Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w60 1/8 blz. 457-463
  • De doop overeenkomstig de goddelijke wil

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • De doop overeenkomstig de goddelijke wil
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1960
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • WIE MOGEN GEDOOPT WORDEN?
  • De betekenis van je doop
    Aanbid de enige ware God
  • De betekenis van jouw doop
    Verenigd in de aanbidding van de enige ware God
  • Doop
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Bent u gedoopt ten leven?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1963
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1960
w60 1/8 blz. 457-463

De doop overeenkomstig de goddelijke wil

„Het geduld van God wachtte in de dagen van Noach, terwijl de ark werd gebouwd, waarin weinig mensen, namelijk acht zielen, veilig door het water heen werden gevoerd. Ook nu wordt gij gered door dat wat hiermee overeenkomt, namelijk de doop”. — 1 Petr. 3:20, 21, NW.

1. Welke oproep richt Jehovah vóór Armageddon tot mensen van goede wil, en hoe heeft men erop gereageerd?

WIJ LEVEN stellig in een zeer belangrijke tijd. Een hele wereld, het huidige samenstel van dingen, spoedt zich krankzinnig en blind naar haar vernietiging in de universele oorlog van Armageddon, waarin de eeuwenoude strijdvraag betreffende Jehovah’s oppermacht en de universele soevereiniteit voor eens en altijd beslist zal worden. Uit die ten ondergang gedoemde wereld roept de Almachtige God echter mensen van goede wil van alle nationaliteiten, stammen en talen om in de rechtvaardige, door hem geschapen nieuwe wereld een toevlucht te komen zoeken. Elk jaar opnieuw geven vele duizenden mensen uit alle vier hoeken der aarde gehoor aan deze oproep en nemen zij hun plaats in aan de zijde van Jehovah en zijn koninkrijk. Na verloop van tijd leren zij dat zij het voorrecht en de plicht hebben zich in gehoorzaamheid aan de goddelijke wil te laten dopen.

2, 3. Welke betekenis heeft de doop in verband met Jehovah’s voornemen mensen te redden?

2 Welk verband bestaat er feitelijk tussen de doop en de mogelijkheden uit de stervende, oude wereld gered te worden ten einde in de eeuwige nieuwe wereld, welke door de levende God wordt geschapen, leven te ontvangen? De apostel Petrus verwees naar Jesaja’s profetie over nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, welke luidt: „Want zie, Ik schep een nieuwen hemel en een nieuwe aarde; aan wat vroeger was, zal niet gedacht worden, het zal niemand in den zin komen. . . . zij zullen geen kwaad doen noch enig verderf stichten op gans mijn heiligen berg, zegt de HERE” (Jes. 65:17-25). Petrus schreef derhalve: „Er zijn . . . nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, die wij naar zijn belofte verwachten, en hierin zal rechtvaardigheid wonen”. Vervolgens zegt hij: „Beschouwt . . . het geduld van onze Heer als redding”, en op een andere plaats, zoals hierboven is aangehaald, spreekt hij erover hoe Gods geduld in Noachs dagen wachtte en vermeldt hij dat acht zielen veilig door het water heen werden gevoerd. Daarna betoogt hij: „Ook nu wordt gij gered door dat wat hiermee overeenkomt, namelijk de doop, (niet het wegdoen van de vuiligheid van het vlees, maar het verzoek aan God om een goed geweten) door de opstanding van Jezus Christus”. — 2 Petr. 3:12, 13, 15; 1 Petrus 3:20, 21, NW.

3 Wij hebben het woord van de Meester zelf dat dit op onze tijd van toepassing is, want hij zei dat het in de dagen van de Zoon des mensen net zo zou zijn als in de dagen van Noach (Matth. 24:37). Destijds vernietigde hij het toenmalige samenstel van dingen in een watervloed, terwijl hij acht personen die zijn waarschuwing ter harte hadden genomen, redde. Toen de hele wereld in water werd gedoopt, betekende dit met andere woorden de dood voor de meerderheid der mensen en redding voor slechts enkelen. In deze tijd, waarin het tegenwoordige stelsel zal worden opgelost, zullen de goddelozen derhalve worden vernietigd terwijl zij die Jehovah’s waarschuwende boodschap hebben gehoord en gehoorzaamd, gered zullen worden. Daar doelt Petrus op wanneer hij het over de reddende doop heeft.

4, 5. Wat werd er van degenen die in Noachs dagen werden gered, geëist? Wat zijn de overeenkomstige vereisten voor redding in onze tijd?

4 Hij bedoelde echter niet dat de letterlijke handeling van de onderdompeling in het water van een rivier of meer het middel tot redding vormt, maar de toestand van exclusieve toewijding aan God, waar de waterdoop een symbool van is. Hoe dat zo? Wel, zij die met Noach in de ark waren en in hem werden gedoopt toen de ark door onstuimige wateren die uit de vensters des hemels naar beneden vielen, was omgeven, moesten eerst geloof stellen in Jehovah’s waarschuwende boodschap die door bemiddeling van Noach tot hen kwam; daarna moesten zij met hem aan de ark werken ten einde hun geloof in Gods woord en hun bereidwilligheid om hem te gehoorzamen, te demonstreren, en vervolgens moesten zij tot op de dag waarop Jehovah in eigen persoon de deur achter Noach en degenen die werkelijk met hem de ark waren binnengegaan, dichtdeed, in die toestand blijven. — Gen. 7:13-16.

5 Wat komt dan in onze tijd overeen met de ark waarin God Noach redde? Het is de regeling voor redding die Jehovah God door bemiddeling van zijn Zoon, de verheerlijkte Christus Jezus, bouwt, namelijk „het nieuwe samenstel van dingen”. Hier op aarde wordt dat nieuwe samenstel van dingen thans door Jehovah’s getuigen vertegenwoordigd, die in dit samenstel zijn gekomen en als een Nieuwe-Wereldmaatschappij zijn georganiseerd om van Jehovah’s naam en voornemens, zijn Koning en zijn koninkrijk getuigenis af te leggen en overeenkomstig de goddelijke wil te leven, ten einde de mensen van goede wil aldus de weg tot redding te tonen.

6. Wordt de doop aan de keuze overgelaten van degenen die de goddelijke wil wensen te doen?

6 Allen die naar deze Nieuwe-Wereldmaatschappij komen ten einde de weg tot het leven te leren kennen en die zich aan Jehovah God opdragen, dienen in overeenstemming met Jezus’ in Matthéüs 28:19, 20 (NW) gegeven gebod gedoopt te worden: „Gaat daarom en maakt discipelen van mensen uit alle natiën, hen dopende in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige geest, en onderwijst hun al wat ik u heb geboden, na te komen. Ziet, ik ben met u alle dagen tot de voleinding van het samenstel van dingen”. De waterdoop wordt dus niet aan de keuze van degenen die de goddelijke wil wensen te doen, overgelaten — want Jehovah maakt nog steeds discipelen van mensen uit alle natiën — maar hij is een vereiste waaraan voldaan moet worden, en elk jaar onderwerpt zich een steeds toenemend aantal personen die zich aan God hebben opgedragen, aan zulk een doop. Een treffend voorbeeld hiervan werd op de gedenkwaardige dag gedurende de in de zomer van het jaar 1958 in de stad New York gehouden internationale ’Goddelijke wil’-vergadering van Jehovah’s getuigen gegeven, waarop 7136 personen in water werden ondergedompeld.

WIE MOGEN GEDOOPT WORDEN?

7, 8. Waarvan is de doop een symbool, zoals in Jezus’ geval werd geïllustreerd?

7 Betreffende de vraag wie gedoopt dienen te worden en op welke wijze — om met de goddelijke wil in overeenstemming te zijn — zei Petrus dat de doop redt, hetgeen niet een reiniging inhoudt van de vuiligheid van het vlees, maar veeleer „het verzoek aan God om een goed geweten”. De kinderdoop wordt dus al meteen uitgeschakeld, aangezien een klein kind niet zulk een verzoek aan God kan doen. De doop is in feite een symbool, een daad waardoor men belijdt wat reeds in het hart van de gedoopte heeft plaatsgevonden, dat men zich aan Jehovah God heeft opgedragen om voortaan overeenkomstig de goddelijke wil te leven. Ook Jezus’ doop had deze betekenis. Hij is het grote Voorbeeld dat door allen die Jehovah God wensen te dienen, nagevolgd moet worden.

8 Matthéüs vertelt ons dat Johannes de Doper joden onderdompelde die berouw hadden van de zonden die zij tegen het door Jehovah met die natie gesloten Wetsverbond hadden bedreven. Op zekere dag kwam Jezus naar Johannes toe om gedoopt te worden. Johannes aarzelde echter dit te doen, omdat hij wist dat Jezus geen overtreding tegen het verbond had begaan. Jezus zei toen dat het gedaan moest worden, ten einde „alles wat rechtvaardig is, te volbrengen” (Matth. 3:15, NW). En in Hebreeën 10:9 schrijft de apostel Paulus dat Jezus toentertijd de woorden vervulde van de psalm: „Zie, hier ben Ik om uw wil, o God, te doen” (Ps. 40:7, 8). Jezus had zich nu aan God opgedragen om het speciale werk te verrichten dat hem door de goddelijke wil zou worden voorgeschreven en dat „in de boekrol” — namelijk in de Hebreeuwse Geschriften, welke „de heilige verklaringen van God” bevatten — stond opgetekend (Rom. 3:1, 2). Toen Johannes Jezus volledig in het water van de rivier de Jordaan onderdompelde, was dat dus een symbolische daad waardoor er getuigenis van werd afgelegd dat Jezus nu dood was ten aanzien van de aardse levenswijze die hij tot op die tijd had gevolgd.

9. Hoe moet de doop worden verricht ten einde het juiste symbool te vormen?

9 Jezus toonde door zijn voorbeeld aan waarom de doop door middel van een volledige onderdompeling ten uitvoer moest worden gebracht ten einde een afbeelding, een symbool, te vormen. Wanneer de dopeling doordat hij wordt ondergedompeld, uit het gezicht is verdwenen, wordt hij in het water „begraven”. Dat Johannes op deze manier doopte, wordt behalve doordat het Griekse woord dat met „dopen” is vertaald, „indompelen, onderdompelen” betekent, door de verklaring aangetoond welke in het verslag van de apostel Johannes wordt aangetroffen: „Ook Johannes [en wel, de Doper] doopte, te Aenon bij Salim, omdat daar veel water was” (Joh. 3:23). De doper laat de ondergedompelde persoon echter niet in die toestand, zodat deze in het water zou sterven, neen, als een symbool van het feit dat laatstgenoemde thans volgens een nieuwe levenswijze moet wandelen, terwijl hij Jehovah God — wiens goddelijke wil voortaan zijn gids dient te zijn — volledig toegewijd moet zijn, heft de doper hem weer omhoog. Degenen die worden gedoopt, leggen er door deze handeling te ondergaan, getuigenis van af dat zij zich van de oude wereld — waarin zij als de onvolmaakte kinderen van Adam werden geboren en welke wereld door Satan, de grote tegenstander van God en zijn koninkrijk, wordt geregeerd — hebben losgerukt en dat zij hun toevlucht zijn komen zoeken in de regeling die Jehovah voor gelovige mannen en vrouwen heeft getroffen en die met de letterlijke ark in Noachs dagen overeenstemt.

10-12. (a) Wat betekent het dat de doop „in de naam van de Vader” geschiedt? (b) In de naam van „de Zoon”? (c) In de naam van „de heilige geest”?

10 Toen Jezus zijn volgelingen gebood discipelen van mensen uit alle natiën te maken, zei hij, zoals hierboven is aangehaald, dat deze discipelen „in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige geest” gedoopt moesten worden. Door de daad van de doop moet dus worden beleden dat de dopeling tot het inzicht is gekomen dat Jehovah God de Allerhoogste, de almachtige Schepper en Levengever is, de rechtvaardige en alwijze God en Degene die liefdevol redding van de zonde en haar droevige gevolgen verschaft. Hij moet ook de grote strijdvraag hebben leren kennen welke al het andere in de wereld in de schaduw stelt en spoedig voor altijd tot Jehovah’s eeuwige lof beslecht zal worden, namelijk de strijdvraag betreffende de universele heerschappij: Dient Jehovah God het universum te beheersen of de Duivel? De minder belangrijke strijdvraag welke hiermee in verband staat, is: Kunnen mensen op aarde Jehovah in rechtschapenheid dienen wanneer zij aan beproevingen en vervolgingen worden onderworpen? Met deze kennis heeft degene die overeenkomstig de goddelijke wil gedoopt zal worden, zich aan Jehovah opgedragen ten einde Zijn wil bereidwillig en ten koste van alles ten uitvoer te brengen. — Job 1:9-11; Jud. 25.

11 In deze tijd belijdt de dopeling tevens dat hij heeft ingezien dat Jehovah zijn eerstgeboren, geliefde Zoon, Jezus Christus, de naam heeft gegeven die boven elke andere naam is, zodat er in niemand anders redding is. Jezus Christus is Jehovah’s uitverkoren Koning die thans als de rechtvaardige Rechter in de heerlijkheid van zijn koninkrijk is gekomen, en allen die het verlangen koesteren te leven, moeten ’de Zoon kussen’, dat wil zeggen, hem als Koning begroeten en zijn bevelen gehoorzamen, waarna hij te bestemder tijd hun eeuwige Vader zal worden. — Hand. 4:12; Matth. 25:31; Ps. 2:12; Jes. 9:5.

12 Dat men ook in de naam van de heilige geest wordt gedoopt, betekent dat de dopeling er getuigenis van aflegt dat hij te weten is gekomen dat de heilige geest de werkzame kracht is welke de levende God door bemiddeling van zijn Zoon, Christus Jezus, uitzendt en die ten opzichte van Jehovah’s volk werkzaam is door zijn theocratische organisatie op aarde thans evenals in de dagen van de apostelen te verlichten en te leiden; en dat de ondergedompelde zich in onderworpenheid aan deze heilige kracht heeft overgegeven. — Hand. 1:8; 20:28; Joël 2:28, 29.

13. Wat deed Jezus nadat hij na de doop de heilige geest had ontvangen?

13 Deze heilige geest of verlichtende en autoriteit verlenende kracht kwam over Jezus toen hij uit het water van de Jordaan opsteeg; en let nu eens op wat hij daarna deed. Nadat hij veertig dagen in de woestijn was geweest, waar de Duivel hem had verzocht, begon hij bekend te maken: „Het Koninkrijk Gods is nabij gekomen. Bekeert u en gelooft het evangelie” (Mark. 1:15). De Duivel had Jezus alle koninkrijken van deze wereld aangeboden, maar Jezus weigerde er iets mee te maken te hebben, want „Jehovah, uw God, moet gij aanbidden, en voor hem alleen moet gij heilige dienst verrichten” (Luk. 4:6-8, NW). Hij verlangde Jehovah’s koninkrijk, en voor dit koninkrijk zou hij werken, getuigen en vervolging ondergaan, ja, hij was zelfs bereid er zijn leven voor te laten. Welnu, waarom werd hij ter dood gebracht? Wegens de absolute loyaliteit welke hij ten opzichte van Jehovah’s koninkrijk — het instrument waardoor zijns Vaders heilige naam gerechtvaardigd zal worden en gehoorzame schepselen door middel van Jezus’ verlossende bloed, redding zullen ontvangen — aan de dag legde. — Joh. 18:33-37; 19:12-16.

14. Wat dient iemand die van plan is zich te laten dopen, zich af te vragen?

14 Met het oog op dit getrouwe voorbeeld, dient degene die van plan is zich te laten dopen, zich af te vragen: Ben ik bereid hetzelfde te doen wat Christus deed, namelijk het koninkrijk des hemels te prediken en er loyaal aan te zijn? Kan ik mijzelf als een deel van de gelukkige schare zien waarvan Johannes in de Openbaring beschrijft dat ze vóór de troon staat en vreugdevol uitroept: „Redding hebben wij te danken aan onze God, die op de troon is gezeten, en aan het Lam”? Deze mensen werden met palmtakken in hun handen afgebeeld, net zoals de bijeengekomen schare ten tijde van Jezus’ zegevierende intocht in Jeruzalem op een ezelsveulen takken van palmbomen nam en hem tegemoet kwam met de juichende woorden: „Gezegend wie komt in Jehovah’s naam, ja, de koning van Israël!” Iedereen die zich nu aan Jehovah God opdraagt, dient tot de grote schare van aanbidders te behoren die hem thans ’tegemoet komt’ en openlijk begroet. — Openb. 7:9, 10; Joh. 12:12-15, NW.

15. (a) Waarvan vormt de doop het begin? (b) Wat moet de dopeling doen om eeuwig te kunnen leven? Welke raad gaf Paulus in dit verband?

15 Door middel van de doop of de onderdompeling wordt in werkelijkheid aangeduid dat men een openbare bekendmaking doet van iets nieuws. Hier is nu iemand die zijn leven aan Jehovah God heeft opgedragen. Hierdoor verzegelt hij als het ware het contract dat hij in gebed heeft gesloten en waardoor hij aan Jehovah is gebonden, en wel ten einde zijn goddelijke wil te doen en zijn waardige zaak te ondersteunen. Van hem wordt verwacht dat hij, zoals in Jakobus 1:25 (NW) wordt gezegd, „een dader van het werk” is en dat hij „gelukkig [is] in het doen ervan”. Redding wordt u niet verzekerd op grond van de eens gedane stap van de doop, maar u moet, zoals Paulus zegt, ’uw redding blijven bewerken met vrees en beven’ (Fil. 2:12, NW). Wanneer iemand zich als slaaf aan Jehovah heeft gegeven, moet hij Jehovah’s dienst niet verlaten — zijn leven hangt ervan af! Om eeuwig te kunnen leven, moet men eeuwig Jehovah’s gehoorzame slaaf zijn, en om dat te zijn, moet men zich thans met zijn Nieuwe-Wereldmaatschappij, welke onder het bevel en de leiding van de Grotere Noach, Christus Jezus, staat, verbinden. Hiervoor moet men Gods Woord zowel persoonlijk als op daarvoor georganiseerde vergaderingen bestuderen, want hierdoor blijft men geestelijk in een goede conditie om aan de verbreiding van het goede nieuws van het regerende koninkrijk deel te nemen. De apostel Paulus gaf ten aanzien hiervan een goede raad toen hij de Hebreeën schreef (10:23-25, NW): „Laten wij zonder wankelen vasthouden aan de openbare bekendmaking van onze hoop, want hij die beloofd heeft, is getrouw. Laten wij op elkaar letten ten einde tot liefde en juiste werken aan te sporen, het vergaderen niet nalatend, zoals sommigen gewoon zijn, maar elkaar aanmoedigend, en dat te meer naarmate gij de dag ziet naderen”. De dag waarop hij doelde, is thans werkelijk zeer dicht nabijgekomen. Wij dienen dit nimmer uit het oog te verliezen.

16. (a) Wat dient de gedoopte zorgvuldig te vermijden? (b) Welke onder vervolging volgehouden handelwijze geniet Jehovah’s goedkeuring?

16 Degene die de doop ondergaat, dient ook te bedenken dat hij niet moet toestaan dat hij door materiële rijkdommen wordt verlokt en ertoe wordt gebracht de juiste loopbaan van exclusieve toewijding aan Jehovah te verlaten, zelfs niet om enig tijdelijk voordeel te verkrijgen door van de methoden van de zelfzuchtige oude wereld gebruik te maken. Men dient altijd voor het gevaar op zijn hoede te zijn zodanig verstrikt te geraken dat men materiële dingen meer voor zich laat betekenen dan de hoge beginselen van de levenswijze der Nieuwe Wereld. Ook dient men niet toe te laten dat men er door een slechte reputatie of bedreigingen van vervolging omdat men aan het getuigeniswerk deelneemt, van wordt weerhouden de juiste handelwijze te volgen. ’Denk aan Jezus’, is de raad van de apostel, ’die zulk een tegenspraak van zondaren heeft verdragen’. Denk aan de apostel Johannes, die Jehovah zelfs in zijn hoge ouderdom getrouw diende, hoewel dit betekende dat hij werd verbannen en als een gevangene op het eiland Patmos zwaar werk moest verrichten, en aan Paulus, die zelfs terwijl hij in hevige mate en voortdurend werd vervolgd, getrouw bleef voortgaan (Hebr. 12:2, 3; Openb. 1:9; 2 Kor. 11:23-27). Denk aan Jehovah’s getuigen in Duitsland in Hitlers dagen en thans achter het IJzeren Gordijn en elders onder verscheidene dictatoriale regeringen, hoe leed en ontberingen hen alleen maar tot grotere ijver hebben aangespoord en hoe Jehovah hun krachtsinspanningen op wonderbaarlijke wijze heeft gezegend.

17. Welke speciale waarschuwing gaf Jezus voor onze tijd?

17 Men dient nimmer zo zeker van zichzelf te worden dat men er immuun voor denkt te zijn zodanig verleid te worden dat men Jehovah’s dienst om de een of andere reden zou verlaten. Men dient zichzelf in herinnering te brengen dat de Koning, Jezus Christus, zelf in Matthéüs 24:12, 13 heeft gewaarschuwd: „Omdat de wetsverachting toeneemt, zal de liefde van de meesten verkillen. Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden”. Men dient ook aan de schijnbaar kleine dingen in verband met Jehovah’s werk aandacht te besteden; men dient zich bijvoorbeeld aan datgene te houden wat men met betrekking tot het in de gemeenten van Jehovah’s getuigen ingestelde opleidingsprogramma is overeengekomen te doen, niet te verzuimen de resultaten van de dienst te rapporteren, enzovoorts.

18. Dient men alleen maar aan de waarheid te denken wanneer men de vergaderingen bezoekt?

18 In Openbaring 12:9, 17 (NW) lezen wij dat „de grote draak . . ., de oorspronkelijke slang, die Duivel en Satan wordt genoemd” en die zich nu gedwongen in de omgeving van de aarde moet ophouden, toornig is en oorlog voert tegen degenen „die Gods geboden nakomen en wier werk bestaat in het afleggen van getuigenis over Jezus”. Om deze reden is het des te noodzakelijker voortdurend waakzaam te zijn, de volledige wapenrusting van God aan te doen en te leren hoe men het zwaard des geestes, Gods Woord, moet gebruiken om zich te verdedigen en de vijand te kunnen aanvallen (Ef. 6:11-18). De aanval is in werkelijkheid de beste verdediging. In de geestelijke oorlog waarin Jehovah’s dienstknechten zijn gewikkeld, betekent dit dat zij er op uit moeten trekken, andere mensen over onze grote en wonderbaarlijke God moeten vertellen en hun de weg ten leven moeten tonen. De Christen dient niet alleen op de vergaderingen aan de waarheid te denken maar moet deze in zijn hart hebben. De psalmist schreef: „Hoe lief heb ik uw wet! Zij is mijn overdenking den gansen dag” (Ps. 119:97). En dit was niet alleen overdag het geval, maar ook ’s nachts: „O God, Gij zijt mijn God, U zoek ik, . . . wanneer ik Uwer gedenk op mijn legerstede, in nachtwaken over U peins” (Ps. 63:1, 6). Wanneer het hart vol is van de waarheid, is het niet moeilijk er met anderen over te spreken, en dat dient men ook te doen, want „met de mond doet men een openbare bekendmaking tot redding”, zegt Paulus in Romeinen 10:10 (NW). Petrus zegt bovendien dat christenen altijd „gereed” moeten zijn zich „te verdedigen voor een ieder die van [hen] een reden eist van de hoop” die zij bezitten. — 1 Petr. 3:15, NW; Luk. 6:45.

19. Met welke beweegreden dient men zich aan God op te dragen en zich te laten dopen, en hoe treedt die aandrijvende kracht in onze tijd aan de dag?

19 Wanneer men zich uit liefde aan God opdraagt en het gebod gehoorzaamt zich te laten dopen, zal het houden van Gods andere geboden — zoals dat over de openbare bekendmaking van ons geloof en over het bezoeken van de vergaderingen — gemakkelijk zijn, want ook dit behoort tot de vruchten der liefde. Wanneer men in zijn omgang met medechristenen liefde beoefent, is een grotere waardering van Gods vereisten hiervan het gevolg. Een spreuk luidt: „Zoals men ijzer met ijzer scherpt, zo scherpt de ene mens den ander” (Spr. 27:17). Wanneer men na de doop terughoudend is met betrekking tot het verrichten van actieve dienst, blijft men, evenals wanneer men de doop steeds maar uitstelt, buiten die intieme kring van Gods nabijheid. In Handelingen 2:46 en 47 (NW) lezen wij dat de apostelen en de andere vroege christenen „dag aan dag voortdurend eendrachtig in de tempel aanwezig [waren], . . . terwijl zij God loofden en bij alle mensen gunstig werden ontvangen”. In deze tijd zijn alle leden van de gehele grote schare der „andere schapen” die zich met het overblijfsel der medeërfgenamen hebben verbonden, met eendrachtige gevoelens gedoopt, terwijl zij zich thans eendrachtig bij elkaar hebben gevoegd om het goede nieuws van het Koninkrijk te prediken.

20. (a) Welk lied zingen christenen thans tegen Satan? (b) Wie zullen gered worden wanneer Gog tot zijn laatste aanval overgaat?

20 Door zo te handelen, zingen deze geestelijke christelijke strijders ook het spotlied tegen Satan, de onderdrukkende heerser van de oude wereld, waarbij zij de mensen vertellen dat zijn tijd beperkt is totdat Jehovah’s grote Rechtvaardiger, de Koning der koningen en Here der heren, hem en al zijn horden goddeloze demonen de afgrond in zal zenden. Voordat dit gebeurt, zal Satan, de Gog van Ezechiëls profetie, echter — zoals de profeet dit in de hoofdstukken 38 en 39 uiteenzet — tot zijn laatste, intensieve, wanhopige aanval op Jehovah’s volk overgaan, en dan zullen alleen degenen die ’hun geloof in Christus, de Koning, voor mensen hebben beleden’, worden gered. — Jes. 14:3-20; Luk. 12:8, 9, NW.

21. Waarom is het voor iemand die erover denkt zich te laten dopen, passend dat hij zich kritisch onderzoekt, en waarnaar zal hij dan uitzien?

21 Ten aanzien van het passende van de doop, moet men in gedachten houden dat Jehovah het hart en de geest van degenen die hij aanvaardt om gedoopt te worden, doorzoekt en beproeft. In Spreuken 21:2 lezen wij: „De HERE beproeft de harten”. Wij staan of vallen voor hem en zijn hem rekenschap verschuldigd. Het is derhalve juist dat een ieder die erover denkt zich te laten dopen, zich in het licht van Gods Woord kritisch onderzoekt om te zien of er iets is waardoor hij er werkelijk van weerhouden zou worden gedoopt te worden. Dit zal in het volgende artikel verder worden besproken.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen