Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w57 1/8 blz. 341-345
  • Het bewaren van rechtschapenheid in communistisch Polen

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Het bewaren van rechtschapenheid in communistisch Polen
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1957
  • Onderkopjes
  • DE VERVOLGING BEGINT
  • IN HANDEN VAN AMBTENAREN DER POOLSE VEILIGHEIDSDIENST
  • GETROUWE MARTELAREN
  • VERADEMING VOOR DE GETUIGEN
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1957
w57 1/8 blz. 341-345

Het bewaren van rechtschapenheid in communistisch Polen

De hierin weergegeven feiten zijn ontleend aan twee documenten welke de leidinggevende bedienaar van het evangelie van Jehovah’s getuigen in Polen aan de Poolse openbare aanklager te Warschau heeft overgelegd.

„DE HEERSCHAPPIJ der sowjets kent vrijheid noch gerechtigheid. Ze is opgebouwd op het doelbewust vernietigen van elke individuele wilsuiting, op onvoorwaardelijke onderwerping. Wij zijn echter de meesters. Ons is de onderdrukking toevertrouwd. Het is onze plicht uitermate hard te zijn. Wanneer wij ons hiervan kwijten betekent de grootste wreedheid de grootste verdienste.” — Lenin.

Dit kan alleen maar de taal zijn van iemand die de geest van de Duivel zelf heeft. Natuurlijk geloofde Lenin, de leider der Russische revolutie van 1917, niet in goede of kwade bovenmenselijke machten, want hij was net als alle orthodoxe communisten atheïstisch. Voor dezulken was en is Darwins evolutietheorie een zeer welkome verklaring voor het bestaan van het leven en de mens, want hierdoor werd het overbodig een almachtige en alwijze Schepper op enigerlei wijze te eren. Omdat de communist er van uitgaat dat de mens het produkt van een evolutie is, hecht hij weinig waarde aan het afzonderlijke individu. Hij beschouwt de mens slechts als een beest dat op een iets hoger evolutionair plan is gekomen dan de overige dieren en waarmee men kan doen wat in het belang van de communistische zaak nodig is.

Het bewijs hiervoor is te vinden in de geschiedenis der Sowjet-Unie van de afgelopen veertig jaar, in de miljoenen slavenarbeiders welke ze in honderden kampen heeft ondergebracht en in de talloze anderen die ellendig zijn omgekomen. Het is ook te zien in wat er is gebeurd en nog steeds geschiedt in Hongarije, en in de vervolgingen welke Jehovah’s getuigen bijvoorbeeld in Polen sedert het einde der tweede Wereldoorlog onder het communistische bewind hebben moeten verduren.

DE VERVOLGING BEGINT

In de herfst van 1905 verhuisde een christelijke bedienaar van het evangelie, een „bijbelonderzoeker” die zich aan God had opgedragen, van Zwitserland naar Warschau, alwaar hij de bedrijfsleider van een kantfabriek werd. Zoals alle christelijke bedienaren van het evangelie maakte hij ook anderen bekend met de hoop welke hij koesterde omtrent Gods koninkrijk, alhoewel hij dit in het allereerste begin met behulp van een tolk moest doen. Sommigen luisterden naar hem, begonnen te geloven en droegen zich aan Jehovah op, gingen hem dienen en het goede nieuws aan anderen vertellen. Het werk van Jehovah’s getuigen in Polen is van dat kleine begin zo’n vijftig jaar geleden, uitgegroeid tot een mooie, sterke en imposante boom, die niet buigt voor de stormwinden welke er tegenaan beuken, zoals de twee wereldoorlogen en het bewind der nazistische en communistische dictators.

Aan het einde der tweede Wereldoorlog herkregen Jehovah’s getuigen hun vrijheid om te prediken, maar dit was niet van lange duur. Zo geleidelijk aan begon de communistische tegenstand de kop op te steken, zodat het reeds in 1948 weer onmogelijk was de jaarlijkse districtsvergaderingen en de halfjaarlijkse kringvergaderingen te houden. Enkele getuigen van Jehovah hadden tezamen met Jozef Cyrankiewicz in een nazi-concentratiekamp gezeten, en deze nu werd van 1947 tot 1952 en nadien wederom vanaf 19 maart 1954 ’s lands eerste minister. Zij hadden hun voedsel met hem gedeeld, hem in vele opzichten geholpen en hun schitterende gedrag was een bron van bemoediging voor hem geweest. Hij zei hun toen dat wanneer hij nog eens een hoge positie in het naoorlogse Polen zou bekleden en de getuigen in moeilijkheden zouden komen te verkeren, zij maar naar hem moesten komen. Toen het er in 1948 voor de getuigen dus steeds slechter begon uit te zien, bezocht een delegatie van de getuigen hem. Hij ontving hen onmiddellijk, vertelde hun dat hij van het gebeurde op de hoogte was, maar dat hij er machteloos tegenover stond.

