Mijn doel in het leven nastreven
Zoals N.H. Barber dit heeft verteld
NOOIT zal ik de eerste keer dat ik in de dienst van de Allerhoogste God uittrok, vergeten. Het was op een prachtige herfstdag van het jaar 1920 in Winnipeg. Mijn broer en ik reikten alleen maar strooibiljetten uit, maar de voldoening en de vrede des geestes welke deze geringe dienst mij gaf, verzekerden mij dat zelfs een onvolmaakte en op kleine schaal voor de Allerhoogste verrichte dienst, hem — in tegenstelling tot aardse heren — behaagde. Evenals het horen van de waarheid een bepaalde vreugde en vrede des geestes met zich meebrengt, zo brengt de stap, dienst voor God te verrichten een nog grotere vreugde met zich mee.
Toen ik later deelnam aan het verspreiden van lectuur, ervoer ik een nog grotere vreugde en meer zegeningen. Van die dag af tot nu toe ben ik nooit in de predikingsdienst uitgetrokken zonder de persoonlijke goedgunstigheid van enkelen, waardering voor Jehovah’s Woord van anderen, en bovenal Jehovah’s zegen van vrede des geestes en voldoening, te ervaren.
Nadat ik in 1921 was gedoopt, begon ik als een volle-tijd-lofprijzer van Jehovah God mijn doel in het leven na te streven (Ps. 145:2). Er werd in De Wachttoren een oproep tot jonge mannen gericht op Bethel te komen werken. Mijn aanvraag werd aanvaard en in mei van het jaar 1923 kwamen mijn broer en ik op het Bethelhuis in Brooklyn aan, waar wij in de drukkerij van het Genootschap in Concord Street mochten werken. Dat vormde het begin van een vreemde en wonderbaarlijke tijd voor mij. Daar ik nogal een wildebras was, was het voor mij niet gemakkelijk mij te onderwerpen aan de rechtvaardige vereisten van een theocratische organisatie. Ik moest nog vele dingen leren en dikwijls tot de orde geroepen worden. De broeders bezaten een grote ijver en allen hadden het verlangen „meer en betere boeken” te produceren. Jaar in jaar uit had ik het voorrecht getuige te zijn van de grote expansie totdat Concord Street 18 algauw niet voldoende accommodatie meer bood om deze bijenkorf van activiteit nog langer te herbergen. In 1926 begon het Genootschap plannen uit te werken om een nieuwe drukkerij te bouwen. In 1927 kwam dit gebouw gereed en verhuisden wij daarheen. Dit gaf de toon aan voor de steeds groter wordende behoeften van Jehovah’s organisatie. Op dit moment zien wij dat er verschillende grote gebouwen aan het oorspronkelijke zijn toegevoegd.
Hoewel een persoon de voorrechten van de dienst die Jehovah hem heeft gegeven, kan genieten, wil dat nog niet zeggen dat hij altijd de beste weg blijft bewandelen en blijft waar hij is. Zo was het ook met mij. Ik was zo dwaas in 1929 Bethel weer te verlaten om het wereldse samenstel van dingen nog eens te beproeven. Ik ontdekte echter algauw dat daar nog minder dan niets voor mij te vinden was. Er zijn mensen die van alles wat deze boze wereld hen te bieden heeft, genieten, maar zo’n persoon was ik niet. Al na ruim een jaar wenste ik dat ik maar op Bethel was gebleven, maar daar was nu niets meer aan te doen.
Ik was bijzonder dankbaar toen ik in 1930 opnieuw het voorrecht kreeg het pionierswerk op me te nemen en in Jehovah’s volle-tijd-predikingsdienst mijn doel in het leven te blijven nastreven. Ik verheugde mij werkelijk in het pionierswerk. Ik ben nooit een maaltijd tekort gekomen, hoewel het in de malaisetijd was. Er bestond evenmin ooit een werkelijke reden om te piekeren. In 1944 werd ik speciale pionier. In 1946 kreeg ik het voorrecht de winterklas van Gilead te bezoeken. Evenals ieder ander die dit grote voorrecht heeft genoten, zal ik me Gilead altijd blijven herinneren als een van de schitterendste en gelukkigste perioden in mijn leven. Ik zal Jehovah altijd blijven danken voor deze schitterende regeling en voor het feit dat ik daar heb mogen zijn.
Bij mijn graduatie van Gilead ontving ik een toewijzing voor Burma. Als de theocratische organisatie mij niet zulke wijze raadgevingen had verstrekt, zou ik misschien aan mijn vermogen om mijn doel in het leven in een dergelijke ver verwijderde plaats te blijven nastreven, hebben getwijfeld. De dienst voor Jehovah is echter hetgeen werkelijk telt. Dit kan op iedere plaats even goed gedaan worden. Wanneer er miljoenen mensen in Burma konden leven, kon ik het ook.
Ik verheug mij er zeer in dat ik een zendeling ben in een land waar de nood inderdaad zeer groot is. Dit feit, en eveneens dat mijn aanwezigheid hier een toewijzing is van Jehovah’s theocratische organisatie, doen mij er verheugd over zijn dat ik in een vreemd land in Jehovah’s volle-tijd-dienst mag werken. Sommigen zullen nu misschien zeggen, Burma is klaarblijkelijk nogal een ideaal arbeidsterrein. Tot deze personen zou ik willen zeggen, Niet bepaald. Het hangt er natuurlijk allemaal vanaf hoe u een vreemde toewijzing beziet. Wanneer een persoon er verheugd over is dat Jehovah hem voor zijn dienst gebruikt, doet de plaats hem er niets toe. Als hij zijn toewijzing echter bekijkt vanuit het standpunt of het naar zijn zin is, zal hij zich veel moeilijker gelukkig voelen.
Ik ben Jehovah dankbaar dat ik in staat ben geweest alle persoonlijke wensen en grieven betreffende dit gebied te vergeten en het als een bijzonder gunstbewijs van God, een kostbaar dienstvoorrecht, te bezien. Eerlijk gezegd vind ik een tropisch klimaat heus niet ideaal om in te leven, noch zou de levenswijze van de mensen in deze gebieden die van mijn persoonlijke keuze zijn. Er zijn evenwel belangrijker zaken om eens te beschouwen, dan dergelijke onbeduidende dingen. Geestelijk arme mensen te kunnen helpen, is een voorrecht.
De mensen hier zijn beleefd en niet gewelddadig. Deze houding werkt zeer stimulerend op de aanbieding van het goede nieuws van het Koninkrijk. Het komt maar zeer, zeer weinig voor dat er een deur voor uw neus wordt dichtgegooid en hoogstzelden treft de Koninkrijksverkondiger iemand aan die boos wordt. Vele koppen thee en andere kleine blijken van vriendelijkheid worden hem aangeboden. Het schenkt werkelijk vreugde om te proberen de vreemde oosterse taal welke nog maar weinig westerlingen hebben kunnen leren, meester te worden.
Doordat ik een toewijzing kreeg om als zendeling in Burma te gaan werken, heb ik ook mijn huwelijkspartner gevonden. Ik heb een pionierster tot vrouw genomen die in dat land geboren en getogen is. Zij heeft mij verder geholpen in mijn vreemde toewijzing mijn doel in het leven te blijven nastreven. De laatste vijf jaar hebben mijn vrouw en ik samen het geluk gesmaakt Jehovah in dit land waar de geestelijke nooddruft van de bevolking groot is, te mogen dienen.
Ik heb altijd met verlangen naar de internationale vergaderingen van de theocratische organisatie uitgezien. Te rekenen vanaf de vergadering te Columbus, Ohio, in het jaar 1924 tot aan de laatste in 1958 in New York, ben ik zo bevoorrecht geweest ze alle op een na te kunnen bezoeken. Hoewel ik zo’n dertien- tot zestienduizend kilometer moest reizen om elk van de laatste drie bij te wonen, heb ik toch niet geaarzeld dat te doen. De grootste en beste van deze blijde gelegenheden, de internationale ’Goddelijke wil’-vergadering van Jehovah’s getuigen, was om nooit te vergeten. Het was de grootste vergadering, want nog nooit tevoren waren zoveel opgedragen dienstknechten van Jehovah uit alle delen der wereld op één plaats bijeengekomen. Ongetwijfeld was Jehovah’s geest overvloedig op deze vergadering aanwezig.
Op deze grote vergadering werd de theocratische banier nog hoger opgeheven. De valse religie werd opnieuw aan de kaak gesteld. Ik was werkelijk blij een lid van dat grote gehoor te mogen zijn dat de Resolutie aannam, waarin werd besloten getrouw en afgescheiden van deze wereld te blijven.
Dankend voor de wijze raadgevingen te rechter tijd welke het Genootschap door middel van de publikaties en met de hulp van de heilige geest geeft, ben ik in staat geweest de afgelopen dertig jaar mijn doel in het leven te blijven nastreven, van welke periode ik twaalf jaar in een vreemd land heb doorgebracht. Ik zou nooit meer een andere weg in het leven willen volgen. Hoe langer ik van dit grote voorrecht geniet, hoe meer ik Jehovah ervoor dank dat hij liefdevoller is dan welke andere heer ook zou kunnen zijn en dat hij mij heeft bewaard en geleid. Mijn enige wens is hem altijd te blijven behagen terwijl ik er mee doorga mijn doel in het leven na te streven.