Geestelijken — Opperbevelhebbers of node gedulde veldpredikers en aalmoezeniers?
EEN knappe waardebepaling van het huidige Amerikaanse leven, kon men vorig jaar in het februari-nummer van Harper’s lezen, in een artikel „Onopgemerkte veranderingen in Amerika,” van de hand van D.W. Brogan. De schrijver, een professor in de staatswetenschappen aan de Cambridge-universiteit en auteur van een zestal boeken over Amerika, zei over de huidige gebeurtenissen op religieus gebied: „De religie heeft een opleving meegemaakt, maar met die dubbelzinnige term is niet gezegd dat het zondebesef opleeft.”
Voorts verklaarde hij: „De gemiddelde man is bereid om naar de beroepsgodsdienstonderwijzers te luisteren. Dit voert mij tot de kern van het godsdienstvraagstuk. Wat zeggen deze onderwijzers? Het is werkelijk verbazingwekkend dat zelfs in zo’n bemoeiziek land als de Verenigde Staten zo zelden de vraag rijst: Is het waar wat deze onderwijzers vertellen? Zegt men dan, Natuurlijk is het waar, dan moet men wel stil blijven staan bij het feit dat de verschillende geestesstromingen vaak tegenstrijdige punten als waar aanmerken.”
Hij vervolgt: „De huidige ’religieuze opleving’ is mijns inziens voor een groot deel politiek in een zeer veelomvattende betekenis, wanneer ze zelfs niet het resultaat is van een ontzettende vrees voor de wereld waarin wij allen — agnostici en ’gelovigen’ — moeten leven. Het is opvallend dat men ’religie’ gaat vereenzelvigen met ’Amerikanisme,’ hetwelk op zijn beurt zo vaak ’het vrijhandelstelsel’ schijnt te betekenen.
Wat zijn de gedachten van theologen over de recente toevoeging van de woorden ’onder God’ aan de loyaliteitsverklaring jegens de vlag? Het is ongetwijfeld ten dele een betekenisloze, bezwerende zin, welke is ontleend aan de Gettysburg-toespraak. Het is ten dele het opzettelijk verband leggen tussen God en ’de Amerikaanse levenswijze.’ Hoe vaak heeft het de betekenis welke Lincoln er aan gaf, de onderwerping van de Amerikaanse levenswijze aan het oordeel — mogelijk de veroordeling — van de over allen oordelende en hardvochtige God van de Tweede Inwijding? Ik veronderstel maar zeer weinig.”
Zijn conclusie: „De Verenigde Staten heeft geen behoefte aan het geloof in God, in de loopgraven uit vrees geboren; er zal iets stevigers nodig zijn, iets wat hechter gefundeerd is op het geloof in een goddelijk plan voor ’s mensen bestemming — en dat op grote schaal — wanneer de kerken ten minste leiding en niet slechts hulp willen geven, opperbevelhebbers en niet slechts node gedulde veldpredikers willen zijn.”