Mijn doel in het leven nastreven
Zoals Shirley Hendrickson dit heeft verteld
HET begon voor mij allemaal op 13 november 1913 op een klein, twee kamers tellend boerderijtje bij Frederick in Oklahoma. Ik kan me daarvan natuurlijk niets herinneren en kan alleen maar vermelden wat anderen mij hebben verteld. Vader en moeder waren niet erg religieus, hoewel moeder toch altijd wel in de bijbel zat te lezen, die ze echter niet begreep. Nadat wij reeds verscheidene jaren woonden op een boerderij aan de rand van Texas die mijn vader had gekocht, leende een der buren mijn moeder op zekere dag — het was zo omstreeks 1924 — enkele boeken van Pastor Russell. Hoe meer zij ze las, hoe meer zij er van ging houden; zo leerden wij de waarheid kennen. Wij kwamen met ongeveer vier gezinnen voor studie bij elkaar. Toen wij later begrepen dat wij tot de „andere schapen” behoorden, droegen wij ons aan Jehovah op en werden gedoopt.
Ondanks mijn jeugd hield ik van de bijbelse waarheid en stond dan ook al spoedig veel uren in de dienst, waardoor ik mijn levensdoel ging nastreven. Met een vriendin ging ik naar Big Spring in Texas om naar enkele via een geluidswagen uitgezonden lezingen te luisteren, en daar maakte ik kennis met de broeder en zuster en hun twee zoontjes, die met die auto naar Californië gingen. In december van dat jaar kwamen zij weer terug door onze stad. Ze namen mij mee naar verschillende plaatsen waar ze in de zakengebieden lezingen met de geluidswagen hielden. De eerste dag verspreidde ik veertig brochures. De afdeling Midden Texas (die toen tal van gemeenten in dat gebied omvatte) had regelingen getroffen om een geluidswagen te kopen. Ik had inmiddels besloten de pioniersdienst in te gaan; daarom nodigden zij mij uit met hun autoploegje samen te werken. Begin 1936 reisden wij voor het congres in februari naar Los Angeles. Die zomer bewerkten wij de zakengebieden in verschillende steden van Texas, trokken in het najaar naar Atlanta in Georgia, gingen vervolgens naar het congres in Newark, New Jersey, en daarna terug naar Atlanta.
Er was in die tijd veel vervolging, en ik werd voor het eerst van mijn leven wegens het prediken van het goede nieuws van Gods koninkrijk in een nabijgelegen plaatsje gearresteerd. De mogelijkheden om te pionieren werden echter steeds beter, ook door de vriendelijke hulp van de gemeente Atlanta.
Weer als geluidswagengroep bij elkaar, werkten wij in de zomer van 1937 in de zakengebieden van Chattanooga, Tennessee, Louisville in Kentucky, en Indianapolis in Indiana, waarna wij naar het congres in Columbus, Ohio, trokken. Daar ontmoette ik nu net de partner die ik graag wilde hebben, Rosa May Dreyer. Sindsdien zijn wij altijd samen opgetrokken.
Nadat wij enkele maanden vanuit een pioniershuis in Cincinnati in de staat Ohio hadden gewerkt, werden we als speciale pioniers naar Waterbury in Connecticut gestuurd. Op onze eerste dag daar waren wij allebei jarig. Het regende de hele dag, maar toch werkten wij acht uur. Wij genoten van de vele sneeuw die er die winter viel. Na verloop van tijd zagen wij enkelen van degenen tot wie wij hadden gepredikt, naar de vergadering komen.
In 1938 kwamen wij vervolgens in Torrington, Connecticut; daar namen wij deel aan de eerste veldtocht met het tijdschrift Vertroosting en sloten toen meer dan honderd abonnementen af. Een jonge zuster die wij daar voor het eerst mee in de velddienst namen, werd later pionierster. Ze ging naar Gilead en is nu zendelinge in Italië.
Na Torrington gingen wij naar Pittsfield, Leominster, Fitchburg en ten slotte Boston, allemaal in de staat Massachusetts. In Boston stelde het Genootschap Rosa May als onderwijzeres op een Koninkrijksschool aan; dit was een school waar kinderen die van de openbare school waren gestuurd omdat zij weigerden de vlag te groeten, onderwijs ontvingen. Ik ging dus samen met andere speciale pioniersters en later met mijn twee jongere broers in Oregon en Washington met het werk door. Na het bezoek aan het congres in Detroit in de intens hete zomer van 1940, waarbij dan nog de felle hitte van een nationale vervolging kwam, werd ik eerst naar San Diego in Californië gezonden, om het zakengebied te bewerken, en vervolgens naar San Antonio in Texas, waar Rosa May zich weer bij me voegde.
Wij woonden de grote vergadering in 1941 te St. Louis bij, broeder Rutherfords laatste, waar wij zijn mooie lezing „Kinderen van de Koning” aanhoorden. Spoedig daarna werd de speciale pioniersdienst weer ingesteld, waardoor wij Alice Springs als toewijzing ontvingen. Terwijl wij daar verscheidene maanden werkten, begonnen wij belangstelling aan de Mexicaanse kant van de stad te vinden, en leerden wat Spaans. Aan de Amerikaanse zijde waren patriotten de oorzaak van relletjes tegen ons. Ik werd gearresteerd, in de gevangenis geworpen en op borgtocht vrijgelaten en de zaak werd door het gerecht verworpen. Nogmaals werd ik gearresteerd bij het werken op straat met tijdschriften, waarbij men over het hoofd zag dat een dame van twijfelachtige reputatie mij tegen de grond sloeg en daardoor voorgoed mijn grote witte hoed en gezellige witte japon bedierf. De plaatselijke krant gaf deze dame vrijkaartjes voor de bioscoop!
Van Alice gingen wij naar Aransas Pass, een vredig stadje aan de golf van Texas. Het grootste gedeelte er van werd echter kort daarna door een orkaan weggeblazen. Terwijl men het ging verbouwen, gingen wij in 1942 liftend naar het congres te Cleveland. Daar werd aangekondigd dat de Gileadschool zou gaan beginnen, en wij zeiden voor de grap tegen elkaar: „Wij willen naar Mexico om daar te gaan pionieren.”
Terug in Aransas Pass, beëindigden wij ons werk daar, waarna wij Sinton als toewijzing kregen, waar wij onze uitnodiging voor Gilead ontvingen. Eind januari 1943 begonnen wij per bus onze reis naar het noorden. Op een hete morgen vertrokken wij uit Texas, maar voordat wij op Gilead aankwamen, legden wij menige ijskoude kilometer af. Ik herinner mij onze eerste dag op Gilead nog levendig. Diep weggedoken in onze overjassen en overschoenen, werden wij door broeder Knorr over de terreinen rondgeleid en zagen daar de koeien, kippen en gebouwen. Wat thans de fraaie hoofdingang is, was toen slechts een lompe stoep met een trap aan een kant, maar wat vonden wij het aantrekkelijk! Nooit van mijn leven heb ik zo gestudeerd. Daar groeide mijn waardering voor de organisatie en de enorme toewijzing welke ze heeft ontvangen; ja, ze nam honderdvoudig toe. Ik leerde zoveel. Iedereen was er zo vriendelijk voor ons en de dag der diploma-uitreiking kwam veel te vlug.
En laten Rosa May en ik nu Mexico als toewijzing krijgen! Met twee andere zendelingen werkten wij eerst twee jaar aan de grens van Texas en Mexico, terwijl wij ons in afwachting van ons visum op het Spaans toelegden.
In het voorjaar van 1945 werd er in Mexico City een groot congres gehouden. De broeders uit Monterrey charterden een speciale trein voor die gelegenheid. Heen en terug voor achtendertig gulden! Wij kochten toeristenpaspoorten en gingen natuurlijk met die trein mee. Het was een derde-rangs gelegenheid met houten banken; maar ze zat vol met getuigen van Jehovah, onze broeders en zusters. Zij dachten dat wij gringas er niet tegen zouden kunnen, maar voordat wij ten slotte in la capitál aankwamen, konden wij enkelen hunner hete koffie brengen. Aan het station werden wij door niemand minder dan de broeders Knorr en Franz verwelkomd!
Het was een zeer indrukwekkende vergadering. Wij werkten bij de afdeling lectuur en leerden met Mexicaans geld omgaan; ook bezochten wij Xochimilco, de beroemde Mexicaanse drijvende tuinen. Op zekere dag brak Rosa May haar bril en wij gingen alleen de stad in om ze te laten maken. Er werd echter overal Spaans gesproken! Op dat ogenblik vroeg ik me af of ik het wel voortdurend zou kunnen verdragen. Binnen twee weken nadat wij van het congres weer naar Texas waren teruggekeerd, kwamen onze visums af. Op 21 mei 1945 staken wij in Laredo met al onze bezittingen de grens over. Na aankomst op het bijkantoor in de stad Mexico hielp broeder Bourgeois ons in het gebied te beginnen. Bevend en met het weinige Spaans dat ik kende, ging ik naar de eerste deur, verspreidde vier boeken en trof regelingen voor een studie, alles in minder dan één uur! De wild enthousiaste broeders en zusters waren blij ons bij zich te hebben. Hun vergaderingen waren zo levendig, dat wij ons er al gauw volkomen thuis voelden. Nu zijn wij er al twaalf jaar. Wij hebben de twee plaatselijke gemeenten tot vierendertig eenheden zien uitgroeien. Velen met wie wij studeerden en degenen waarmee zij weer studeerden, horen nu bij dat aantal. Wij hebben broeders gezien die bijna niet konden lezen en schrijven en die tot rijpe dienaren zijn gegroeid, hetgeen ons geweldig veel vreugde bezorgt.
Als ik nu op de meer dan twintig jaar pioniersdienst terugzie, kan ik werkelijk zeggen dat ik nooit ook maar enige spijt heb gehad dat ik tegen Jehovah heb gezegd: „Hier ben ik; zend mij.” De hartkwalen en hoofdpijnen der wereld zien wij slechts van terzijde. Natuurlijk bedoel ik niet dat er bij al de „voorspoed” nooit eens „moeilijkheden” zijn. De vreugden van de dienst wegen echter volkomen op tegen alle voorbijgaande ogenblikken van tegenspoed en beproevingen. Jehovah spreidt voortdurend zijn gerechtigheid en goedertierenheid ten toon. Behalve dat hij aanhoudend overvloedig in onze dagelijkse behoeften voorziet, waren er ook wonderbaarlijke congressen waarop wij zelden ontbraken, prettige reizen naar huis, picknicks met ons eigen groepje, en als hoogtepunten de aanmoedigende bezoeken van de president van het Genootschap. Zo blijf ik, mijn levensdoel nastrevend, Jehovah bidden dat ik in staat mag zijn in mijn toewijzing tezamen met de Nieuwe-Wereldmaatschappij te volharden en al zijn vijanden in Armageddon mag zien ondergaan, om daarna eeuwig in Gods nieuwe wereld te leven.
[Zondag, 28 juli 1957, werd Shirley Hendrickson voor een televisieprogramma vier minuten over het werk in Mexico geïnterviewd, welk programma van 11 tot 12 uur v.m. gedurende de districtsvergadering in het Wrigley Baseball Field in Los Angeles (Californië) werd uitgezonden.]