Voordien had de veiligheidsdienst in het arrondissement Lodz bepaalde leidinggevende leden van het aldaar gevestigde bijkantoor van het Genootschap gearresteerd. Een hunner werd gezegd: „Je moet met de stroom meegaan, anders zul je niet weer in vrijheid worden gesteld.” Toen een ambtenaar werd gevraagd wat er met die uitlating werd bedoeld, antwoordde hij:

„Je zult met ons moeten samenwerken. Je zult een verklaring moeten ondertekenen, welke wij dan in onze safe zullen bewaren. Je zult een schuilnaam krijgen en de door jou ondertekende rapporten zul je naar dit bureau of mijn particuliere huis brengen of iemand van hier zal ze bij je komen halen. Je zult Jehovah’s getuigen zodanig organiseren dat zij alle rooms-katholieke kerkdiensten zullen bijwonen en zorgvuldig naar de preken van de priesters zullen luisteren. Zij zullen er acht op slaan wat er ten nadele van de volksregering of de staat wordt gezegd.”

De getuigen weigerden hierop in te gaan en zeiden dat zij hun vijanden alleen met de bijbelse waarheid bestreden en dat zij hun naasten liefhadden. De gearresteerde getuigen werden later vrijgelaten omdat er bij de Poolse ambassadeur te Bern in Zwitserland een protest was ingediend.

In juni 1946 kwam dezelfde ambtenaar naar het bijkantoor en eiste dat de getuigen hun medewerking zouden verlenen. Hij waarschuwde dat in geval van weigering de gevolgen verschrikkelijk zouden zijn en zegde Jehovah’s getuigen in de diverse plaatsen de beste vergaderzalen voor hun bijeenkomsten toe, wanneer zij hun medewerking maar zouden verlenen. „Niemand kan ons tegenhouden,” werd de getuige medegedeeld. De getuige stond pal, en woedend vertrok de communistische agent. De daaropvolgende dag werd de getuige op zulk een sluwe manier ontvoerd, dat niemand er erg in had. Nadat hij echter voor de openbare aanklager was verschenen, werd hij weer vrijgelaten.

Op 21 april 1950, om 10.30 uur n.m., deden ambtenaren van de veiligheidsdienst een inval in het bijkantoor en arresteerden de voornaamste medewerkers. Er waren geen bevelschriften tot inhechtenisneming uitgevaardigd, waaruit bleek dat de overval buiten medeweten van de openbare aanklager geschiedde. Kort nadien werden alle anderen die op het bijkantoor werkten gearresteerd en werd het werk officieel in geheel Polen verboden verklaard.

IN HANDEN VAN AMBTENAREN DER POOLSE VEILIGHEIDSDIENST

Hoe werden deze gearresteerde getuigen behandeld? Wij zullen er hier enkele voorbeelden van geven. Tussen twee haakjes, het is interessant op te merken dat de huidige Poolse regering van Wladyslaw Gomulka de schending der „socialistische wetten” door de stalinisten heeft veroordeeld en heeft besloten de ambtenaren van het vroegere ministerie van staatsveiligheid rekenschap af te eisen voor hun boosaardige praktijken.

De getuigen werden naar het bureau der veiligheidspolitie van het arrondissement te Lodz gebracht en terstond in de „derde graad” verhoord, dat wil zeggen dat er inquisitiemethoden werden toegepast. Getuige A werd acht dagen en nachten lang zonder ophouden aan een „nijptangverhoor” onderworpen en mishandeld. Getuige B kreeg zes dagen lang dezelfde behandeling.

Getuige A werd net zo lang geslagen totdat hij zwart en blauw zag. Herhaaldelijk werd hem gezegd dat de martelingen zouden ophouden wanneer hij maar bekende dat hij een spion was. Zijn folteraars eisten ook dat hij een verklaring zou ondertekenen welke behelsde dat hij bevel had gegeven tot de bouw van een radiostation, bestemd om inlichtingen naar het buitenland te zenden, waardoor Poolse belangen werden verraden. Toen hij vroeg hoe hij iets kon ondertekenen dat uit niets anders dan nonsens bestond, werd hem gezegd: „Nonsens of niet, je zult het ondertekenen, anders word je niet weer in vrijheid gesteld.”

Toen hij door al die slagen het bewustzijn verloor, werd er net zolang koud water over hem heen gegooid tot hij weer bijkwam en het bloed uit zijn kleren was gewassen. Een keer moest hij tweeënzeventig uur lang geknield blijven zitten. Daarna werd hij naar het ministerie van staatsveiligheid te Warschau gestuurd, omdat de folteringen te Lodz hem niet hadden gebroken. Door deze slechte behandeling werd zijn gezondheid voor zijn leven lang geruïneerd. Let echter wel, zijn rechtschapenheid leed er niet onder, maar bereikte een schitterend hoog peil!

Getuige C kreeg drie dagen lang geen eten. Hij werd met een knuppel geslagen omdat hij een verklaring weigerde te ondertekenen waarin hij zijn medegetuigen valselijk beschuldigde. Zij dreigden hem op te hangen, maar hun bluf had geen uitwerking! De beambten gooiden hem op de grond, sloegen en trapten hem en bewerkten zijn voetzolen met gummiknuppels. De trommelholtes van zijn oren werden verbrijzeld en zijn ribben gebroken. Tweeëndertig dagen moest hij zulk een behandeling ondergaan.

In Warschau werd getuige A naakt in een donker klein hol gestopt, waarin hij niet kon zitten, liggen of rechtop staan. Vierentwintig dagen bleef hij daar in. Keer op keer eisten zijn pijnigers dat hij zou toegeven en dreigden ten slotte zijn vrouw en kind te zullen ombrengen en van hem een wrak te maken. Hij zei hun dat hij God niet ontrouw zou worden, wat zij hem ook zouden willen aandoen.

Zij voegden de daad bij het woord, arresteerden zijn vrouw en kind. Zij mishandelden zijn vrouw zo, dat zij vijf jaar lang aan bloedingen heeft geleden. De dochter werd zelfs nog erger mishandeld en wel dusdanig dat haar geest werd aangetast. In de cel naast hem zetten zij een meisje neer met een stem welke op die van zijn dochter leek, en die al maar bleef roepen en smeken, „Laat hen er uit want zij zijn onschuldig! Laat me naar mijn moeder gaan!” enz. Getuige A dacht, al die tijd dat het de stem van zijn dochter was.

Er werd hem eens medegedeeld dat er aan zijn lijden en dat van zijn vrouw en dochter een eind zou komen wanneer hij voor de communisten zou gaan werken; hij kreeg drie dagen bedenktijd. Hij antwoordde: „Nooit, ben ik een spion of verklikker geweest en ik zal dit ook nimmer worden. Over drie dagen zal ik precies hetzelfde antwoord geven. Dit is mijn laatste antwoord, zelfs al kost het mij, mijn vrouw en mijn dochter het leven.” Toen werd hij naar Mokotow vervoerd, waar een gevangenis staat welke naar algemeen werd verteld, nog erger was.

Hoe zou de Mokotow-gevangenis nog erger kunnen zijn? Het is waar, de martelingen konden niet veel erger zijn, maar getuige A kreeg daar zoveel slagen op zijn borst dat hij jarenlang daarna nog pijn had wanneer hij diep ademhaalde. De communisten waren er echter speciaal op uit, de gestelde vragen zo te formuleren dat hun slachtoffers er door verstrikt zouden worden. Zij verdraaiden wat zij zeiden en wanneer zij voor de rechtbank verschenen werd het vonnis op dit getuigenis gebaseerd.

Getuige B onderging een zelfde behandeling. Niet alleen regende het slagen op zijn hoofd en maag, maar bovendien forceerden en scheurden zij zijn kaakspieren, zodat hij dagenlang niet kon eten. Er werd hem gezegd: „Alhoewel je bijna vijf jaar in een Duits concentratiekamp bent geweest, omdat je je tegen Hitler verzette, maken wij, wanneer we er zin in hebben, een eerste-klas-Gestapoman van je.” Getuige D onderging een soortgelijke behandeling als getuige A, werd in een klein hol geplaatst, geslagen en herhaaldelijk voorgeleid, waarbij men telkens eiste dat hij zou bekennen te hebben gespioneerd, hetwelk hij voortdurend standvastig weigerde.

GETROUWE MARTELAREN

Genoemde getuigen en vele anderen die een soortgelijk lijden ondergingen, overleefden dit alles om hun medemensen te kunnen vertellen wat voor beproevingen zij doorstaan hadden. Anderen konden dit echter niet. Zo werd getuige F op 2 augustus 1950 op het bureau van de veiligheidspolitie te Cieszyn ontboden. Daar hij weigerde met de communisten samen te werken tegen zijn medegetuigen, schoot een beambte tot twee maal toe op hem. Een uur nadat hij een ziekenhuis was binnengebracht, stierf hij. Vlak voor zijn sterven zei hij tegen een der hierbij aanwezige doctoren: „Ik werd door een ambtenaar van het ministerie van staatsveiligheid neergeschoten omdat ik Jehovah trouw diende.” Dat was waarlijk een getuige die tot in de dood toe getrouw was.

Op 15 augustus 1950 arresteerde de staatsveiligheidspolitie van Kolbuszow getuige G, een Amerikaans burger. Hij werd op het hoofd geslagen en vervolgens trapten zij met hun hakken op zijn ruggegraat. Zijn hersenen werden aangedaan en binnen zes dagen was hij dood.

Getuige H werd op 12 januari 1953 door de veiligheidspolitie van Piczow gearresteerd. Een der ambtenaren hoorde men tot een ander zeggen: „Zeg hem zijn vrouw vaarwel te zeggen, want hij zal niet terugkomen.” Acht dagen later was hij dood.

De veiligheidsdienst van Rybnik arresteerde op 10 augustus 1950 getuige I. Op 12 september van dat jaar werd zijn vrouw medegedeeld dat hij als spion ter dood was gebracht. Haar verzoek om zijn lichaam te mogen zien, werd geweigerd evenals dat om de kist bij de begrafenis te openen. Overeenkomstige verzoeken van familieleden van getuige M uit Lublin, die na ongeveer vier maanden gevangenisstraf te hebben ondergaan, stierf, werden eveneens afgewezen. Er werd beweerd dat hij zich had opgehangen.

Op 20 juni 1950 arresteerden beambten getuige J te Bialystok. Hij werd zo gemarteld dat hij niet meer kon lopen. Ongeveer vijf weken na zijn arrestatie werd hij letterlijk doodgeslagen. Anderhalf jaar later pas, in februari 1952, werd zijn moeder van het gebeurde op de hoogte gesteld.

Op 19 juni 1950 werd getuige K ’s avonds door ambtenaren uit Hrubieszow gearresteerd. Op de derde dag van zijn verhoor werd hem gevraagd commentaar te geven op een gedrukte bijbeltekst en terwijl hij dit deed, werd hij doodgeschoten. Toen men zijn lichaam vond, was het blauw en opengereten ten gevolge van de ondergane mishandelingen.

Op dezelfde dag werd getuige L door beambten van de veiligheidsdienst te Sandomierz gearresteerd en naar hun bureau te Kielce gebracht. Tijdens het verhoor werd hij op de grond gegooid, tegen zijn hoofd geschopt en trapte men op zijn lichaam. Hierdoor werden zijn longen en nieren losgescheurd en totdat hij stierf vloeide er bloed uit zijn mond en endeldarm.

Getuige N werd op 17 januari 1951 in Staw bij Kalisz in arrest genomen. Na zes dagen mishandeld te zijn, stierf hij reeds. Hij ontving de voor die plaats kenmerkende behandeling der getuigen: Hij werd gedwongen op een stoel met één poot te gaan zitten, waarbij een houten pin hem in de anus stak. Zijn voet en kin werden onder elektrische stroom gezet. Hij werd opgehangen totdat hij het bewustzijn verloor en daarna in een teil met water gegooid. Nadat hij weer was bijgekomen, begonnen de folteringen opnieuw. Zijn folteraars stonden er op dat hij zou bekennen gespioneerd te hebben.

Op 25 januari vroeg zijn vrouw of zij het lichaam van haar man mocht zien, maar dit werd haar geweigerd. ’s Avonds werd haar echter telefonisch medegedeeld dat zij het lichaam kon laten halen en begraven. De openbare aanklager gaf haar toestemming de morgue te betreden. Alhoewel getuige N slechts achtentwintig jaar was en zes dagen voordien nog gezond en sterk was geweest, leek het nu wel een geraamte. Zijn lichaam droeg van hoofd tot voet de kentekenen van mishandelingen, vol rode en gezwollen plekken als het was. Zijn geslachtsdelen waren ook verwond en opgezwollen, enz.

De veiligheidsdienst van Stettin arresteerde getuige O op 20 mei 1952 en bracht hem naar een gevangenis in Warschau en enkele maanden later naar een te Lodz. Ongeveer twee jaar later hoorde zijn vrouw dat hij in een ziekenhuis lag en ten slotte kreeg zij toestemming hem te bezoeken. Hij was zo’n geraamte geworden, dat ze hem niet eens herkende. Een advocaat adviseerde haar een verzoek in te dienen om haar man uit de „staat van onderzoek” waarin hij verkeerde, te ontslaan, hetgeen ten slotte werd goedgevonden, waarna zij hem op 3 september 1954 naar huis kon laten overbrengen. Hij ervoer de vreugde zijn huis en kind nog eens gezien te hebben, maar stierf acht dagen later. Tweeduizend personen woonden de begrafenis bij en protesteerden tegen deze sadistische methoden van de communistische politie, welke thans algemeen als „Beriaans” worden omschreven.

VERADEMING VOOR DE GETUIGEN

Andere getuigen werden blind door de ondergane mishandelingen, weer anderen verloren al hun tanden, en velen zijn voor hun leven kreupel en kunnen niet meer in hun onderhoud voorzien. Na het Twintigste congres van de communistische partij in Moskou, hetwelk het begin van het „de-stalinisatie”-programma inluidde, liet men de aanklacht van spionage vallen. Wat Polen betreft, behoort het Berianisme, voor het ogenblik althans, tot het verleden. Poolse staatslieden hebben gezegd dat hun rechterlijke macht al het mogelijke in het werk zal stellen om genoegdoening te verschaffen aan de duizenden onschuldige mensen, zoals Jehovah’s getuigen, die veel hebben moeten lijden.

Treffend is het onderstaande uittreksel uit het Yearbook of Jehovah’s Witnesses voor 1957: „Een zeer vooraanstaande regeringsfunctionaris verklaarde: ’Ik ben enthousiast over jullie standpunt.’ Hij zei vervolgens dat er drie belangrijke redenen waren waarom de regering van Polen op haar standpunt ten aanzien van Jehovah’s getuigen was teruggekomen, en wel omdat: 1. De leerstellingen van Jehovah’s getuigen ondanks het zesjarige verbod niet zijn veranderd. 2. Zij hun religie ondanks arrestaties en andere moeilijkheden moedig en onbevreesd zijn blijven belijden. 3. Hun aantal van het begin tot het eind van de verbodsperiode verviervoudigd is.”

Jehovah’s getuigen in Polen hebben hun rechtschapenheid dus ondanks al wat de communistische regeerders hebben gedaan, bewaard. Zij hebben dezelfde geest als Job aan de dag gelegd, toen die zei: „Wil Hij mij doden, ik blijf op Hem hopen.” — Job 13:15. NBG.

Jehovah’s getuigen en alle anderen over de gehele wereld die rechtvaardigheid liefhebben, kunnen zich verheugen en moed vatten uit de rechtschapen handelwijze van de Poolse getuigen. Zij zien hierin een vervulling van de woorden van de profeet: „Elk wapen dat tegen u gesmeed wordt, zal niets uitrichten, en elke tong die zich voor het gericht tegen u keert, zult gij in het ongelijk stellen [verdoemen]. Dit is het deel van de knechten des HEREN [van Jehovah] en hun recht van Mijnentwege, luidt het woord des HEREN [van Jehovah].” — Jes. 54:17, NBG; Statenvert.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen