Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w60 1/10 blz. 585-587
  • Mijn doel in het leven nastreven

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Mijn doel in het leven nastreven
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1960
  • Vergelijkbare artikelen
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1959
  • Gelukkig degene die Jehovah tot God heeft
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2003
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1961
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1962
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1960
w60 1/10 blz. 585-587

Mijn doel in het leven nastreven

Zoals H. Woodard dit heeft verteld

IK had het voorrecht in de waarheid opgevoed te worden en voor zover ik mij kan herinneren, vormde het manuscript van de film Het fotodrama der schepping, mijn eerste contact met de Wachttoren-publikaties. Wanneer ik ziek was, bestudeerde ik de afbeeldingen urenlang.

Mijn moeder nam in 1916 de waarheid aan toen een bezoekende getuige van Jehovah (in die tijd „bijbelstudent” genoemd) haar aantoonde dat de bijbel geen hellevuur onderwees. Gedurende de beproevingen van 1918-1919 hechtte zij geloof aan de leugens die er over de bestuurders van het Genootschap werden rondgestrooid en was zij een tijdlang verbonden met de „boze slaaf”-klasse; zij besefte echter al gauw dat deze Jehovah’s goedkeuring niet had en ging weer met het Genootschap samenwerken. Ongeveer in deze zelfde tijd droeg ik mij aan Jehovah op. Ik was wat terughoudend om zelf van huis tot huis te gaan, maar ik reed de auto voor anderen. Terwijl ik mijn doel in het leven nastreefde, begon ik echter vanaf 1933 zelf regelmatig getuigenis te geven.

Ik had in die tijd echter een zeer eentonige en vermoeiende baan welke mij in staat stelde mijn vader, moeder en mijzelf te onderhouden. Daar ik voelde dat ik ten opzichte van hen een bepaalde verantwoordelijkheid bezat, besloot ik te gaan studeren om een andere betrekking aan te kunnen nemen, waardoor ik wat meer tijd zou krijgen, en ging daarom naar de mijnschool. Nadat ik deze had doorlopen, ging ik naar Arizona om daar in een mijn te werken. In de weekends predikte ik er en reed vele kilometers door de bergen om geïsoleerd wonende mensen te bezoeken.

Gedurende deze gehele periode verlangde ik ernaar de pioniersdienst in te gaan, maar wist ik nog niet hoe ik het financieel moest regelen. Ten slotte zei mijn moeder mij dat ik me over haar geen zorgen behoefde te maken, dat Jehovah wel voorzieningen zou treffen en dat ik, wanneer ik de pioniersdienst in wilde, dat gerust kon doen.

Kort na het congres dat in 1940 in Detroit werd gehouden en dat ik ook had bezocht, werden er regelingen getroffen dat een groep pioniers een reis door Arizona zou maken en alle plaatsen waar vervolging was geweest, snel zou bewerken. Ik voelde dat dit de tijd was om met de pioniersdienst te beginnen. Zoals gewoonlijk kwam Satan met verleidelijke aanbiedingen, doordat men mij in de mijn — als ik zou willen blijven — een prachtige promotie in het vooruitzicht stelde, maar het idee niet weg te gaan, kon me niet bevredigen; daarom verliet ik dus het werk in de mijn en begon op 1 september 1940 met de pioniersdienst. Op dat moment beschikte ik over $180 en een auto uit 1937. Ik stelde het plan op dat ik wanneer dit geld op was, het een of andere werk zou gaan doen om mijn kas weer aan te vullen. Mijn pionierspartners en ik zagen door slechts $11 per maand voor het levensonderhoud uit te geven, kans er heel lang mee te doen.

Tenslotte was mijn kapitaaltje onmiddellijk na het congres dat in 1941 in St. Louis werd gehouden, dan toch geslonken tot nog achtenveertig cent. Ik kocht acht postzegels van zes cent en verstuurde vragenlijsten van het boek Kinderen en ging vervolgens de dienst in. ’s Avonds kwam ik thuis met benzine in de tank en ongeveer een dollar in mijn zak. Jehovah had in mijn behoeften voorzien.

