Is het juist het kwade te haten?
HET is niet alleen juist, maar zelfs een morele plicht het kwade te haten. Hoe kunt u echter iets haten wat u niet kent? In bijna ieder land, in iedere staat en in elke religie houdt men er weer andere maatstaven met betrekking tot goed en kwaad op na. Een geestelijke zei eens: „Wat in de ene kerk goed is, is in de andere verkeerd.” Een barman beweerde: „Wat in de ene staat wettig is, is in de andere onwettig.” Een jonge vrouw uit Pennsylvanië gaf de houding van velen weer toen zij opmerkte: „Wie ben ik dat ik kan bepalen wat goed en verkeerd is?” Hoe kunt u daarom het kwade haten, wanneer u niet eens precies weet waar het in bestaat?
Wanneer verantwoordelijke personen hun steun verlenen aan gemakzucht en knoeierij op de arbeidsmarkt, waarbij zij cynisch de nationale welvaart veronachtzamen, wanneer er bij het uitoefenen van de geneeskunde dubbele rekeningen worden uitgeschreven en steekpenningen worden aangenomen, wanneer advocaten met het recht spotten en bereidwillige personen instrueren hoe de wet te ontduiken, wanneer evangeliepredikers over broederschap spreken en tegelijkertijd discriminatie beoefenen, wanneer een jury weigert bekende moordenaars in staat van beschuldiging te stellen en hooggeplaatste regeringsautoriteiten hun ambt voor persoonlijk gewin gebruiken, zijn deze dingen dan goed of verkeerd? Het antwoord dat men in onze tijd over het algemeen geeft, luidt: „Het hangt er vanaf . . .”
Men vindt dat goede en verkeerde dingen niet langer meer een kwestie van moraal of juiste beginselen zijn; ze zijn veeleer een vorm van „politiek”. Men zegt dat het doel de middelen heiligt. Wanneer iemand uit zakelijk oogpunt liegt, beschouwt men dat als een onderdeel van het spel. Een jongeman zei: „Iedereen pleegt bedrog. Kijk naar de grote ondernemingen. Ze hebben advocaten in dienst die niets anders doen dan naar mogelijkheden zoeken om door de mazen heen te glippen.” Het is mode geworden zeer toegeeflijk te zijn en verkeerde dingen te tolereren. Kwaad te worden of verontwaardigd te zijn over onrechtvaardigheden, stempelt iemand als vreemd en ouderwets. Alles is thans toegestaan zolang men maar niet in misdadige activiteiten verstrikt raakt.
Een verslag in Look van januari 1960, toonde het volgende aan: „Morele verontwaardiging is niet meer in de mode: Het is niet flink om kwaad te worden. Dit geldt eveneens voor mensen die zich met morele rechtvaardigheid bezighouden, tenzij zij duidelijk over criminele gedragingen spreken. Heden ten dage moet men koeltjes, geraffineerd en tolerant ten aanzien van het kwade zijn.”
Een dergelijk slap, schipperend standpunt ten aanzien van het bedrijven van kwaad heeft bij velen het vermogen om goed en kwaad van elkaar te onderscheiden, tenietgedaan. Het verslag in Look toonde aan dat „nog geen 10 percent van de personen die waren geïnterviewd, er van overtuigd was dat eerlijkheid een eerste vereiste voor succes” is. Een persoon die bij een verzekeringsmaatschappij de eisen tot schadevergoeding behandelt, vertelde aan een verslaggever: „75 percent van de mensen met wie wij in aanraking komen, houdt er geen moraal op na.” Iemand uit het reclamebedrijf beweerde: „Bij de jacht op de dollar is alles geoorloofd.” Van een persoon met een juiste moraal zegt men dat hij „een psychiater” nodig heeft. Look verklaart: Amerika heeft er zelf nog een vijfde vrijheid bij veroverd — „de vrijheid van bedrog”.
Verantwoordelijke personen geven toe dat er een nieuwe definitie van moraliteit gemaakt moet worden en dat deze met voorbeelden toegelicht zal moeten worden; anders zullen de mensen er nooit toe overgaan juiste beginselen te waarderen. „Thans wordt het kwaad niet langer meer als kwaad beschouwd”, aldus een kantooremployé, „maar als een deel van de menselijke gesteldheid.” De kerkgang is teruggebracht tot een maatschappelijk ritueel. En zoals een uitgever uit Mississippi beweerde: „De mensen bezitten enkel en alleen geen vrees meer voor God.”
Wij maken een fout wanneer wij veronderstellen dat kwaaddoen bevrediging of levensvreugde schenkt. Kwaaddoen leidt tot morele verwarring. Het ruïneert iemands leven. Het brengt iemand in conflict met God en vernietigt de kansen eeuwig leven in Zijn rechtvaardige nieuwe wereld te ontvangen.
Het doen van het goede in plaats van het kwade, geeft het leven doel en betekenis. Door het juiste te doen, wordt men uit de zelfvoldaanheid en de onverschilligheid, welke door genotzucht worden aangekweekt, opgetrokken, en tot een eerbare positie voor God en de mensen verheven. Het beschermt iemand tegen morele verwarring en verveling. En bovenal brengt het iemand in een harmonieuze verhouding tot zijn Schepper, wat geluk en leven tot gevolg heeft. Alles wat ook maar de neiging heeft een dergelijk gelukkig, door beginselen geleid leven te vernietigen, verdient het door ons gehaat te worden. Wanneer iemand onverschillig ten aanzien van het kwade is, of het tolereert, verzwakt hij daarmee zijn eigen moraliteit en de morele structuur van degenen die onze onverschillige houding gadeslaan. Onverschilligheid ondermijnt het geweten en verzwakt iemands positie ten aanzien van verzoeking.
Het is een christelijke plicht het kwade te haten. De apostel Paulus geeft christenen de volgende waarschuwing: „Weest afkerig van het kwade, gehecht aan het goede.” De raad van de apostel op te volgen, betekent God na te bootsen en ons naar Jezus Christus te vormen. De bijbel vertelt ons dat God „hoogmoedige ogen, een valse tong, handen die onschuldig bloed vergieten, een hart dat heilloze plannen smeedt, voeten die zich haasten om naar het kwade te snellen, wie leugens uitblaast als een vals getuige en wie twist stookt tussen broeders” haat. Over Jezus zegt de bijbel: „Gerechtigheid hebt Gij liefgehad en ongerechtigheid hebt Gij gehaat.” Jezus was niet slap wanneer het op juiste beginselen aankwam. Hij stelde de Farizeeën vanwege hun huichelachtigheid aan de kaak, wierp al degenen die in de tempel kochten en verkochten, eruit, en gooide de tafels van de geldwisselaars om. Zijn ijver voor rechtvaardigheid verteerde hem. Zijn volgelingen dienen datzelfde vuur voor rechtvaardigheid te bezitten. — Rom. 12:9; Spr. 6:16-19; Hebr. 1:9.
De gids voor juiste beginselen is Gods Woord, de bijbel. Dit boek geeft de volgende duidelijke waarschuwing: „Dwaalt niet! Hoereerders, afgodendienaars, overspelers, schandjongens, knapenschenders, dieven, geldgierigen, dronkaards, lasteraars of oplichters, zullen het Koninkrijk Gods niet beërven.” Voor zijn eigen bestwil moet een christen deze verkeerde dingen haten, want deze kankerachtige vernietigende, verkeerde dingen verwoesten iemands geestelijke en lichamelijke gezondheid, richten de gemeenschap en het gezinsleven te gronde en maken iemand weer tot een waardeloos en verfoeilijk vat voor God. Gods naam en Woord wordt erdoor in diskrediet gebracht. Ze werpen een donkere schaduw over zijn reine organisatie. Het bedrijven van een ervan vormt daarom al voldoende reden om iemand uit de gemeente van God te sluiten en hem af te snijden van het rijke leven dat God heeft beloofd. — 1 Kor. 6:9, 10.
Haat het kwade daarom intens, om uzelf tegen de morele onverschilligheid waarvan de wereld thans doortrokken wordt, te beschermen. Versterk uw geest en hart met een intense liefde voor rechtvaardigheid opdat u thans smaak en betekenis aan uw leven kunt geven en u voor uzelf het leven dat werkelijk leven is, mag verwerven.