer ik thuis zou komen.
Toen hij stierf, moest ik weer een beslissing nemen. Moest ik mijn doel in het leven in Montreal blijven nastreven, moest ik thuis gebied aanvragen en daar pionieren, of moest ik werk zoeken en gemeenteverkondiger worden om mijn moeder thuis gezelschap te houden? Daar moeder een toegewijde Getuige was, stond zij erop dat ik met de pioniersdienst verder zou gaan. Daar ik mij verplicht voelde bij haar te blijven, vroeg ik gebied rondom de stad aan en pionierde ik van huis uit.
Plotseling ging ik mij onzeker voelen. Ik werd door twijfel en angst aangegrepen. Mijn bankrekening was uitgeput. Mijn effecten waren verkocht. Daar ik op mijn eigen inzicht steunde, helde ik over naar de mening dat ik er weer voor moest zorgen wat geld achter de hand te hebben. Toen ik vroeg op een ochtend op het punt stond weg te gaan om werk te zoeken, overhandigde moeder mij een brief. Wat kon dat nu zijn, om half acht ’s ochtends? Er zat geld in en ook een kort briefje dat luidde: „Hopelijk zal dit je helpen bij het pionierwerk.” Dat was voldoende! Sinds die tijd heb ik nooit meer getwijfeld aan Jezus’ belofte dat wij van het nodige voorzien zouden worden indien wij eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid zoeken (Matth. 6:33). In al die meer dan dertig jaar in de pioniersdienst is deze belofte nooit ijdel gebleken!
TIJDEN VAN VERVOLGING
In 1933 werden er speciale regelingen getroffen voor het verspreiden van Franse brochures in de stad Quebec. Ondanks de mogelijkheid gearresteerd en gevangengezet te worden, meldden zich tweehonderd vrijwilligers. Al gauw werden er dertig mannen en vrouwen gearresteerd en „ter ondervraging” naar het hoofdbureau van politie gebracht. Voordat wij vrijgelaten konden worden, moest er een borgsom worden gestort. Zelfs al zaten wij gevangen, toch hadden wij een gelukkige tijd. Degenen die het toezicht op de gevangenis uitoefenden, de „moeder-overste” inbegrepen, waren zeer verbaasd toen zij bemerkten dat er mensen waren die zelfs in de gevangenis vreugde hadden. En waarom niet? Wij waren getuigen van Jehovah en hadden niets te vrezen. Het kwam erop neer dat wij van een „samenzwering tot opruiing” werden beschuldigd. De rechtszaak, die vier dagen duurde, was levendig en interessant. Het was een geweldige ervaring. Jehovah schonk ons de overwinning.
In het begin van 1938, toen het Genootschap de speciale-pioniersdienst invoerde, ontving ik een aanvraagformulier. Terwijl ik nog overwoog wat ik zou doen, raadde een rijpe broeder mij aan elke uitnodiging die ik van het Genootschap zou ontvangen, te aanvaarden. De aanvraag werd goedgekeurd en tot op deze dag ben ik Jehovah er nog steeds dankbaar voor dat hij zijn aanbidders leert op elkaar te letten en tot juiste werken aan te sporen.
Hetzelfde jaar deed zich nog een verrukkelijk vooruitzicht voor — trouwen. Zou het huwelijk een belemmering zijn? Zouden wij als echtpaar ons doel in het leven kunnen blijven nastreven? Mijn aanstaande echtgenoot was ook speciale pionier. Wij redeneerden dat, daar wij als vrijgezel in staat waren als speciale pionier te werken, wij ook met de pioniersdienst konden voortgaan wanneer wij getrouwd waren. Al die tijd is mijn man een liefdevolle, attente metgezel geweest, die altijd klaar stond om mij te troosten en te bemoedigen.
Twee jaar later, in 1940, vaardigde de Canadese regering een verbod uit op de organisatie van Jehovah’s getuigen in Canada. Onmiddellijk brachten wij ons de woorden van een vroegere president van het Genootschap in herinnering: „Wij zullen ons niet verschuilen en ons gezicht niet verbergen!” Wij besloten dus met onze prediking van dit goede nieuws van het opgerichte koninkrijk voort te gaan en Jehovah’s naam, ondanks het verbod, hoog te houden.
Dat de organisatie „illegaal” was verklaard, deed ons alleen nog meer met de mogelijkheid rekening houden dat wij gearresteerd en gevangengezet zouden worden. Wij behoefden niet lang te wachten. De volgende ochtend, ons volledig bewust van de waarschijnlijke gevolgen, trokken wij er met ons drieën op uit om de dag in het getuigeniswerk door te brengen. Mijn man werd gearresteerd en Marjorie Held en ik werden naar het politiebureau gebracht, daar korte tijd in verzekerde bewaring gehouden en vervolgens onder gewapend geleide naar huis gebracht. Dat was in Kingston, Ontario.
Vanaf die tijd werd mijn doel in het leven vanuit een kleine caravan nagestreefd. Wij werkten in London en Woodstock, Ontario, daarna in Truro, Glace Bay en Sydney Mines in Nova Scotia. In de loop van de jaren dat het verbod van kracht was, is de politie niet minder dan veertien maal ons kleine „huis op wielen” binnengedrongen. Vaak hadden wij het opwindende genoegen de politieagenten aan de hand van de „American Standard Version” van de bijbel getuigenis te geven!
Nu brak er een nieuw tijdperk voor ons aan! Mijn man bracht een lange envelop mee naar huis. Het was een brief van het bureau van de President met een uitnodiging voor ons om de vijfde klas van de Wachttoren Bijbelschool Gilead in South Lansing, New York, bij te wonen. Dit was iets waarop wij hadden gehoopt en waarvoor wij hadden gebeden. Het betekende: ons voorbereiden op vijf maanden geconcentreerd studeren; inpakken en het land verlaten; bereid zijn overal heen te gaan waar het Genootschap ons zou zenden. Er was zoveel dat wij niet wisten en nog zoveel te leren! Die vijf maanden zijn de meest gezegende maanden van ons leven gebleken!
Tot overvloeiens toe gevuld met vast geestelijk voedsel, zagen wij er verlangend naar uit naar onze „buitenlandse” toewijzing te gaan, het koude, ruige en toch kleurrijke eiland Newfoundland, net buiten de oostkust van Canada.
’HET VISSEN VAN MENSEN’ IN NEWFOUNDLAND
Wij waren nu goed opgeleid voor het werk en begonnen ons er op een praktische manier op toe te leggen de „andere schapen” op te sporen in de tweede stad van Newfoundland, Corner Brook, dat aan de Bay of Islands aan de mond van de rivier de Humber is gelegen. Het Humberdal was beroemd om zijn landschapsschoon, zijn majestueuze heuvels en zijn zalmvisserij. Hier zouden wij nu beginnen met het ’vissen van mensen’. — Matth. 4:19.
Wat gelukkig voelde ik mij op een ochtend toen ik een zeer vriendelijke jonge vrouw bezocht die een bijbel bestelde en mij vroeg het weekend, wanneer haar man thuis zou zijn, terug te komen. Ik bezocht hen en bemerkte dat hij geen belangstelling voor religie had en sinds hij getrouwd was niet meer naar de kerk was gegaan. Ik zei tegen hem: „Ik geloof dat ik hier precies op het goede adres ben.” Zij nodigden mij uit terug te komen. Tijdens de verscheidene bezoeken die ik bracht, luisterde hij verrukt en met onverdeelde aandacht naar bijbellezingen op de grammofoonplaat. Uiteindelijk werd er te midden van een waar rookgordijn een bijbelstudie opgericht. Toen hij de vergaderingen bezocht en bemerkte dat er niemand rookte, stopte hij er ook onmiddellijk mee. Zijn vrouw en kinderen begonnen spoedig de waarheid in te zien. De meeste leden van het gezin zijn nu opgedragen Getuigen die vrede najagen.
In dezelfde buurt, bovenop een hoge steile heuvel, trof ik een gezin aan waarvan de leden weliswaar tot de zevendedagadventisten behoorden, maar ook rijp voor de waarheid waren. Zij namen de lopende lectuuraanbieding en vroegen mij terug te komen. Het resultaat van de geregelde wekelijkse bijbelstudie was dat de twee meisjes zich aan Jehovah opdroegen en hun schoolvakantie met ons in het predikingswerk doorbrachten. Later werden de ouders gedoopt. Een van de meisjes werd, nadat zij de Gileadschool had doorlopen, zendelinge in Peru en haar zuster streeft haar doel in het leven na als speciale pionierster in Carbonear, Newfoundland. De ouders dienen trouw in de gemeente Corner Brook.
Een ander meisje in deze stad aan de westkust, dat voordat wij kwamen al een gedoopte Getuige was, was in verkeerd gezelschap geraakt en besloot helemaal opnieuw te beginnen. Zij gaf haar baan op en woonde haar eerste grote vergadering van Jehovah’s getuigen in Cleveland, Ohio, in 1946 bij, en toen zij in Newfoundland terugkwam, begon zij te pionieren. Na twee jaar in de volle-tijd-dienst te hebben gestaan, ontving zij een oproep voor Gilead en thans werkt zij als zendelinge in St. John’s.
Het ontbreekt mij aan voldoende woorden om alle vreugdevolle ervaringen en zegeningen te vertellen die wij in de zes jaar van liefdevolle omgang in Corner Brook hebben ondervonden. Het was niet gemakkelijk deze voorspoedige gemeente te verlaten. Jehovah had echter ander werk voor ons in het zendelingenhuis in St. John’s, waar wij ermee konden voortgaan te leren hoe wij onze liefde voor Jehovah en onze broeders kunnen betonen door elkaar in liefde en juiste werken te verdragen.
Wat een voldoening schenkt het om iedere avond waarop er een vergadering is, onze Koninkrijkszaal gevuld te zien met lofprijzers van Jehovah en mensen van goede wil! Er worden daarom besprekingen gevoerd over de bouw van een nieuw en groter pand. Tot deze gelukkige mensen behoort een gezin waarmee ik op een bitter koude ochtend in contact ben gekomen. Toen ik aan het einde van het toespraakje en de aanbieding van de twee abonnementen op De Wachttoren en Ontwaakt! was gekomen, riep het zoontje van zeven jaar uit: „Geef haar die twee dollar maar, papa, en neem ze allebei!” Onmiddellijk abonneerde de man zich en nodigde hij mij uit terug te komen. Nadat ik twee jaar met dit gezin had gestudeerd, was het werkelijk vreugdevol voor mij te zien dat de oudste jongen zijn opdracht aan Jehovah, te zamen met de vele duizenden anderen, in 1958 op de ’Goddelijke Wil’-vergadering in de stad New York symboliseerde.
VERGADERING IN CORNER BROOK
In 1959 stonden ons nog meer zegeningen te wachten! Een ervan was de ’Waakzame Bedienaren’-districtsvergadering in de ruime Humber Gardens in Corner Brook. Toen wij per trein uit St. John’s aankwamen, zagen wij het op het perron letterlijk krioelen van getuigen van Jehovah en, in een rij buiten het station, een lange reeks auto’s met kleurige borden er bovenop waarop de aankondiging stond van de openbare toespraak die op de laatste dag van de vergadering door de president van het Genootschap zou worden gehouden. Wat een voorrecht was het van zo’n nauwe omgang met andere leden van het gelukkige gezin van de wonderen verrichtende God te genieten, vooral omdat wij broeder Knorr en zijn vrouw beiden bij ons hadden. Zonder tijd te verliezen werden de binnenkomende Getuigen met deze auto’s naar Humber Gardens gebracht. Op deze vergadering namen beide ouders van de jongen die in New York was gedoopt de stap zich als een symbool van hun opdracht aan Jehovah in water te laten onderdompelen.
Wanneer ik terugblik op de afgelopen dertig jaar dat ik mijn doel in het leven heb nagestreefd, voel ik mij zeer dankbaar tegenover Jehovah en Zijn organisatie, want door de hulp, leiding, bescherming en aanmoedigingen die werden verstrekt, ben ik helder gaan inzien dat „ook als iemand overvloed heeft, . . . zijn leven niet tot zijn bezit [behoort]” (Luk. 12:15). Ik bid er ernstig om dat ik Jehovah met mijn gehele hart, ziel, geest en kracht en mijn naaste als mijzelf mag blijven liefhebben. Dit betekent mijn naasten te helpen kennis tot zich te nemen van de ene ware God en Jezus Christus, wat tot zegeningen leidt. En de zegen van Jehovah — die maakt rijk!