Al gauw werd ik daarna speciale pionier. In onze eerste toewijzing werden wij zo vaak gearresteerd dat het Genootschap ons naar een andere stad overplaatste. De aanklacht die tegen ons was ingebracht, werd nietig verklaard zonder dat we voor de rechtbank waren geweest, en wel omdat het Genootschap voor het Hooggerechtshof een overwinning had behaald. Dit kwam juist op tijd om mij in de gelegenheid te stellen de tweede klas van de Gileadschool te bezoeken.

Nadat ik zes maanden in het zuiden van de Verenigde Staten had gewerkt, werd ik naar een zendingstoewijzing te Anchorage in Alaska gezonden en vertrok ik op 30 september 1944 uit Seattle. Mijn partner en ik vestigden ons in Anchorage. Te zamen met de vrienden die daar enig predikingswerk hadden verricht, leidden wij het hele jaar door groepsbijbelstudiën. Wij troffen daar inderdaad zeer belangstellende personen aan, maar steeds weer botsten wij op ons grootste probleem in Alaska — zij waren tijdelijke werkkrachten — en verschillende jaren achtereen was er slechts een geringe groei te bespeuren.

De volgende zomer gingen wij naar Fairbanks. Een actief klein groepje begon samen te komen en bleef ook nadat wij weer naar Anchorage waren vertrokken, ijverig studeren. Daarna hoorden wij dat er in 1946 een congres in Cleveland gehouden zou worden en de groep in Fairbanks stelde plannen op er heen te gaan door gebruik te maken van de grote autoweg die door Alaska loopt. Wij zagen kans een oude carrosserie van een bus te krijgen, zetten deze op een vrachtwagen en maakten daarmee de reis naar Cleveland, Gilead en New York en weer naar Alaska terug.

Tegen die tijd ging mijn gezondheid achteruit en kreeg ik last van hevige hoofdpijnen; ik vertrok daarom naar de staat Washington om daar een behandeling te ondergaan. Na het congres dat in 1947 in Los Angeles werd gehouden, keerde ik weer naar Alaska terug en ging met broeder Errichetti samenwerken daar van elk van ons de partner inmiddels was getrouwd. In alle plaatsen tussen Ketchikan en Anchorage gaven wij, waar we maar konden, getuigenis en bleven dit doen tot aan het voorjaar van 1948 toen wij in Juneau ons eerste congres voor Alaska hielden en bezoek van broeder Knorr ontvingen.

Bij deze gelegenheid werd broeder Errichetti als kringdienaar aangesteld en kreeg ik de toewijzing met hem mee te reizen opdat wij zoveel mogelijk gebied zouden kunnen bewerken en de gemeenten konden bezoeken. Dat wij aan boord van schepen voor onze reis werkten en de gekste werkjes opknapten, heeft een zeer goede indruk op de mensen gemaakt die anders tegenstanders zouden zijn, en broeder Knorr stelde ons voor dat zo te blijven doen. Waar dit kon, hebben wij het in ons schema opgenomen en het is verbazend te zien hoe weinig tijd het maar van de dienst afneemt.

In een geïsoleerd mijnkamp sprak ik met een dame. Zij merkte verschillende malen op dat zij graag zou willen dat haar echtgenoot dit ook eens hoorde. Daarom regelden we het zo dat, als deze man die avond niet zou behoeven te werken, zij met de wagen naar de mijn zouden komen die ik nu zou gaan bezoeken, om mij daar te ontmoeten. Juist op het moment dat ik alle hoop had opgegeven en van plan was de acht kilometer naar de plaats waar ik een kamer zou kunnen krijgen, te gaan lopen, kwamen zij er aan. Ik ging met hen mee terug en wij spraken nog tot half tien. Zij nodigden mij uit de nacht bij hen door te brengen en nu logeer ik iedere keer bij hen wanneer ik daar ben; vanaf dat moment zijn zij ook onze lectuur gaan lezen.

Wij bleven werken tussen Ketchikan en Fairbanks en na onze kringvergadering in Juneau nam een broeder ons in zijn treiler mee naar nieuwe gebieden. Wij hadden een prachtige tijd en vonden verschillende geïsoleerd wonende mensen die belangstelling hadden. In een baai nam ik een roeiboot en ging op zoek naar een man van wie ik wist dat hij daar ergens woonde. Hij was niet thuis en daarom schoof ik drie tijdschriften Ontwaakt! onder zijn deur door. Twee dagen daarna waren wij opnieuw in staat een bezoek aan zijn huis te brengen en toen ik binnenkwam, lagen de drie tijdschriften open op tafel en zei de man: „Ik wil me op dit tijdschrift abonneren”. Hij heeft ze van die tijd af altijd genomen.

Nog maar kort geleden werkte ik met een plaatselijke verkondiger in het gebied van Anchorage en kwamen we aan een huis waar een vrouw druk met de was bezig was. Wij beloofden haar terug te komen. Een paar avonden later ging ik, op weg naar huis, nog even bij hen langs. De vrouw geloofde absoluut in de bijbel, maar had nog nooit van een hoop op leven op aarde gehoord. Toen ik haar in een acht-minuten-toespraakje een aantal schriftuurplaatsen liet lezen, werd ze zeer geestdriftig en gaf mij twee gulden voor het boek „God zij waarachtig”. Een week later bracht ik er te zamen met een andere verkondiger een nabezoek en trof toen haar echtgenoot ook thuis. Hij walgde van de verwarring die er in de kerken heerst en zei tegen zijn vrouw: „Waarom zou ik nu naar de kerk gaan? De geestelijken geloven zelf niet eens wat zij prediken”.

Wij behandelden de elf vragen die er in het artikel „Religieus geloof in Amerika” hadden gestaan en hij was het eens met het bijbelse antwoord op al die vragen. Ik zei tegen hem, „Weet u dat er slechts één religie bestaat die deze antwoorden, waar wij het mee eens kunnen zijn, onderwijst?”

„Welke religie is dat dan?”

„Die van de getuigen van Jehovah”.

Dat gebeurde allemaal op vrijdag. Maandag begonnen we met een huisbijbelstudie. Maandag- en dinsdagavond las hij tot na middernacht. Woensdag kwamen zij naar de gemeenteboekstudie op het dienstcentrum. Zaterdag hadden wij weer een studie bij hen thuis. Na de studie werden er, in antwoord op hun vragen, bewijzen voor 1914 en 1918 geleverd. Zij dachten er al over hoe zij zoveel mogelijk zouden kunnen leren opdat zij, wanneer zij weer thuis waren in Maine, een groepje konden oprichten, want zij hadden daar nog nooit van Jehovah’s getuigen gehoord. De zondag daarop kwamen zij naar de Wachttoren-studie en de openbare lezing. „Nu, ik heb door die ene lezing meer over de bijbel geleerd dan in de rest van mijn leven”.

In 1958 reisden broeder Errichetti en ik naar New York om daar de Internationale ’Goddelijke wil’-vergadering van Jehovah’s getuigen te bezoeken. Dat ik op deze reusachtige vergadering aanwezig kon zijn, was een van de meest aangrijpende gebeurtenissen uit mijn leven.

Hoewel de zendeling op moeilijkheden voorbereid moet zijn, verricht hij toch een gezegende dienst. Hebben de mensen uit deze wereld ook geen moeilijkheden te verduren wanneer zij zich in hun levensonderhoud voorzien en op de voorbijgaande beloningen van deze stervende wereld wachten? In het zendingswerk zijn de eerste paar jaren het zwaarst; wanneer die echter achter de rug zijn, smelten de moeilijkheden tot een onbetekende omvang weg, en welke moeilijkheden men dan ook nog moet verduren — tochtige hutten en kajuiten, harde vloeren, koud en nat weer, stormen en andere gevaren op zee, tegenstand — in vergelijking met het voorrecht de vreugde te zien van oprechte mensen wanneer u hen met de hoop van Jehovah’s nieuwe wereld komt vertroosten, zinken ze geheel in het niet.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen