Blijf de Koninkrijksbelangen de eerste plaats toekennen
„Blijft dan eerst het koninkrijk en [Gods] rechtvaardigheid zoeken, en al het andere zal u worden toegevoegd.” — Matth. 6:33, NW.
1. Welke houding legt men over het algemeen ten opzichte van Gods koninkrijk aan de dag, en in welke omstandigheden zien de meeste mensen zich geplaatst?
GODS door Christus geregeerde koninkrijk neemt in het leven van de meeste mensen maar een heel kleine plaats in. Vooral zij die zich de denkwijze van deze wereld eigen hebben gemaakt, hebben geen belangstelling voor dat koninkrijk, terwijl zij bovendien vastbesloten zijn zoveel mogelijk anderen ervan te weerhouden er belangstelling voor te krijgen. Om de mensen in onderworpenheid te houden, hebben zij die voor de wereldaangelegenheden verantwoordelijk zijn de belangen van de mens in een wurgende greep gekregen. De levenswijze die zij voor hem hebben uitgestippeld, dwingt hem een bepaalde weg in te slaan die volgens hem onontbeerlijk is om in leven te blijven. Als gevolg hiervan, en vaak als een verdedigingsmaatregel, sluit hij zijn ogen voor iedere andere mogelijkheid en blijft hij de handelwijze die hem voor ogen wordt gesteld, als de weg van de minste weerstand volgen.
2. Welke handelwijze moeten de mensen volgen om niet door de door de demonen beheerste denkwijze besmet te worden, en welke verzekering gaf Jezus ten aanzien van het verstandige van een dergelijke handelwijze?
2 Boven dit alles staat de god van deze wereld, die zich op de eerste plaats ten doel heeft gesteld alle mensen van het Koninkrijk, dat God nu als de weg der redding aanbiedt, af te keren. Om in dezelfde tredmolen van activiteit als deze wereld te lopen zonder in de maalstroom van de door de demonen beheerste denkwijze te worden meegezogen, moet men de belangen van Gods koninkrijk derhalve de eerste plaats in zijn leven toekennen. Dit is de handelwijze die Jezus christenen voor ogen stelde toen hij zei: „Houdt er mee op overdreven bezorgd te zijn over uw ziel met betrekking tot wat gij zult eten of wat gij zult drinken, of over uw lichaam met betrekking tot wat gij zult dragen. Betekent de ziel niet meer dan spijs en het lichaam niet meer dan kleding? Slaat oplettend de vogels des hemels gade, want zij zaaien geen zaad noch maaien zij noch vergaren zij in voorraadschuren; toch voedt uw hemelse Vader ze. Zijt gij niet meer waard dan zij? Wie van u kan door bezorgd te zijn één el aan zijn levensduur toevoegen? Ook wat de aangelegenheid van het zich kleden betreft, waarom zijt gij zo bezorgd? Leert van de lelies op het veld, hoe zij groeien; zij zwoegen niet, noch spinnen zij, maar ik zeg u dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet als een van deze getooid is geweest. Indien God nu de plantengroei des velds, welke er vandaag is en morgen in de oven wordt geworpen, aldus bekleedt, zal hij u dan niet veel meer bekleden, gij kleingelovigen? Weest dus nooit bezorgd en zegt niet: ’Wat zullen wij eten?’ of ’Wat zullen wij drinken?’ of ’Wat zullen wij aandoen?’ Want dit alles streven de natiën vurig na. Want uw hemelse Vader weet dat gij dit alles nodig hebt. Blijft dan eerst het koninkrijk en zijn rechtvaardigheid zoeken, en al het andere zal u worden toegevoegd.” — Matth. 6:25-33, NW.
3. Aan wie gaf Jezus deze raad, en waarvan is het opvolgen ervan afhankelijk?
3 Dit door de voornaamste vertegenwoordiger van Jehovah’s koninkrijk uitgevaardigde gebod houdt de belofte in dat God allen die Zijn wet gehoorzamen en de belangen van Zijn regering de eerste plaats in hun leven toekennen, uit de greep van deze wereld zal bevrijden en in hun behoeften zal voorzien (Ps. 18:21; Spr. 13:13; Hebr. 11:6). Jezus sprak hier niet enkel en alleen tot hen die reeds in Jehovah’s dienst stonden. De woorden van dit gebod maken deel van zijn „bergrede” uit, waarin hij zich tot mensen van alle natiën richtte die in de loop der eeuwen een beter leven trachtten te leiden door zich aan Gods maatstaven te houden. Om deze reden zouden alle belijdende volgelingen van Christus Jezus er goed aan doen deze woorden ernstig tegen de achtergrond van hun eigen belangen en positie in deze wereld te beschouwen. Daar er, zoals Jezus hier uiteenzet, geen twijfel over bestaat of Jehovah wel bij machte is in onze behoeften te voorzien, is het voor niemand van ons nodig zich van deze wereld afhankelijk te voelen. De handelwijze van een christen wordt derhalve uitsluitend een zaak van geloof en van zijn bereidwilligheid zijn eigen belangen aan die van Gods koninkrijk ondergeschikt te maken.
4. Welke verhouding dient er tussen de Koninkrijksbelangen en iemands persoonlijke belangen te bestaan?
4 Vanuit dit standpunt bezien, worden alle belangen van een christen Koninkrijksbelangen, hetgeen in overeenstemming is met Paulus’ woorden: „Wat gij ook doet, verricht uw werk van harte, als voor den Here” (Kol. 3:23). De christen verwerft niet alleen voedsel om zijn honger te stillen, maar opdat hij in fysiek opzicht gesterkt mag worden voor het hem toegewezen werk in de bediening. Hij heeft slechts in zoverre belangstelling voor werelds werk dat hij het nodige moet hebben om voor zich en zijn gezin in het belang van zijn voortdurende dienst van God in kleding en onderdak te voorzien. Vooruitgang in het zakenleven komt bij hem niet op de eerste plaats. Zelfs op zijn ontspanning zal hij nauwlettend toezien, en hij zal deze volledig onder controle houden opdat zijn denkwijze in verband met de Koninkrijksbediening gestimuleerd en in juiste banen geleid zal worden. Toewijding aan de Koninkrijksbelangen vormt in ieders leven een bron van kracht, terwijl hebzucht en zelfzucht veel leed met zich meebrengen. Paulus moedigt ons derhalve aan: „Inderdaad brengt de godsvrucht, gepaard met tevredenheid, een groot gewin.” — 1 Tim. 6:6, OB.
5. Hoe verschafte Noach wat het juiste evenwicht tussen belangen betreft, een voorbeeld?
5 Een juist evenwicht wordt een zaak van geloof, en als wij een geloof als dat van Noach bezitten, kunnen wij in een wereld leven die de belangen welke God haar heeft gegeven, voor persoonlijke en zelfzuchtige doeleinden heeft aangewend, en kunnen wij ons evenwicht en onze belangstelling voor onze door God geschonken verantwoordelijkheden handhaven. Noach is hierin geslaagd. Hoewel hij — evenals zijn zonen — een gehuwd man was, vormden zijn gezinsbelangen, de verplichting die op hem rustte om zijn gezin van voedsel en drank te voorzien, voor hem geen belemmering om zich van zijn door God gegeven toewijzing om een ark te bouwen, te kwijten. Daar hij zich geconcentreerd met zijn werk bezighield, vorderde het naar wens en overleefde hij het einde van een wereld. Gezien Noach de Koninkrijksbelangen de eerste plaats toekende, wordt hij een prediker van gerechtigheid genoemd, terwijl Paulus van hem zegt: „Door het geloof heeft Noach . . . de wereld veroordeeld en is hij een erfgenaam geworden der gerechtigheid, die aan het geloof beantwoordt” (2 Petr. 2:5; Hebr. 11:7). Noach vormde niet alleen een voorbeeld voor de wereld waarin hij leefde, maar Christus Jezus noemt hem een voorbeeld voor dit huidige samenstel van dingen (Matth. 24:37-39). Zij die de belangen van Gods koninkrijk de eerste plaats toekennen, behoeven derhalve geen angst voor een onzekere toekomst te hebben.
6. Waarom nemen Jehovah’s getuigen hun bepaalde standpunt ten opzichte van de regeringen van deze wereld in, en hoe beschouwen sommige personen hun houding nochtans?
6 Doordat Jehovah’s getuigen de belangen van Gods koninkrijk in hun leven op de eerste plaats hebben gesteld, slaan sommige oningelichte personen hun betrekkingen en houding ten opzichte van de regeringen van deze wereld wantrouwend gade. Indien deze natiën zichzelf konden bedruipen en in de behoeften van het volk konden voorzien, zou Gods koninkrijk niet noodzakelijk zijn. Jezus leerde zijn volgelingen evenwel om de komst van Gods koninkrijk bidden, opdat Gods wil op aarde gedaan zou worden (Matth. 6:10). Men kan het christenen onmogelijk kwalijk nemen dat zij zich op de hoop die in dit gebed tot uitdrukking wordt gebracht, verlaten en in het belang van de verwezenlijking ervan werken. Zij die naar de regeringen van deze wereld opzien, zouden er goed aan doen zich het volgende af te vragen: Als Jezus hier nu eens was, welke vlag zou hij dan groeten? Voor welk land zou hij strijden? Op welke politieke partij zou hij stemmen? Men kan zich hier niet van af maken door te zeggen dat dit met Jezus Christus een ander geval is. Hij heeft zelf gezegd: „Een discipel staat niet boven zijn meester, maar al wie volleerd is, zal zijn als zijn meester” (Luk. 6:40). Een oprechte volgeling van Jezus Christus zal er belang in stellen hoe Hij de aangelegenheden beschouwt en hetzelfde trachten te doen als wat Jezus zelf gedaan zou hebben. Vele belijdende christenen zouden niet voor een beeld van Christus Jezus — als een voorstelling van Gods regering — buigen of het groeten, gezien dit in hun ogen een daad van afgoderij zou zijn. Toch zijn zij bereid voor een embleem van een natie van deze wereld overeenkomstige daden te verrichten. Voor hen die de belangen van Gods koninkrijk de eerste plaats toekennen, zijn al zulke daden met het Onze Vader en de in Gods Woord opgetekende beginselen in strijd en betekent het Gods belangen ten gunste van een andere soeverein te negeren. Een christen zou dit nooit met zijn verknochtheid aan Gods koninkrijk in overeenstemming kunnen brengen.
7. Waarom vormen Jehovah’s getuigen, doordat zij de belangen van Gods koninkrijk de eerste plaats in hun leven toekennen, geen gevaar voor de veiligheid van welke natie dan ook?
7 Doordat zij God en de belangen van zijn koninkrijk zo exclusief zijn toegewijd, vormen zij voor geen enkele natie een gevaar voor de veiligheid. Jezus Christus was niet omverwerpend, ook al werd hij hier door zijn religieuze tegenstanders van beschuldigd (Luk. 23:2). Hij weigerde zich in politiek opzicht voor de aangelegenheden van deze wereld in te spannen, omdat, zoals hij zei, „niemand . . . twee heren [kan] dienen, want hij zal òf den enen haten en den anderen liefhebben, òf zich aan den enen hechten en den anderen minachten” (Matth. 6:24). Op grond van deze door Jezus gegeven waarschuwing weigeren Jehovah’s getuigen deze twee soorten van regeringsbelangen gelijke waarde toe te kennen. Hierdoor worden zij echter nog niet omverwerpend. Dat Jehovah’s getuigen in het verleden hebben geweigerd zulke patriottische plichten als stemmen, het groeten van een vlag of het zich in het leger laten inlijven, na te komen, verzekert ieder land ervan dat zij de veiligheid van die natie niet in gevaar zullen brengen, daar zij zich ook in alle andere landen van zulke activiteiten onthouden. Jehovah’s getuigen kunnen er derhalve nimmer verantwoordelijk voor worden gesteld wanneer de een of andere natie een agressieve politiek voert. Neen, het zijn niet Jehovah’s getuigen die het ernstige probleem voor een natie vormen. Daar hun in de gehele wereld ingenomen standpunt van neutraliteit op hun exclusieve toewijding aan God en de belangen van zijn koninkrijk is gebaseerd, vormt dit een non-interventie- en non-agressiebelofte welke bindender en betrouwbaarder is dan alle pacten welke door zulke „vijandige” staten ondertekend zouden kunnen worden. Zulke beloften kunnen niet straffeloos verbroken worden.
8. In welk opzicht is het met de valse religiën van deze wereld ten aanzien van hun verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de natiën anders gesteld?
8 De religiën die zich met de politiek van alle natiën inlaten en derhalve de denkwijze van die natiën, zelfs van elkaar vijandig gezinde, helpen vormen, zijn het laakbaarst. Toch zijn dit de belangrijkste religiën, de religiën die bij de mensen het meest in aanzien zijn. Wanneer een land een agressieve politiek gaat volgen, ontkennen zij natuurlijk hier verantwoordelijk voor te zijn en trachten zij hun handen in onschuld te wassen, maar het bloed van de jongemannen die hen als hun „geestelijke leiders” volgen, stijgt van beide zijden van het front, waar de ene „christelijke” broeder de andere „christelijke” broeder doodt, ten hemel op (Jes. 1:15). Dat zulke „aanvaarde” religiën hebben nagelaten de belangen van Gods koninkrijk op de eerste plaats te stellen, heeft tot gevolg gehad dat er op aarde voortdurend onschuldig bloed heeft gevloeid. Voordat progressieve, praktische mensen Jehovah’s getuigen er daarom om veroordelen dat zij de belangen van Gods regering boven die van welke aardse natie dan ook stellen, zullen zij zulke aangelegenheden eens ernstig onderzoeken.
9. Wat geven sommige mensen als reden op om niet naar de Koninkrijksboodschap te luisteren, maar hoe beschouwen Jehovah’s getuigen zulke redenen?
9 Vele mensen die niet met het doel en het werk van Jehovah’s getuigen bekend zijn, geloven dat hun lidmaatschap van de een of andere religieuze gemeenschap er een grondige reden voor vormt de boodschap van Gods koninkrijk, zoals die door Jehovah’s getuigen wordt bekendgemaakt, van de hand te wijzen. Wanneer iemand tot getuigen zegt dat hij bij de een of andere kerkorganisatie is aangesloten, nemen zij altijd aan dat het desbetreffende kerklidmaat zijn geloof oprecht belijdt, maar gezien de getuigen zich eraan hebben opgedragen de belangen van Gods koninkrijk op de eerste plaats te stellen, zullen zij die persoon toch aanmoedigen de teksten die zij onder zijn aandacht willen brengen, aan een onderzoek te onderwerpen.
10. Hoe beschouwden vele joden Jezus en Johannes de Doper, en welke gelegenheid lieten de joden als gevolg hiervan voorbijgaan?
10 Jezus heeft in zijn dagen het voorbeeld gegeven. Zelf een jood, predikte hij gedurende de drie en een half jaar van zijn bediening het goede nieuws van Gods koninkrijk tot de joden. Dit was in hun ogen een nieuwe leer, afwijkend van de Wet die God hun door bemiddeling van Mozes had gegeven. Vele joden beschouwden Christus en zijn volgelingen dan ook als afvalligen, die gemeden of ter dood gebracht moesten worden. Zij die zich niet door zulke bittere gevoelens wilden laten afkeren maar luisterden en zijn woorden nauwkeurig in het licht van de Wet van Mozes en de overige Hebreeuwse Geschriften beoordeelden, ontvingen van hem echter het bewijs dat hij waarlijk Gods vertegenwoordiger was, degene die gemachtigd was om hun Gods boodschap bekend te maken. Zelfs Jezus’ voorloper Johannes de Doper, die niet zoals Jezus enige tijd later een beroep op de joden deed om een nieuw verbond te aanvaarden, werd door de religieuze Farizeeën en Sadduceeën verworpen, daar hij er bij eerlijke joden op aandrong de tradities en praktijken die in de loop der eeuwen door de religieuze leiders waren ingevoerd, de rug toe te keren. Zij die zó blind waren of zó door hun eigen belangen in beslag werden genomen dat zij nog niet eens naar hem luisterden, grepen de gelegenheid waarop de joodse natie al sinds de dagen van Mozes haar grootste hoop had gesteld, namelijk, de Messias bij zijn komst te ontmoeten, niet aan.
11. Op grond van welke argumenten zouden deze joden zich in hun handelwijze gerechtvaardigd kunnen voelen, maar hoe toonde Jezus aan dat zij in waardering tekortschoten?
11 Sommige joden voelden zich ongetwijfeld gerechtvaardigd tot zulk een handelwijze. Was hun natie niet op Gods eigen door bemiddeling van Mozes gegeven wet gefundeerd? Was de positie welke hun leiders bekleedden niet door God geordineerd? Toen Jezus zich als de langverwachte Messias aanbood, wendde hij zich evenwel niet tot deze mannen die op Mozes’ stoel beweerden te zitten, daar hij hen wier belangen tegengesteld aan Gods regering waren, bezwaarlijk tot Koninkrijkserfgenamen kon maken. In plaats daarvan vergaderde hij vissers, verachte belastinginners en anderen die bij de mensen een slechte reputatie genoten, om zich heen. Door deze keuze van zijn apostelen toonde hij aan dat God afzonderlijke personen op grond van hun geloof en de werken die zij in overeenstemming hiermee verrichten, aanvaardt, en niet op grond van hun positie of een „stamboom” van religieuze voorouders waar zij zich valselijk op beroepen.
12. (a) Waarom waren de joden niet te verontschuldigen voor hun weigering Jezus als de Messias te erkennen, en hoe wordt hun verantwoordelijkheid thans door christenen beschouwd? (b) Wat dienen alle belijdende christenen zich heden ten dage af te vragen, en welke gelegenheid lopen zij gevaar aan zich voorbij te laten gaan?
12 God zag de weigering van de joden de werken van zijn Messias aan een onderzoek te onderwerpen echter niet verontschuldigend door de vingers. Jezus had hen aangespoord: „Indien ik de werken van mijn Vader niet doe, gelooft mij niet. Maar indien ik ze wel doe, ook al gelooft gij mij niet, gelooft de werken, opdat gij het feit moogt begrijpen en moogt blijven weten dat de Vader in eendracht met mij is en ik in eendracht met de Vader ben” (Joh. 10:37, 38, NW). In deze tijd beweren alle christenen goed te weten hoe waardevol het werk dat Jezus onder de joden verrichtte, was. Dit komt omdat wij het nu, eeuwen later, in de juiste verhouding zien. Wij zouden ons echter best eens het volgende kunnen afvragen: Zou onze beslissing, als wij in Jezus’ dagen hadden geleefd, even eenvoudig zijn geweest? Het antwoord op die vraag kan in onze houding ten opzichte van de belangen van Gods koninkrijk worden gevonden. Kunnen wij werkelijk zeggen dat wij eerlijk tegenover God of onszelf zijn? Laten wij ons door mensen wier verdeelde belangen hen ongeschikt maken om als geestelijke raadgevers in de exclusieve aanbidding van God en de toewijding aan zijn koninkrijksbelangen op te treden, verblinden of van de waarheid afkeren? Indien dit het geval is, kunnen wij er zeker van zijn dat wij de gelegenheid waarop de christelijke gemeente sedert Jezus’ eerste komst haar grootste hoop heeft gesteld, namelijk, hem te begroeten wanneer hij terugkomt en de zegeningen van zijn koninkrijksregering binnentreedt, aan ons laten voorbijgaan.
13. Hoe waarschuwden Paulus en Petrus voor het gevaar zich deze christelijke hoop te laten ontnemen?
13 Paulus waarschuwde voor de man die „u meesleept door de wijsbegeerte of ijdele drogredenen, die op de overlevering der mensen zijn gegrond, of op de leerbeginselen der wereld, maar niet op Christus” (Kol. 2:8, PC). Petrus zei over dergelijke personen nog het volgende: „Dit vooral moet gij weten, dat er in de laatste dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen, en zeggen: Waar blijft de belofte van zijn komst? Want sedert de vaderen ontslapen zijn, blijft alles zó, als het van het begin der schepping af geweest is” (2 Petr. 3:3, 4; Ezech. 13:8, 16). Dezen laten de Koninkrijksboodschap volkomen buiten beschouwing, weigeren op alle bewijzen die op Christus’ tegenwoordigheid duiden, acht te slaan en blijven in de strik van dit samenstel van dingen gevangen.
14. Welk ander standpunt vormt voor sommigen een struikelblok ten aanzien van Christus’ tegenwoordigheid, en op grond van welke misvatting nemen zij dit standpunt in?
14 Anderen worden door het gezichtspunt dat Christus niet tháns tegenwoordig is maar binnenkort zal komen, tot struikelen gebracht. Zij baseren hun gedachte op de bewijzen die Jezus gaf toen hij het over zijn wederkomst had en waarvan zij erkennen dat de hierin genoemde toestanden thans bestaan. Zulke personen zien echter niet in dat deze door Jezus verschafte bewijzen getuigenis zouden afleggen van het feit dat hij reeds wedergekomen wàs, en niet dat zijn wederkomst nog zou volgen. De discipelen vroegen hem: „Wat zal het teken van uw tegenwoordigheid en van de voleinding van het samenstel van dingen zijn?” (Matth. 24:3, NW) Dat Christus thans niet gezien kan worden, vormt er geen bewijs voor dat hij thans, hoewel deze bewijzen zichtbaar zijn, niet werkelijk tegenwoordig is, want waarom zou hij, als hij van plan was geweest bij zijn wederkomst zichtbaar door de mensen herkend te worden, anders een teken nodig hebben gehad?
15. Hoe kunnen Openbaring 1:7 en Johannes 14:19 met elkaar in overeenstemming worden gebracht? (b) Hoe werpen 1 Timotheüs 6:14-16 en Hebreeën 1:3 licht op Christus’ wederkomst?
15 Sommigen die betogen dat Christus zichtbaar zal wederkeren, halen Openbaring 1:7 aan, waarin staat: „Zie, Hij komt met de wolken en elk oog zal Hem zien” (Openb. 1:7). Toch heeft Jezus vóór zijn dood duidelijk verklaard: „Nog een korten tijd en de wereld ziet Mij niet meer” (Joh. 14:19). Dit in aanmerking genomen, wordt het duidelijk dat er in de verklaring van de Openbaring over het zien van hem met de ogen des verstands wordt gesproken. Anders zouden Paulus’ woorden in 1 Timotheüs 6:14-16 zonder betekenis zijn, want hij beschrijft Christus Jezus daar als degene die „een ontoegankelijk licht bewoont, dien geen der mensen gezien heeft of zien kan”. Dat Christus de mensheid kan bezoeken zonder gezien te worden, blijkt uit het bericht over Israël, waarin bij verscheidene gelegenheden duidelijk wordt verklaard dat God de natie bezocht, terwijl hij toch onzichtbaar was (Gen. 50:24; Ruth 1:6, SV). Alle onderzoekers van de bijbel zullen onmiddellijk toegeven dat niemand God kan zien en leven; toen Paulus tot de Hebreeën schreef, zei hij evenwel van Jezus: „Hij is de weerspiegeling van zijn [dat is Gods] heerlijkheid en de nauwkeurige afbeelding van zijn wezen” (Hebr. 1:3, NW). Daar Gods Zoon bij zijn opstanding aldus in deze nauwkeurige afbeelding van God is veranderd, is het wel duidelijk waarom deze ’wereld hem niet meer ziet’. In plaats dat men zich derhalve door zulk een onnauwkeurig standpunt ten aanzien van Christus’ wederkomst voor de waarheden van Gods Woord en zijn koninkrijk laat verblinden, moet men alle persoonlijke inzichten die het duidelijke beeld van Gods koninkrijk vertroebelen, van zich afzetten, om tot redding te geraken.
16. Welk beroep doen Jehovah’s getuigen op alle mensen die rechtvaardigheid liefhebben?
16 Zonder op iemands religieuze achtergrond te letten, doen Jehovah’s getuigen een beroep op alle mensen die werkelijk rechtvaardigheid liefhebben, de thans beschikbare feiten die op dit geslacht als de tijd voor Christus’ wederkomst en de vervulling van Gods beloften aan de mensheid duiden, aan een onderzoek te onderwerpen (Matth. 24:1-51). Beschouw bijvoorbeeld eens het modelgebed, waarin Jezus op de goddelijke wil doelde toen hij ons leerde bidden: „Uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde” (Matth. 6:10). Wordt Gods wil thans op aarde gedaan, vervuld als deze wereld is van de onderdrukking van het communisme, hete en koude oorlogen, misdadigheid onder alle lagen der bevolking en ziekten die de volkeren van alle natiën teisteren? Laten oprechte mensen 2 Timotheüs 3:1-5 opslaan en lezen hoe God al deze toestanden precies heeft voorzegd ten einde ons te waarschuwen ons van deze wereld af te keren en voor de vervulling van de goddelijke wil naar iets anders uit te zien. Laten zulke oprechte mensen, die lege menselijke beloften de rug toekeren, hun hart als reactie op Gods belofte van een nieuwe aarde, zoals die door Jehovah’s getuigen aan de hand van de bijbel aan hen wordt bekendgemaakt, verheffen en uit hun eigen bijbel Gods verzekering lezen dat er op de gehele aarde rechtvaardigheid zal heersen en de mens in vrede en voorspoed zal leven zonder ooit voor de toekomst bevreesd behoeven te zijn. — 2 Petr. 3:13; Jes. 66:22; Ps. 78:69; Openb. 21:4.
17. Hoe dient het geschilpunt waartegenover de wereld zich thans geplaatst ziet, tegemoet te worden getreden?
17 Laten zulke oprechte lidmaten van de religiën der wereld zich nu eens het volgende afvragen: Is deze hoop niet de moeite waard? Loont het niet de moeite zulke beloften van God aan een onderzoek te onderwerpen? Zou het niet kortzichtig zijn deze hoop op zegeningen en de organisatie die de weg tot de verwezenlijking van deze verwachtingen aangeeft, te negeren? Er kan van Gods schapen waarlijk worden gezegd dat zij verstrooid en door deze wereld beroofd zijn, en evenals Jezus’ hart zich medelijdend tot hen keerde, richt de Grote Herder Jehovah God door bemiddeling van zijn Zoon Jezus Christus, die eveneens een herder is, de aandacht van zijn getuigen op alle hoeken der wereld om de waarheid bekend te maken die de mensen zal vrijmaken (Joh. 8:32). Hoe dwaas is de onverantwoordelijke houding van sommigen die zeggen: „Ik maak er nu maar het beste van en zal wel zien wat ik moet doen wanneer het zover is”! Dit is de weg van de minste weerstand, en allen die deze weg volgen, kunnen er zeker van zijn in de strik welke de god van deze wereld heeft gespannen, te zullen vallen. Het geschilpunt waartegenover de wereld zich thans geplaatst ziet, moet door allen die oprecht het verlangen koesteren Gods koninkrijk in hun leven de eerste plaats toe te kennen, positief tegemoet worden getreden.