Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w58 1/7 blz. 389-391
  • Een vriend van God of van deze wereld?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Een vriend van God of van deze wereld?
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1958
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • WAAROM ONMOGELIJK
  • ZICH AFGESCHEIDEN HOUDEN VAN DE WERELD
  • Overlevenden mogen „geen deel van de wereld” zijn
    Ware vrede en zekerheid — Hoe kunt u die vinden?
  • Gezanten in vroeger tijden
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1966
  • De overlevenden mogen „geen deel van de wereld” zijn
    Ware vrede en zekerheid — Uit welke bron?
  • Jehovah’s vriend of een vriend van de wereld — Welke van de twee?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1976
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1958
w58 1/7 blz. 389-391

Een vriend van God of van deze wereld?

Het is aanbevelenswaardig goede vrienden te hebben. Zoudt u bevriend willen zijn met de machtigste in het universum? Dit is alleen mogelijk op zijn voorwaarden.

OMDAT in verschillende landen leken op religieus terrein een dynamische activiteit aan de dag leggen, men veel kerken bouwt en velen van de grote massa zich weer tot het evangelie aangetrokken voelen, spreekt men in die landen van een geestelijk ontwaken. Zo was in 1850 slechts 15 percent van de bevolking der Verenigde Staten bij een kerk aangesloten, doch thans meer dan 60%. Men moet echter niet vergeten dat in die landen de misdaad ook toeneemt. Voorts zei een rooms-katholieke bisschop van Saginaw, Michigan, V.S., dat meer dan een kwart der belijdende katholieken „meelopers” of afvalligen waren, en dat alhoewel ’de fysieke toestand der diocesen enorm is vooruitgegaan, . . . het met de geestelijke toestand heel anders is gesteld.’ Verder zei dr. R.W. Sockman onlangs dat de „kerkstatistieken omhoog gaan, maar de persoonlijke geestelijke gezindheid statisch blijft. . . . De mensen krijgen niet het van levensbelang zijnde contact met God.” — Time van 23 september 1957 en de New York Times van 21 oktober 1957.

Waarom deze schijnbare paradox? Omdat de meeste mensen die zich tegenwoordig tot de religie aangetrokken voelen, geen werkelijke interesse hebben voor „het van levensbelang zijnde contact met God.” Zij willen zowel vrienden van God als van deze wereld zijn. Zij steunen graag op God, wiens vriendschap in tijden van nood of bij de dood geriefelijk is, maar zij zouden er nimmer aan denken om te trachten vriendschap met hem aan te kweken ten koste van hun vriendschap met de wereld.

WAAROM ONMOGELIJK

Welk een dwaling! Zou iemand die goed bij zijn verstand is ook maar kunnen denken dat hij terzelfder tijd oostwaarts en westwaarts kan gaan? Of dat hij tegelijk naar boven en naar beneden kan gaan? Of dat hij om een kom soep kan vragen die zowel heet als koud is? Natuurlijk niet! Even onmogelijk is het om te trachten zowel vrienden van God als van deze wereld te zijn.

Jezus beging deze fout niet toen hij op aarde was. Hij bad betreffende zichzelf en zijn volgelingen: „Zij zijn geen deel van de wereld evenals ik geen deel van de wereld ben.” Hen toesprekend, verklaarde hij: „Omdat gij . . . geen deel der wereld zijt, maar ik u uit de wereld heb uitverkoren, haat ze u.” — Joh. 17:16; 15:19.

Vandaar dat zijn geliefde apostel Johannes schreef: „Hebt de wereld niet lief noch dat wat in de wereld is. Indien iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem.” Daarom voer de discipel Jakobus zo streng uit: „Overspeleressen, weet gij niet dat de vriendschap met de wereld vijandschap met God is?” — 1 Joh. 2:15; Jak. 4:4.

Waarom kan men onmogelijk zowel een vriend van God als van deze wereld of dit „samenstel van dingen” zijn? Omdat deze wereld is opgebouwd uit een zichtbare „aarde,” gevormd door handel, politiek, georganiseerde religie en de maatschappij en uit onzichtbare „hemelen,” bestaande uit Satan en zijn demonen. — 2 Petr. 3:7.

Het zichtbare gedeelte dezer wereld wordt door de onzichtbare „hemelen” bestuurd. Het is doortrokken van Satans geest en doet zijn wil. Hij is „de heerser van de autoriteit der lucht, de geest die thans werkzaam is in de zonen der ongehoorzaamheid,” die ook wel „de heerser van deze wereld” en „de god van dit samenstel van dingen” die „de geest der ongelovigen heeft verblind,” wordt genoemd. Ja, „de gehele wereld ligt in de macht van de goddeloze,” Jehovah Gods kwaadaardige vijand, en dus kunnen al degenen die vrienden van God willen zijn, stellig niets met Satans wereld uitstaande hebben. — Ef. 2:2; Joh. 12:31; 2 Kor. 4:4; 1 Joh. 5:19.

Hoe kunnen wij echter de vriendschap met deze wereld vermijden? Door naar een klooster te gaan of een kluizenaar te worden? Neen. Jezus noch enigen van zijn naaste volgelingen meden het contact met hun evenmens, en toch waren zij geen vrienden der wereld. — Matth. 4:17.

ZICH AFGESCHEIDEN HOUDEN VAN DE WERELD

God zond Jezus als zijn afgezant naar de aarde om een bediening van verzoening te verrichten. Nadat Jezus is teruggekeerd naar de hemelen hebben zijn volgelingen hem vervangen. Om de juiste geestesgesteldheid te verkrijgen welke men van afgezanten verwacht, moeten wij ’niet langer naar dit samenstel van dingen worden gevormd, maar worden veranderd door onze geest te hervormen, opdat wij voor onszelf de goede, aanvaardbare en volledige wil Gods mogen beproeven.’ — 2 Kor. 5:20; Rom. 12:2.

Een afgezant gehoorzaamt gewetensvol de wetten van het land waarheen hij wordt gezonden en is te allen tijde loyaal jegens zijn regering. Daarom zullen christenen niet alleen bidden, „uw koninkrijk kome,” maar wij zullen ’eerst Gods koninkrijk en zijn rechtvaardigheid blijven zoeken.’ Evenals een afgezant zich niet verwikkelt in de politieke geschillen van de natie waarheen hij wordt gezonden, houden wij ons ver van de verdeeldheid zaaiende strijdpunten der wereldse natiën. — Matth. 6:10, 33.

Jezus weigerde bij politieke vraagstukken betrokken te worden en zei duidelijk: „Mijn koninkrijk is geen deel van deze wereld.” Duidelijk trok hij de grens toen hij zei: „Betaalt cesar daarom terug wat van cesar, maar God wat van God is.” Het ging hier om de belasting welke cesar opeist, maar let wel, ons hart en leven moeten ’exclusief zijn toegewijd’ aan Jehovah God, want, „ons burgerschap bestaat in de hemelen.” — Joh. 18:36; Matth. 22:21; Ex. 20:5; Fil. 3:20.

Wij kunnen slechts vrienden van God, de Potentaat die ons als zijn afgezanten heeft aangesteld zijn, wanneer wij niet verstrikt geraken in de commerciële aangelegenheden dezer wereld. Een wereldse afgezant mag zich geen fortuin vergaren in het land waarheen hij wordt gezonden, omdat het doel van zijn missie niet is om rijk te worden maar om de belangen van zijn land te vertegenwoordigen. Dat wil dus zeggen dat wij, in plaats dat wij ons overgeven aan de liefde voor geld, „een wortel van allerlei schadelijks,” „godvruchtige toewijding gepaard aan zelfgenoegzaamheid” zullen aankweken. Dan zullen wij getrouw Gods koninkrijk vertegenwoordigen en daardoor ’schatten in de hemel vergaren’ en ’rijk in juiste werken’ worden. — 1 Tim. 6:10, 6; Matth. 6:19, 20; 1 Tim. 6:18.

Ook hierin gaf Jezus ons het voorbeeld. Hoe rijk had hij wel niet kunnen zijn indien hij zijn krachten tot gezondmaking had gebruikt als een middel voor commercieel gewin! Dat hij niet in het minst hieraan dacht, blijkt uit zijn woorden: „Vossen hebben holen en de vogelen des hemels rustplaatsen, maar de Zoon des mensen heeft nergens een plaats waar hij zijn hoofd kan neerleggen.” Zijn volgelingen waarschuwde hij er voor niet te trachten zowel vrienden van God als van het hebzuchtige commerciële element of het materialisme te zijn: „Gij kunt geen slaven van God en van de Rijkdom zijn.” — Matth. 8:20; 6:24.

Om vrienden van God te kunnen zijn, moeten wij ook een rein leven leiden, volledig toegewijd aan zijn rechtvaardigheid en Jezus Christus’ volmaakte voorbeeld zo nauwgezet mogelijk volgen. Slechts dan kunnen wij de heilige God Jehovah op de juiste wijze als afgezanten dienen. Wij moeten er derhalve nauwlettend op toezien dat wij ons „vlekkeloos van de wereld” bewaren, beseffend dat „alles in de wereld — de begeerte van het vlees, de begeerte der ogen en het opzichtige geuren met iemands bezittingen — niet voortspruit uit de Vader maar uit de wereld.” — Jak. 1:27 ;1 Joh. 2:16.

En ten slotte moeten wij ons om vrienden van God te kunnen zijn, afzijdig houden van de religiën die een integrerend deel dezer wereld uitmaken en in strijd zijn met zijn Woord, de bijbel. Het werd de Israëlieten strikt verboden iets te doen te hebben met geloofssamensmeltingsbewegingen. Jezus, ons Voorbeeld, weigerde gemene zaak te maken met de Farizeeën, Sadduceeën of Herodianen van zijn tijd. Daarom wordt christenen het gebod opgelegd: „Komt niet onder een ongelijk juk met ongelovigen. Want welk deelgenootschap hebben rechtvaardigheid en wetteloosheid? Of welke gemeenschap heeft licht met duisternis? Buitendien, welke overeenstemming bestaat er tussen Christus en Belial? Of welk deel heeft een gelovige met een ongelovige? En welke overeenkomst heeft Gods tempel met afgoden?” — 2 Kor. 6:14-16.

Burlingame schreef in The American Conscience: „Religie is voor het grootste gedeelte een maatschappelijke conventie geworden — iets wat gemakkelijk is in moeilijke tijden maar ontbloot is van verantwoordelijkheid.” Om een vriend van God te kunnen zijn, moeten wij de verantwoordelijkheid op ons nemen zijn afgezanten te zijn. En dit betekent dat wij Gods belangen, de belangen van zijn koninkrijk, op de eerste plaats moeten stellen en niet moeten trachten onze trouw te verdelen tussen Gods koninkrijk en de natiën dezer wereld; niet Gods koninkrijk moeten verwaarlozen ter wille van commercieel gewin; geen blaam op God en zijn koninkrijk moeten werpen door een gedrag dat niet bij christelijke afgezanten past, en geen gemene zaak moeten maken met de wereldse religieuze organisaties die in strijd zijn met zijn Woord.

Indien wij trachten zowel vrienden van God als van de wereld te zijn, zullen wij ’lauw zijn en als zodanig worden uitgespuwd.’ Indien wij ons er echter op toeleggen Gods vrienden te zijn door hem „exclusieve toewijding” te geven, zal hij ons op zijn bestemde tijd in „de eeuwige woonplaatsen” van zijn rechtvaardige nieuwe wereld ontvangen. — Openb. 3:16; Luk. 16:9; 2 Petr. 3:13.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen