Het getuigenis der catacomben
HET ware christelijke geloof hoeft niet bevreesd te zijn voor wat men door opgravingen uit het verleden aan het daglicht brengt. In plaats dat het geloof door de archeologie wordt verzwakt, ondersteunt haar getuigenis het bijbelse bericht veeleer. Uit de geschiedenis blijkt dat zij die vroeger het ware geloof bezaten, in niets verschilden van hen die dit thans hebben. Tevens laat ze zien hoe de afval groeide en hoe hierdoor de verwaterde overtuiging der zogenaamde christenen net als thans met de heidense gewoonten der oude wereld werden samengesmolten.
Vooral de afgelopen paar eeuwen is gebleken dat de catacomben buiten de stad Rome een schat aan inlichtingen bevatten. Daar de joodse bevolking van Rome haar doden niet zoals de Romeinen cremeerde maar begroef, en dit volgens de Romeinse wet buiten de stad moest gebeuren, is het niet vreemd dat de joden onderaardse gewelven als begraafplaatsen gebruikten (Mark. 15:46). Burgon zegt dat ’het motief om iemand in een catacombe te begraven, niet in de eerste plaats heidens noch christelijk, maar joods is.’ De christelijke gemeenschap, van wie er velen zelf joden waren geweest, had deze wijze van begraven overgenomen.
In het begin waren hun begraafplaatsen betrekkelijk klein en in particulier bezit. In sommige gevallen stelden zij die tot het christendom waren overgegaan, hun eigendom ook andere christenen ter beschikking. Door de huidige namen van deze catacomben wordt veelal te kennen gegeven wie de eigenaar er van was. Andere werden genoemd naar de opziener van de plaats of naar een vooraanstaande martelaar die daar begraven lag, terwijl de naam tevens een aanduiding kon zijn van de ligging der plaats. Het schijnt dat men in sommige plaatsen gewezen heidense begraafplaatsen heeft overgenomen.
Wanneer men in de catacomben afdaalt, komt men uit in een doolhof van nauwe gangen, welke in het tufsteen zijn uitgehouwen, zich soms over vele vierkante meters uitstrekken en elkaar op zoveel verschillende punten kruisen, dat men wanneer men er niet bekend is, gemakkelijk zou kunnen verdwalen. Vroeger dacht men ten onrechte dat alle catacomben met elkaar waren verbonden, maar er is gebleken dat er zich in de nabijheid van Rome op zijn minst vijfendertig verschillende catacomben bevinden. De gangen zijn gewoonlijk één à anderhalve meter breed en soms wel twee tot twee en een halve meter hoog. Langs de wanden bevinden zich de op schappen gelijkende ruimten (loculi), waarvan de meeste groot genoeg waren om als graf te dienen voor één lichaam, dat in met gips overgoten doeken was gewikkeld, alhoewel sommige er meerdere bevatten. Vervolgens werd de rechtopstaande opening verzegeld met tegels of een marmeren zerk en mortel.
Toen de ruimte vol begon te raken, moest er meer plaats worden gemaakt, dus gingen de fossores of gravers de harde maar gemakkelijk te bewerken grond uitgraven, waardoor men meer wandruimte verkreeg, zodat er in sommige secties aan elke zijde der gang wel twaalf rijen nissen zijn. Ook bevonden niet alle gangen zich op dezelfde hoogte. Er waren dikwijls drie of vier galerijen; in de catacombe van Calixtus telt men zeven verschillende verdiepingen.
Sommige der beter gesitueerden lieten een boog in de wand uithouwen en daaronder een sarcofaag uitgraven welke met een horizontale marmeren zerk verzegeld kon worden. Deze graven werden arcosolia genoemd. Dikwijls beschikte een familie over een gehele kamer (cubiculum) die op de hoofdgang uitkwam, en in de muren van deze grafkelders vonden dan de individuele graven een plaats. Zulke kamers boden eveneens genoeg plaats aan een groepje om voor aanbidding bijeen te komen.
TOEVLUCHTSPLAATSEN
Gedurende tijden van hevige vervolging waren de eindeloze duistere gangen der catacomben toevluchtsplaatsen waar men veilig was voor de Romeinen. Omdat de Romeinen hun doden vereerden, waren de begraafplaatsen betrekkelijk gevrijwaard tegen invallen, zelfs van de zijde van toornige vervolgers, en bovendien werden ze door de wet beschermd. Alhoewel de catacomben niet waren gebouwd om als toevluchtsplaatsen te dienen, maar veeleer als begraafplaatsen, dienden ze beide doeleinden. Zelfs gemeentevergaderingen konden daar met een zekere mate van veiligheid worden gehouden. De familiekamers of crypten waren niet bijzonder groot, maar een middelmatig grote groep kon er gemakkelijk voor aanbidding in bijeenkomen, en de luchtkoker naar de oppervlakte zorgde er voor dat de plaats niet onnodig vochtig en bedompt werd.
Hieruit dient niet de gevolgtrekking gemaakt te worden dat de begraafplaatsen heiligdommen waren, waar men ongestoord zijn gang kon gaan. Zo nu en dan werden ze overrompeld en werden degenen die er werden aangetroffen, vermoord. Ja, Eusebius bericht ons dat het houden van vergaderingen in en het betreden van de catacomben in de derde eeuw, gedurende de regering van Valerianus, uitdrukkelijk werd verboden, en tijdens de regering van Diocletianus ging men ze binnen, in een poging het christendom uit te roeien.
WEERSPIEGELING VAN HET CHRISTELIJKE GELOOF
Wat Hermans zegt, aangehaald in de Contemporary Review en in McClintock en Strongs Cyclopaedia getuigt van het christelijke geloof in de sterfelijkheid der ziel: „Alhoewel het ’Vixit in pace,’ dat heel zelden op Romeinse inscripties voorkomt, gewoonlijk wordt aangetroffen op die in Afrika en verscheidene Franse steden, komt die kenmerkende zinsnede uit het Heidense grafschrift ’Vixit’ (om het als het ware zelfs in de grafschriften aan het geestesoog te doen voorkomen dat een persoon veeleer leeft dan dood is), anders niet voor in de christelijke terminologie.” Neen, de christenen geloofden niet in een onsterfelijke ziel, noch in een hellevuur, het vagevuur en het opdragen van missen voor de doden. — Ezech. 18:4; Hand. 24:15.
Werpt de religieuze kunst der catacomben nog licht op andere christelijke geloofsstellingen? Jazeker, ze getuigt er van dat de vroege christenen onbekend waren met veel van de hedendaagse dogma’s der christenheid. Er werden bijvoorbeeld geen crucifixen vereerd. Ja, het kruis treft men zelden aan. The Encyclopedia Americana merkt het volgende op: „Alhoewel de getrouwen aan alle kanten door afgoden waren omringd, schijnen zij zich van deze tak van kunst afzijdig te hebben gehouden” (1 Kor. 10:14). En zouden wij anders verwachten wanneer wij weten dat de christenen een afschuw hadden van de afgodische praktijken van hun heidense naburen? Juist omdat christenen in het geheel geen afgoden en relikwieën hadden, werden zij door de Romeinse wereld van atheïsme beschuldigd.
Killen duidt in The Ancient Church op het getuigenis der catacomben ten aanzien van nog iets: „De getuigen van het geloof der vroege Kerk van Rome verwierpen volledig de aanbidding van de Maagd Maria, want in de inscripties van de Lapidaire Galerij, die alle onder pauselijk toezicht waren gerangschikt, richtte men zich niet tot de moeder van onze Heer. . . . Ze duiden slechts op Jezus als de grote Middelaar, Loskoper en Vriend.” Hursts History of the Christian Church voegt er aan toe: „De aanbidding van de Maagd Maria vindt geen enkele steun in het getuigenis der catacomben. Pas in de latere symboliek, toen de Kerk haar lange nacht van bijgeloof inging, vinden wij sporen van goddelijke eerbetuigingen aan haar.” — Openb. 22:9.
Inscripties als „aan Basilus, de Presbyter, en Felicitas, zijn vrouw” geven te kennen dat die vroege christenen zich nog steeds aan de schriftuurlijke regel hielden dat het juist is dat een opziener met „één vrouw” getrouwd is (1 Tim. 3:2). Het celibaat was geen vereiste. In McClintock en Strongs Cyclopaedia wordt zelfs de nogal veelomvattende verklaring afgelegd dat „geen enkele specifiek Roomse leerstelling enige ondersteuning vindt in de inscripties welke van voor de vierde eeuw dateren.” De heiligenverering dateert pas uit de vijfde eeuw, en eerst laat in die eeuw of vroeg in de zesde eeuw zijn er aanwijzingen dat men geloofde dat Petrus van Christus speciale autoriteit had ontvangen, maar ook dan ziet men Petrus nog met met de sleutels afgebeeld, zoals in het latere symbolisme.
Een treffend kenmerk van de vroegere en latere schilderingen in de catacomben zijn de herhaaldelijk voorkomende afbeeldingen van taferelen uit alle delen van de bijbel. „Men kan deze expressieve herinneringen aan de vroegste christelijke kunst niet bekijken zonder er van overtuigd te zijn dat de Kerk van de eerste drie eeuwen niet alleen grondig op de hoogte was van de Schrift en haar canonverzameling al zeer vroeg was voltooid, maar tevens dat haar geest was vervuld van een intense liefde voor de bijbel en het besef dat bekendheid met ieder deel voor alle klassen gelovigen noodzakelijk was. . . . De catacombe op zichzelf reeds staat op als een getuige tegen de moedwillige en voortdurende verberging van het woord Gods voor het volk.” — History of the Christian Church, Hurst.
DE AFVAL
Alhoewel de catacomben een sprekend getuigenis afleggen van de bewaring der ware aanbidding onder getrouwe christenen, vertellen ze tevens van de opkomst van de door Paulus voorzegde afval (Hand. 20:29, 30; 2 Thess. 2:6, 8). Na de dood der apostelen begon de opvallende eenheid welke in de eerste eeuw hét kenmerk van de christelijke gedachte was, te verdwijnen en velen gingen ’hun oor van de waarheid afwenden’ (2 Tim. 4:4). Geleidelijk aan tekende er zich een verandering af in de regeling dat christelijke opzieners dienaren in de gemeente waren en ontstond er een heerschappij van geestelijken. Griekse filosofie en andere heidense gebruiken werden met de algemeen aanvaarde leer vermengd. Tegen 321 n. Chr. onderhielden velen de dag der heidense zonaanbidding en sedert het in 325 n. Chr. gehouden concilie van Nicea vorderde de door keizer Constantijn bewerkte fusie der heidense religie van Rome en de afvallige christelijke gemeenten nog sneller. Zij die wel deel wilden uitmaken van de wereld, waren, om bij de wereld in de gunst te blijven, eveneens bereid haar aanhangsels van demonenaanbidding te aanvaarden. — Jak. 1:27; 4:4.
In 378 (n. Chr.) verleende keizer Gratianus de Romeinse bisschop Damasus het voorrecht de titel Pontifex Maximus te dragen. Gedurende zijn kerkbestuur werd er veel gedaan om de graven der martelaren op te sieren. Het vroegere gezonde christelijke respect voor het rechtschapen voorbeeld der martelaren werd nu bezoedeld met de corrupte heldenaanbidding van Rome en veranderde in de daarop volgende eeuw in de aanbidding van heiligen.
Nu de catacomben zo waren opgeknapt en versierd met nog meer inscripties en kunstwerk, werden ze heiligdommen, waar grote drommen mensen bijeenkwamen om de martelaren te aanbidden. Toen het schrikbewind van Diocletianus plaats maakte voor een tijdperk van verdraagzaamheid jegens de christenen en het zover kwam dat de staat haar goedkeuring hechtte aan de nieuwe fusiereligie, aanvaardden de nu afvallig geworden christenen heidense gedachten en symbolen. De eenvoudige kleilampen bleven niet langer onversierd, maar droegen het heidense symbool van de vis (in het Grieks kwamen de letters van het woord vis overeen met de eerste letters van „Jezus Christus, de Zoon van God, de Redder”), het monogram van Constantijn, enz.
Aldus gingen heidense symbolen zoals de vis, de pauw, het anker en de duif — of er nu al dan niet wordt beweerd dat ze in de kerk een nieuwe betekenis hebben — deel uitmaken van de zogenaamde christelijke kunst in de catacomben, evenals ze lange tijd door de heidenen waren gebruikt en in hun begraafplaatsen worden aangetroffen. In sommige boeken wordt breedvoerig uitgeweid over de betekenis van deze symbolen en schilderingen, maar in The Catholic Encyclopedia wordt openlijk toegegeven dat ’schrijvers soms in de afbeeldingen der catacomben een rijkere dogmatische inhoud hebben gevonden dan waarvoor men bij een nauwkeurig onderzoek bewijzen zou hebben.’ — Dl. 3, bladzijde 423.
Alhoewel er is opgemerkt dat de catacomben gedurende tijden van vervolging in toevluchts- en vergaderplaatsen voorzagen, blijkt nu dat ze niet in onbruik geraakten toen de vervolging ophield. Toen de vervolging was geëindigd, werden de catacomben wederom gebruikt als plaatsen van aanbidding, maar toen voor een religie welke zeer verschilde van die welke door de vroegere christenen werd beoefend.