Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w59 15/4 blz. 235-239
  • Mijn doel in het leven nastreven

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Mijn doel in het leven nastreven
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1959
  • Vergelijkbare artikelen
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1960
  • Een dor land wordt vruchtbaar
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1994
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1961
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1960
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1959
w59 15/4 blz. 235-239

Mijn doel in het leven nastreven

Zoals John Errichetti dit heeft verteld

IN DE winter van 1938 begon ik voor het eerst ernstig bijbelstudiehulpmiddelen van het Wachttorengenootschap te bestuderen. Omdat ik vanwege ziekte naar huis gekomen was, zocht ik alles af om iets te lezen te vinden. Jaren terug hadden wij lectuur uit Brooklyn gekregen, maar wij hadden er tot op dat moment nog niet veel aandacht aan geschonken. Nu ik echter de brochures over de hel, de ziel en andere bijbelse leerstellingen las, werd ik er zodanig door geboeid als alleen maar mogelijk is met mensen die uit de duisternis komen en plotseling het heldere waarheidslicht zien dat Jehovah hen geeft die de waarheid zoeken. Ik was rooms-katholiek opgevoed, wist niets van Gods voornemen en evenmin hadden wij een bijbel in huis. Die winter las ik net als allen die de waarheid leren kennen, zeer veel, en ik begon ook aan mijn vrienden de wonderbaarlijke dingen die ik leerde, te vertellen. Sommigen van hen dachten dat ik gek begon te worden, maar een paar van hen die wel luisterden, zijn nu in de waarheid.

In het voorjaar heb ik Jehovah’s getuigen opgezocht en ben hun vergaderingen gaan bezoeken. Korte tijd daarna werd er een kringvergadering gehouden en daar ben ik voor het eerst met mijn gemeentedienaar in de velddienst geweest. Nadat ik vier of vijf huizen met hem had samengewerkt, wilde ik bij de volgende deur graag zelf het woord doen. Zo gezegd zo gedaan, maar de man die wij daar troffen, bleek een tegenstander te zijn. Zijn opmerkingen deprimeerden me een beetje, maar ik stak de straat over en ging in mijn eentje verder met getuigenis geven; Jehovah bleek met mij te zijn want ik ben tot het laatst toe blijven doorwerken. In de daaropvolgende maanden kreeg ik veel meer kennis en ervaring doordat ik met twee pioniersters samenwerkte die tot de gezalfde klasse behoorden.

Om mijn doel in het leven na te streven, besloot ik enkele jaren later de pioniersdienst in te gaan en op de 8e januari 1942 stuurde het Genootschap mij mijn aanstellingsbrief. Ongeveer een jaar en drie maanden pionierde ik in verschillende plaatsen in het oosten van de Verenigde Staten. Ik kreeg steeds meer waardering voor de volle-tijd-dienst. Steeds weer werden de zegeningen van Jehovah duidelijk gemanifesteerd. Wij hebben nooit honger geleden en evenmin hebben we gebrek aan kleding of een slaapplaats gehad.

In maart 1943 ontving ik van het Genootschap een brief waarin men mij vroeg of ik ook graag de Wachttoren Bijbelschool Gilead wilde bezoeken. U kunt er van verzekerd zijn dat ik geen moment heb geaarzeld. Op de Gileadschool hebben we hard maar plezierig gewerkt en men kreeg er een grotere waardering voor Jehovah’s organisatie en ook veel vertrouwen in elkaar. Het waren vijf zeer prettige maanden en op de dag van onze graduatie zaten we allemaal op hete kolen zo benieuwd waren we waar we heen zouden gaan. Ik ging met nog zeven anderen naar Alaska. Mijn partner en ik werden aan Ketchikan toegewezen.

Op 12 oktober 1944 kwamen we in Alaska aan na een prachtige tocht per schip tussen allerlei eilanden door. We hebben er allebei bijna de gehele dag aan besteed om mensen te zoeken die zich op het tijdschrift De Wachttoren wilden abonneren, en tenslotte vonden wij er een paar waar we ook konden overnachten. De volgende dag gingen we verder met dit speurwerk en kwamen met een ouder echtpaar in contact dat heel erg geïnteresseerd was. Zij vroegen of wij bij hen wilden blijven. Wij stemden hierin toe en ondertussen begonnen we in dat gebied getuigenis, te geven en keken tegelijkertijd naar een permanente verblijfplaats uit.

Eens vroeg een vrouw die ik getuigenis gaf, mij of ik ook twee aardige jonge mannen kende die graag een klein huisje wilden huren. Ik zei „nu, dat weet ik niet, maar hoe ziet het er uit.” Daarop liet ze het me zien. Ik zei haar dat als ik iets wist, ik het haar dadelijk zou laten weten. Ik heb toen zo snel mogelijk mijn partner opgezocht en hem van het huisje verteld. Wij zijn toen samen teruggegaan en hebben tegen de vrouw gezegd: „Hier zijn die twee jonge mannen waar u naar gevraagd heeft.” Het huis was meer dan we verwacht hadden: het kostte maar zestien dollar per maand en stond in een prachtig deel van de stad.

Die winter werkten mijn partner en ik erg hard, plaatsten veel boeken en sloten veel abonnementen af. We kenden daar ook veel ontmoediging, want het regende er voortdurend, en met de harde wind die er stond, was het onmogelijk jezelf en de lectuur droog te houden. Om het allemaal nog een beetje moeilijker te maken, bleek Ketchikan gedeeltelijk zeer religieus en gedeeltelijk antireligieus te zijn. De vissers, die meest van Noorse afkomst waren, wilden niets met religie en de bijbel te maken hebben daar ze er in hun vroegere land teveel mee uit te staan hadden gehad. Men kon het hun niet kwalijk nemen dat ze er zo over dachten, want de geestelijken in de stad bedelden altijd maar om geld en bemoeiden zich verder nog met het plaatselijke politieke leven. Het was heel moeilijk voor ons het vertrouwen van die vissers te winnen. Nu hebben zij echter een andere kijk op Jehovah’s getuigen gekregen en velen lezen graag het tijdschrift Ontwaakt!

Bij het naderen van de zomer maakten mijn partner en ik plannen om de omliggende steden en dorpen die alleen maar per vliegtuig of per boot te bereiken waren, te gaan bewerken. Terwijl we zo veel mogelijk lectuur meenamen, vertrokken we met de vrachtboot naar de eerstvolgende aanlegplaats. We hielpen bij het uitladen van een deel van de goederen, waar de kapitein ons zeer dankbaar voor was. Een oud Indiaans opperhoofd liet ons in zijn huis verblijven, terwijl wij in de stad het koninkrijk predikten en veel lectuur plaatsten. Het volgende plaatsje waar we heen gingen, was Craig. Wij kwamen daar om ongeveer twee uur in de morgen aan. Het was aardedonker en het regende verschrikkelijk. Er was totaal geen verlichting in het plaatsje. Gelukkig verscheen de man die de haven exploiteerde al gauw met een lantaarn en daar wij toch niet wisten waar we op dit uur van de nacht naar toe moesten, staken wij ook even de handen uit de mouwen en hielpen met lossen. De kapitein vond dat zo geweldig dat hij, toen we hem vroegen wat we hem schuldig waren, zei: „Niets, jongens; jullie zijn mij geen cent schuldig en ik ben jullie erg dankbaar.” Dit gebeurde in de oorlogsjaren toen hulp erg schaars was. Ook de havenmeester stelde het erg op prijs. Hij zei tegen ons: „Wel, op dit uur is het logement gesloten, maar jullie kunnen wel in mijn lege magazijn slapen. Daar staat een kachel en er ligt wel hout ook; maak het jezelf maar gezellig en blijf maar net zo lang als je wilt.” Dat deden we dan ook. Van hieruit konden we tegelijkertijd naar een ander klein Indianendorpje lopen, dat ongeveer acht km verder lag en waar we ook weer veel lectuur verspreidden.

Een week later gingen we aan boord van een vrachtboot met bestemming Wrangell. Ook hier hielpen we bij het lossen van de boot en ook nu hadden we weer een gratis reis. Daar het nog te vroeg was om naar een kamer te gaan zoeken, legden we onze dekens op de kade neer, en gingen slapen. Later, in de loop van de ochtend, hadden we een ontmoeting met een oude Griekse Wachttoren-abonnee die ons in zijn hutje vriendelijk ontving. We bleven daar ongeveer een week. Daar de plaatsen die wij nu bezocht hadden, vele jaren niet meer met de Koninkrijksboodschap bediend waren geweest, hadden wij natuurlijk een hele hoge lectuurverspreiding.

Mijn partner en ik gingen nu de vissers vragen of er nog een van hen naar Petersburg moest, een plaatsje ongeveer vijfenvijftig kilometer verder. En ja hoor, een van hen nodigde ons aan boord, en dus gingen wij naar Petersburg. De huisvesting was daar een probleem. Wij kwamen er met een persoon van goede wil in contact, en hij stelde voor ons over de baai heen naar twee oude Noren te brengen — die zouden beslist wel een hut voor ons hebben. Dus staken wij de baai over. De persoon van goede wil vroeg de twee broers of wij in een van hun hutten konden verblijven, en zij zeiden, „Natuurlijk.” „Maar tussen twee haakjes jongens, wat is jullie werk?” Wij vertelde het hen. „O, een paar predikers,” zeiden ze met een blik vol afkeer. Wij vertelden hun dat als er iets om het huis heen te doen was, en wij hen konden helpen, wij dat heel graag zouden willen doen: „O, dat is prachtig,” was hun reactie. Ze leenden ons ook nog een kleine boot zodat wij de baai over konden roeien om in het stadje van huis tot huis te prediken.

Op een morgen ontdekte ik dat een van de broers het dak van zijn huis probeerde te teren. Het was een heel groot dak. Omdat hij oud en beverig was, durfde hij niet op het dak te klimmen, maar probeerde het, staande op een ladder en met een lange stok aan het eind waarvan hij een kwast stevig had vastgebonden, toch voor elkaar te krijgen. Het ging hem echter heel moeilijk af. Ik sloeg hem eens even gade en zei toen: „Wij zullen dat wel voor u doen.” Hij keek mij verbaasd aan en zei: „Jullie?” Hij kon niet geloven dat een paar predikers wilden werken. Zij kenden het verschil niet tussen geestelijken en christelijke predikers.

Wij zeiden hem wat we nodig hadden en begonnen het dak te teren. Het was een groot huis met een plaatijzeren dak met vele voetangels en klemmen. Mijn partner en ik werkten de hele dag als paarden om het klaar te krijgen, en zo tegen zessen riep men ons binnen om een hapje te eten. Wij vertelden de broers dat we het af wilden maken omdat het er naar uitzag dat het zou gaan regenen. „Maak het morgen maar af,” zei een van hen, maar wij antwoordden, „Neen, wij maken het vandaag af,” en we deden het ook. Ongeveer een half uurtje daarna begon het te gieten en de twee broers waren, de gelukkigste mensen in de stad dat hun dak geteerd was. De volgende dag vroegen zij of we ook niet het botenhuis wilden doen. Wij deden het. „Wat denken jullie van dat andere botenhuis?” Ook dat teerden we. „Zouden jullie ook niet de zaagmolen willen doen?” „Ja, wij zullen de zaagmolen ook doen.”

„Zouden jullie nu ook nog het huis willen schilderen” Daarom schilderden we ook nog het huis. Ondertussen hadden we alle huizen in het stadje bezocht en konden we weer vertrekken. De twee broers riepen ons binnen en vroegen ons wat zij ons schuldig waren. Wij zeiden: „Niets; jullie zijn zo vriendelijk voor ons geweest door ons in jullie hut te laten wonen, dat wij er graag wat voor terug wilden doen.” Daar wilden zij niet van horen. Zij drukten ons een rolletje bankbiljetten in de hand en zeiden: „Wij zijn meer dan tevreden en wanneer jullie hier ooit weer eens langs komen, zijn jullie beslist zeer welkom en kunnen jullie hier verblijven.” Toen we het geld later telden, bleek het een bedrag van 225 dollar te zijn.

Verscheidene jaren later, toen ik met mijn huidige partner dezelfde reis maakte, deden we ook weer Petersburg aan. Deze keer nodigden de twee Noorse broers ons meteen uit om in hun huis te logeren. Wij verheugden ons er werkelijk over weer eens in deze stad, waar wij zoveel vrienden hadden gemaakt, terug te zijn. Hoewel de belangstelling van deze mensen voor het Koninkrijk niet erg diepgaand is, lezen zij beslist graag het tijdschrift Ontwaakt!

In Petersburg kunnen wij altijd werelds werk krijgen, en hierdoor zijn de mensen het verschil gaan inzien tussen de plaatselijke geestelijkheid en Jehovah’s getuigen. Iedereen kent ons nu als de twee jongens die bij de gebroeders Knutson logeren.

De eerste winter welke mijn partner en ik in Anchorage doorbrachten, was werkelijk om nooit te vergeten. Wij arriveerden er op de 1e januari en het was koud. Het was een heel karwei om onderdak te krijgen. Mijn partner herinnerde zich een Ontwaakt!-abonnee die het tijdschrift erg graag las. Daarom brachten we hem eens een bezoek om te zien of hij een plaats voor ons had. Ja hoor, hij bezat een lege hut; die middag waren de mensen die er in hadden gewoond, net verhuisd. Het was de vuilste plek die ik ooit had gezien. Overal verspreid lagen whiskey- en bierflessen en er hing een stank zoals ik nog nooit eerder had geroken. Maar waar konden wij zo laat nog naar toe? Wij kwamen overeen de hut te huren. Hoewel het er een geweldige rommel was, konden we maar één ding doen: de hele hut schoonmaken, met inbegrip van de kachel die vol roet zat. Om het nog moeilijker te maken, moesten wij het water van een plaats halen die vier blokken verder lag. Op zijn zachtst gezegd was het wel een ontmoedigende situatie. Die nacht sliepen wij, ondanks dat de temperatuur tot 30 graden beneden nul daalde, met het raam wijd open, zo stonk het in de hut. Daar we onze poolslaapzakken bij ons hadden, genoten we toch een goede nachtrust. Ongeveer een maand later trokken we bij een broeder in die een huisje had gehuurd, waardoor we een heel wat beter onderdak kregen.

Pas nadat een dienaar van Jehovah heeft laten zien dat hij allerlei ongemakken en moeilijkheden het hoofd wil bieden, komt Jehovah hem te hulp. Dit is ons meermalen gebleken. Bij ons zendingswerk in Alaska hebben wij op de vloer van verlaten hutten, in auto’s en in boten geslapen; ook in heerlijke, zachte bedden. De pioniersdienst heeft ons een grotere waardering voor Jehovah’s goedheid geschonken. Wij hebben geleerd in welke omstandigheden dan ook, tevreden te zijn.

In een dergelijk uitgestrekt gebied als Alaska kan men als pionier niet anders dan vele interessante ervaringen opdoen, speciaal wanneer men van allerlei vervoermiddelen gebruik moet maken — van auto’s, treinen, vliegtuigen en zowel van kleine als grote boten.

Thans is het zo dat elk najaar een van de broeders die vist, ons met zich meeneemt zodat wij de vele eilanden waaruit zuidoostelijk Alaska bestaat, kunnen bezoeken. Deze broeder is een goed visser en zeeman. We hebben eens een tocht gemaakt die werkelijk zeer opwindend bleek te zijn. We vertrokken uit een rustig haventje naar een kleine gemeenschap van ongeveer een half dozijn personen. We moesten een afstand van ongeveer veertig kilometer afleggen; het woei behoorlijk hard en we moesten zwaar tegen de golven optornen. Vijftien minuten nadat we het anker gelicht hadden, sloeg de motor af. Onze batterijen waren omgevallen waardoor er wat zuur op de stroomverdeler was terechtgekomen, hetgeen kortsluiting had veroorzaakt. Snel droogden wij de stroomverdeler, maakten de motor weer aan de gang, maar hij sloeg nogmaals af. We drukten de startpedaal weer in; de veer van de bendix brak echter en dat betekende het eind van onze pogingen. Wij deden wanhopig moeite om de motor aan te slingeren, maar dit bleek nutteloos te zijn. We kwamen dwars op de golven te liggen en kregen het door de zware zeeën zwaar te verduren. Het duurde maar even of wij waren alle drie zeeziek, daar onze boot door de wind alle kanten werd op geslingerd. Geleidelijk aan begonnen we er over heen te geraken en trachtten we radiotelefonisch contact te krijgen met de kustwacht. Na een tijd die ons zeer lang toescheen, kregen wij verbinding met een van hun schepen en berichtten zij ons dat zij ons tegen tien uur ’s avonds zouden kunnen bereiken. Het was ongeveer vier uur ’s middags toen wij op drift raakten. Om ongeveer 11.30 uur n.m. kregen ze ons in het oog en nadat ze ons drie lijnen hadden toegeschoten, wisten wij er eentje vast te maken. Wij waren zo om en nabij de vijfentwintig kilometer open zee ingedreven. Jullie kunnen er zeker van zijn dat wij gebeden tot Jehovah opgezonden hebben en dat Hij ons heeft verhoord. De vissersboot waar wij op zaten, was bijna dertien meter lang en zeer zeewaardig. Nadat wij hadden gezien wat de boot kon doorstaan, voelden wij ons rustiger worden. De boot van de kustwacht sleepte ons vier uren voort tot wij eindelijk een veilige haven bereikten. Het was een nacht om nooit te vergeten.

Zonder moeilijkheden hebben wij dezelfde tocht nog meerdere malen gemaakt. Zowel door de lucht als per boot hebben wij vele duizenden kilometers afgelegd. Wanneer men echter eenmaal Jehovah’s bescherming heeft ondervonden, maakt men zich al gauw geen zorgen meer over allerlei tegenslagen.

Mijn doel in het leven nastrevend, werk ik thans nog steeds als zendeling met de gemeente te Ketchikan in Alaska samen en verheug ik me zeer over deze tak van dienst. We hebben nu in Alaska meer dan 200 verkondigers en ik ken ze allemaal. Over kleine nederzettingen verspreid bevinden zich vele mensen van goede wil die door bereidwillige bedienaren van het evangelie bezocht moeten worden. Het is hier een uitgestrekt gebied en wij hebben vele werkers nodig. Ik put zeer veel vreugde uit de volle-tijd-dienst die ik tot mijn bezit heb gemaakt, en ik prijs me gelukkig dat het Wachttorengenootschap mij naar Alaska heeft gestuurd. Ik kan werkelijk zeggen, Welk groter voorrecht kan men van Jehovah ontvangen dan naar de Gileadschool te gaan, een buitenlandse toewijzing te ontvangen en daarna met de rest van Jehovah’s volk over de gehele wereld aan het uitbreidingswerk deel te nemen!

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen