Mijn doel in het leven nastreven
Zoals Mary Hinds dit heeft verteld
JA, HET is mogelijk! Dit is door de eeuwen heen door getrouwe mannen en vrouwen bewezen en thans zijn er nog die het doen. Eén van de meest bevredigende manieren om het te doen — dat wil zeggen, Jehovah een antwoord op Satans uitdaging te verschaffen — is zich in de gelederen der pioniers te bevinden. — Spr. 27:11.
Mijn gedachten gaan terug naar mijn godvrezende ouders die de publikaties van het Genootschap bestudeerden en tengevolge daarvan ons, kinderen, juiste beginselen inscherpten. Doordat ik geregeld de Wachttoren-studie bijwoonde (of deze nu bij ons thuis werd gehouden of in het huis van de dichtst in de buurt wonende getuige, hetgeen betekende dat wij per rijtuig een afstand van negenentwintig km moesten afleggen), er een aandeel aan had en na schooltijd traktaten verspreidde, werden deze goede gewoonten dermate een deel van mijn leven dat ik de waarheid als vanzelfsprekend beschouwde en op de een of andere wijze de noodzaak over het hoofd zag persoonlijk een beslissing te nemen ten einde de goedkeuring van de grote Schepper te verwerven.
Toen ik de leeftijd van achttien jaar had bereikt, liet ik mij voor een vierjarige cursus op een universiteit inschrijven. Nu ik tegenover de harde werkelijkheid van het leven kwam te staan, raakte ik uit mijn evenwicht, en kreeg wanhopig heimwee naar huis. Weggeborgen in een hoekje van mijn koffer lag daar echter als een blijk van de zorgzaamheid — en hoop — van een moeder die zich aan God heeft opgedragen, een klein groen boek, getiteld De harp Gods. Gretig haalde ik het te voorschijn, las het en bestudeerde het aan de hand van de bijbel. Het betekende nu zoveel meer voor me dan vroeger! Ik werd erdoor getroost en verkreeg er hoop door. Door deze levengevende kennis werd ik opmerkzaam gemaakt op een toekomst die veel meer voldoening zou schenken dan alles wat ik als resultaat van mijn eigen krachtsinspanningen trachtte te verwerven, en ze leidde ertoe dat ik mijn leven aan God opdroeg en mij in 1927 op het eerste grote congres dat ik ooit had bijgewoond, namelijk dat te Toronto, in Canada, liet dopen. Bij die gelegenheid werd er het niet te onderdrukken verlangen in mij opgewekt om pionier te worden. Ik moest echter nog een schuld aan de universiteit inlossen welke ik niet zonder mijn geweten geweld aan te doen, op een ander kon afschuiven, en die schuld werd nog hoger voordat ik haar kon gaan voldoen. Hiertoe moest ik een jaar lang elk dubbeltje dat ik uitgaf, omkeren.
’Zoek eerst het koninkrijk en al het andere zal u worden toegevoegd.’ Deze verzekering bleef maar in mijn oren naklinken, en daar ik ’de kosten had berekend’, kon ik mij met niets anders verzoenen dan als pionier mijn doel in het leven na te streven (Matth. 6:33). Ik nam derhalve ontslag, verbrandde mijn schepen achter me en begon in september 1930, net midden in een grote economische depressie, daadwerkelijk aan ’s levens wedloop deel te nemen. Ik ben altijd blij geweest dat ik deze stap heb gedaan, want het betekende veel meer voor mij dan ook maar iets van de volkomen juiste dingen die deze oude wereld zou kunnen bieden, en dit betekent het nog voor mij! Het kwam erop neer Jehovah’s goedheid te smaken en elke dag zijn lof te zingen, hetgeen omdat men dan de toekomst onbevreesd onder ogen kan zien, vrede des geestes tot gevolg had.
Die eerste winter was voor mij, een onervaren pionierster, erg hard, en vele malen werd ik geplaagd door de treiterende gedachte ermee op te houden en een goed gesalarieerde betrekking te aanvaarden. Al spoedig leerde ik dat er van mijn zijde werkelijke vastbeslotenheid en een volledig vertrouwen op Jehovah en in zijn organisatie voor nodig was om aan het werk te blijven. Die eerste winter werd mijn probleem opgelost doordat ik met toestemming van het Genootschap van het plattelands- naar stadsgebied verhuisde. Ik werkte daar tot de grote vergadering in 1931 in Columbus, Ohio, waar het aannemen van de „nieuwe naam” het jaar tot een hoogtepunt bracht, met de gemeente te Indianapolis, in Indiana, samen. Daar wist ik het zo te regelen dat ik met een geweldig goede zuster, die twintig jaar ouder was dan ik en al ongeveer vijfentwintig jaar pioniersdienst achter de rug had, mocht samenwerken; zij was ook in het bezit van een auto. Welk een hulp was zij voor mij!
De volgende zes jaar hadden wij een gelukkige tijd waarin wij samenwerkten en voornamelijk in het plattelandsgebied plantten. Wij begonnen met ons predikingswerk in het maïs-gebied van noord-Indiana, vervolgens in de „bluegrass”- en tabaksgebieden van Kentucky en Tennessee en zo verder naar de katoenplantages van zuid-Alabama. In ons streven om elk huis in onze toewijzing te bereiken, doorwaadden wij rivieren, liepen over boomstammen die over rivieren en kloven waren gelegd, beklommen bergen, vulden gaten in de weg met stenen zodat onze wagen eroverheen kon, en liepen in van alles en nog wat vast, zoals in de modder langs de Mississippi, welke bij regenweer zeepachtig en kleverig wordt, en het zand van de Lookout Mountain. Wij werden verkeerd voorgesteld door religieuze fanatici die voor ons uit trokken om de buren voor onze komst te waarschuwen; wij bezochten ruziemakende schreeuwers en werden met geweren uit mijnwerkerskampen verdreven. Wat de moeilijkheden echter ook zijn geweest, het liep altijd weer uit op vreugde wanneer wij werkelijk een horend oor vonden — vaak net bij dat laatste huis aan het einde van de weg. Nooit hebben wij willens en wetens een afgelegen huis overgeslagen, want wij waren ervan doordrongen dat getrouwheid in het kleine tot getrouwheid in het grote zou leiden. Wij zaaiden overvloedig in die negenentwintig counties geïsoleerd buitengebied, en haalden er een rijke oogst binnen.
Ons geestelijke voedsel was het best: de bijbel en De Wachttoren, welke wij ijverig bestudeerden, waarbij wij altijd weer ondervonden dat elke waarheid even nieuw en zoet was als toen wij haar voor het eerst hoorden. Hoe wij het met onze financiën regelden? Wel, wij hadden het verschil leren kennen tussen wat men wil hebben en wat men werkelijk nodig heeft, en dat ’noch leven noch geluk afhankelijk zijn van hetgeen men bezit’, en derhalve ging het ons op wonderbaarlijke wijze voor de wind (Luk. 12:15). Door erg zuinig te zijn, konden wij ook nog wat overhouden om de congressen bij te wonen, waardoor wij gestimuleerd werden om ons bevoorrechte levenreddende werk te blijven verrichten.
Hoe rijk deze jaren ook voor ons waren, toch lagen er nog grotere dingen in het verschiet. Wij waren uitermate dankbaar toen wij in 1937 op het congres te Columbus, Ohio, de uitnodiging ontvingen om speciale pionier te worden. Toen de organisatie van democratisch theocratisch begon te worden, werkten wij samen met de Louisville-gemeente in Kentucky en verheugden wij ons erin te zien hoe Jehovah toename schonk doordat vele van hen bij wie wij nabezoeken hadden gebracht, zich met de organisatie verbonden en getuigen werden die zich aan God opdroegen. Vervolgens gingen wij naar Jeffersonville en New Albany, in Indiana, waar verdere belangstelling werd opgewekt en wij weer vrienden maakten die wij nooit zullen vergeten. In 1941 kregen wij een toewijzing voor Union City, in Tennessee. Vroeg in 1942 werd ik door de plotselinge dood van mijn geliefde moeder, die mij altijd zo had aangemoedigd getrouw in de dienst te blijven, naar huis teruggeroepen. Dit was een harde slag voor mij; en toen ik na tien dagen naar mijn gebied terugkeerde, trof ik daar mijn partner ziek aan, terwijl zij door deze kwaal enkele maanden later uit de pioniersdienst moest gaan. Haar zesendertigjarige pioniersloopbaan deed mij de waarde van die voortreffelijke eigenschappen van geduld en volharding nog meer waarderen. Door al deze ervaringen leerde ik dat de pioniersdienst iemand niet van de problemen en verzoekingen „die mensen gemeen” zijn, vrijwaart, en dat men deze evenmin door eigen kracht het hoofd kan bieden (1 Kor. 10:13, NW). Wanneer men in de pioniersdienst is, wandelt men zeer dicht naast God! En die hun last op Hem werpen, staat hij bij en helpt hij!
Op het congres hetwelk dat jaar in Cleveland, Ohio, werd gehouden, werd er de nadruk op gelegd dat Jehovah’s organisatie niet statisch is en dat daarom waarschijnlijk binnen zeer korte tijd enkele van onze broeders en zusters naar andere landen zouden worden gezonden om daar diensttoewijzingen te vervullen. Ik was ervan overtuigd dat ik nooit voor zoiets in aanmerking kon komen, en na afloop van de vergadering ging ik daarom weer naar mijn toewijzing in Union City terug, waar mijn nieuwe partner en ik de vreugde smaakten een kleine gemeente op te kunnen richten.
Toen kwam de onvergetelijke verrassing: Twee grote enveloppen van het bureau van de president, met het woord „Vertrouwelijk” erop! Koortsachtig openden wij ze, lazen de inhoud van de brief en gingen toen naar huis. Met gemengde gevoelens van dankbaarheid, nederigheid, vreugde en opwinding hadden wij het de wereld wel willen toeroepen: „Gilead! Het zendingsveld! Een toewijzing in de vreemde! Theocratische uitbreiding!” De ingesloten vragenlijst had echter een ontnuchterende uitwerking. Wanneer wij haar zouden invullen en indien men onze aanvraag zou accepteren, zou dit kunnen betekenen dat ik, nadat ik eenmaal de Verenigde Staten zou hebben verlaten, mijn geliefden nooit meer zou terugzien. Het zou betekenen dat ik op vijfendertigjarige leeftijd een nieuwe taal zou moeten leren, en taal had mij altijd al veel moeite gekost. Mogelijk zou ik in mijn leefwijze een volledige verandering moeten aanbrengen. Zou ik het mij daarentegen kunnen veroorloven het voorrecht te missen in andere landen de mensen een weerspiegeling te laten zien van de grote „vader der barmhartigheden en de God aller vertroosting”? (2 Kor. 1:3) U hebt mijn antwoord al geraden. De vragenlijst werd ingezonden, en terwijl ik ongeduldig op het antwoord wachtte, kropen de dagen voorbij. Intussen gingen wij naar onze volgende toewijzing, het stadje Pineville in Kentucky. Dit kleine plaatsje, dat in de Cumberland Mountains is gelegen, niet ver van Harlan, waar onze broeders en zusters nog niet lang daarvoor van opruiing waren beschuldigd, bleek een zeer hartverwarmend gebied te zijn. Al spoedig werden wij er geheel door in beslag genomen het fundament voor een toekomstige gemeente te leggen; wij hebben echter niet meer mogen meemaken dat deze werd opgericht, daar wij een uitnodiging voor de tweede klas van Gilead ontvingen!
Gilead! Welk een combinatie van aangename sfeer, gelukkige omgang, geïntensiveerde studie, verheven onderwijs en vrede; waarlijk een voorproefje van de toestanden in de Nieuwe Wereld! Die vijf maanden vlogen voorbij! Op welk een wijze werd ons geloof versterkt en ons inzicht verrijkt! Welk een voordeel trokken wij van het liefderijke nazoekwerk van onze begrijpende leraars! In welk een mate werd ons leven door de omgang met hen allen verdiept! Hoe liefdevol werden wij door als een Nieuwe-Wereldgezin te leven! Kortom, de dag van de diploma-uitreiking in januari 1944, kwam veel te vroeg.
Wij moesten nu Gilead verlaten, maar de geest ervan zou met ons meegaan en overal waar wij heengingen, zouden wij deze op onze broeders en zusters overdragen. De volle-tijd-dienst had nu een nieuwe grandeur en schoonheid gekregen. Ter bevordering van het glorierijke goede nieuws woonden wij in kleine groepjes bij elkaar en werkten wij schouder aan schouder. Het groepje waarmee ik was verbonden, werd aan Perth Amboy, New Jersey, toegewezen, welke stad ons wegens haar vele nationaliteiten een voorproefje van de toekomst verschafte. Ik was werkelijk dankbaar voor het gezelschap van mijn partner, Hazel Burford, een zuster van mijn leeftijd, wier levensloop u ook in deze artikelenreeks hebt kunnen lezen. In Perth Amboy werden wij door onze broeders en zusters opgewacht en zij heetten ons op zulk een hartelijke wijze welkom en hadden zulke liefderijke voorzieningen voor ons getroffen, dat de „wond” van het verlaten van Gilead al spoedig begon te helen. Voor het appartement dat zij ons hadden helpen zoeken (hetgeen in die oorlogsjaren geen kleinigheid was), hadden zij meubelen bij elkaar gebracht, onze kasten hadden zij met allerlei levensmiddelen gevuld en verder deden zij de was voor ons. Het samenwerken met deze gemeente schonk ons veel vreugde en wij waren getuige van een gezonde toename; de broeders en zusters daar maakten zich zo geliefd bij ons dat wij wel wilden dat wij hen met ons konden meenemen naar onze buitenlandse toewijzing.
Deze toewijzing ontvingen wij in de nazomer van 1945 en het betekende voor ons dat wij naar Colón, in de republiek Panama, moesten verhuizen. Dit was nu werkelijk iets nieuws; al die drukte om een paspoort, visum, en dergelijke aan te schaffen, en wat waren wij opgewonden! Deze hernieuwde verzekering dat wij nog steeds door Jehovah en zijn organisatie werden gebruikt, compenseerde het akelige gevoel dat het kaartje enkele reis Panama ons gaf, hoewel ik nadien nog driemaal in de Verenigde Staten ben teruggeweest om daar de grote congressen bij te wonen. Wat werden wij door de broeders en zusters in onze nieuwe toewijzing op een hartelijke theocratische wijze welkom geheten! Zij behandelden ons als iets „speciaals”, waren zeer milddadig en vriendelijk en toonden een grote bereidheid tot samenwerking. In de jaren dat wij met hen samenwerkten, is hun oprechtheid en liefde duidelijk aan de dag getreden en met ontroering hebben wij gezien hoe dit land wat de theocratische uitbreiding betrof, gelijke tred hield met de rest van de wereld, waardoor wij er in letterlijke zin toe werden genoopt ’de plaats van onze tenten te vergroten’ wanneer wij uit de ene Koninkrijkszaal na de andere groeiden.
Elke toewijzing heeft haar eigen bijzondere charme en biedt haar eigen hartverwarmende en vreugdeschenkende ervaringen. Zou u geen teder mededogen voelen voor hen die, omdat zij nimmer op de juiste wijze zijn ingelicht, hun huwelijk nooit wettelijk hebben laten registreren, maar die nu, nadat zij tot een kennis van Jehovah’s vereisten zijn gekomen en hun leven dienovereenkomstig in het reine hebben gebracht, soms zelfs met hun kinderen als getuigen, naar de bevoegde instanties gaan om zich wettelijk in de echt te laten verbinden? Zou u ook niet ontroerd zijn wanneer een persoon die enkele jaren daarvoor door uw prediking in een taal die niet de uwe is, in de waarheid is gekomen, een pionierster werd, vervolgens speciale pionierster, en dan op de nationale ’Goddelijke wil’-vergadering vergezeld van enkele van de vruchten van haar liefdevolle werk naar u toekwam en zei: „Je hebt nu elf kleinkinderen, allen rijp in de waarheid en lofzangers van Jehovah”? Zou u niet blij zijn wanneer iemand die zich pas aan God heeft opgedragen, naar u toekomt en zegt: „Ik wil een goede aanbevelingsbrief voor je zijn, leer mij daarom alsjeblieft nog meer hoe ik Jehovah’s wil kan doen”? Dergelijke voorvallen, die zich vele malen herhalen, schenken ons een gelukkig gevoel wanneer wij in onze toewijzing blijven.
Nog iets anders, het nastreven van mijn doel in het leven heeft mij geholpen de persoonlijke belangstelling en zorg van het Genootschap voor de volle-tijd-bedienaren van het evangelie, te leren waarderen. Wanneer ik niet in de volle-tijd-dienst was geweest, zou ik nooit zo goed het voorrecht hebben gesmaakt in een zendingshuis te leven, om als een gezin met elkaar samen te wonen en te werken, om als het ware nieuwe krachten op te doen door kring-, districts-, zone- en bijkantoordienaren hun in verafgelegen gebieden opgedane ervaringen te horen vertellen. Ook in geval van ziekte behoeft men niet bevreesd te zijn de dienst te moeten verlaten. Ik ben ervan overtuigd dat een belangrijke factor die tot mijn spoedige herstel van een ernstige ziekte, verblijf in een ziekenhuis en operatie bijdroeg, was, dat ik toestemming kreeg om te mogen blijven waar mijn hart is — in mijn toewijzing.
Het jaar 1958 was het rijkste jaar van alle achtentwintig jaren die ik tot op die tijd in de pioniersdienst had doorgebracht. Daar ik verlof en vakantie tegoed had, kon ik weer zovele geliefden uit mijn persoonlijke kennissenkring aan wie ik wegens de liefde, trouw, mildheid en vriendelijkheid die zij mij door al die jaren heen hebben betoond, zoveel liefde en dank verschuldigd was, bezoeken. Het hoogtepunt van het jaar werd gevormd door de grote internationale ’Goddelijke wil’-vergadering van Jehovah’s getuigen. Het feit dat ik daar als zendelinge aanwezig was, dat ik te zamen met die grote menigte ’kostbaarheden aller natiën’ (onder wie zich nu mijn ijverige vleselijke zuster bevond) met de „tekenen en wonderen” werd vereenzelvigd, dat ik in het huis van iemand werd onthaald bij wie ik tot mijn grote vreugde kort na mijn aankomst in Colón een studie mocht oprichten, die daarna trouwde, naar New York verhuisde en daar nu zeer actief in de theocratische bediening is, dat de goddelijke wil mij nog weer eens zeer duidelijk onder ogen werd gebracht en ik er meer over leerde, vraagt als het ware om de uiting van dankbaarheid die lang geleden door koning David onder woorden werd gebracht: Jehovah, „gij hebt het jaar met uw goedheid gekroond”. — Ps. 65:11, NW.
Onmiddellijk na deze vergadering keerde ik naar Panama terug. Toen het vliegtuig zachtjes de landingsbaan raakte, dankte ik Jehovah voor de veilige terugkeer op de voor mij geliefdste plaats op aarde, mijn toewijzing, waar ik verder mijn doel in het leven zou kunnen nastreven. Wanneer gaat u uw doel in het leven nastreven?