Zij weigerden te schipperen
HET ware christendom is bij de meeste mensen nimmer populair geweest. Jezus was in de ogen der geestelijken van de eerste eeuw een ongewenste indringer op religieus gebied. Wars van alle geschipper maakte hij de waarheid bekend en stelde hun huichelachtige zelfrechtvaardigheid en menselijke overleveringen als door God verworpen aan de kaak (Matth. 15:1-9; 23:1-39). Jezus leerde hoe men de alleen ware God moest aanbidden en zonder aarzelen maakte hij bekend dat Zijn Woord de waarheid is (Joh. 17:3, 17). Dit hield in dat de goden der natiën en zelfs de leerstellingen welke met die waarheid in strijd waren en ten onrechte door de geestelijken in de naam Gods werden gepredikt, vals en misleidend waren. Daar Jezus het bij het rechte eind had, waren zij verkeerd! Die harde waarheid kwetste.
Ook de politici waren niet ingenomen met de komst van iemand die, naar men zei, de „koning der joden” zou worden, en toen Herodes van de „wijzen” van zijn geboorte vernam, lanceerde hij een door demonen geïnspireerde campagne om hem te laten doden. Die mislukte. Jaren later bezweek stadhouder Pilatus voor de eisen der religieuze Farizeeën en liet Christus ter dood brengen als was hij een oproerige wetsschender. — Joh. 19:12-16.
Ware christenen hebben het voorbeeldige gedrag van de Zoon Gods nagevolgd, en evenals Jezus Jehovah exclusief was toegewijd en zulk een aanbidding zonder aarzelen voorstond als de enige juiste religie, zijn zijn volgelingen onwrikbaar in zijn voetsporen getreden. De apostel Johannes liet dezelfde zekerheid weerklinken toen hij zei: „Wij weten dat wij onze oorsprong vinden bij God, doch de gehele wereld ligt in de macht van de goddeloze” (1 Joh. 5:19, NW). Evenals de wereld die houding van Christus echter niet aanstond, glimlachten zij niet goedkeurend over Johannes’ handelwijze. Hij werd door keizer Domitianus naar het eiland Patmos verbannen.
Vooral de leiders der joodse religieuze hiërarchie en hun aanhangers waren woedend op de christenen. Zij hadden reeds een gruwelijk verbond aangegaan met het heidense Rome om Christus ter dood te brengen. Toen daarna het aantal volgelingen van Christus sedert Pinksteren nog meer in het oog begon te vallen en er steeds meer de religie van het judaïsme verlieten om de leer van Christus te aanvaarden, nam hun haat niet af.
Stefanus werd vermoord. „Saulus, nog dreiging en moord blazend tegen de discipelen des Heren, ging naar de hogepriester en vroeg hem brieven voor de synagogen in Damascus, om alle mannen en vrouwen die tot de Weg behoorden en die hij vond, gebonden naar Jeruzalem te brengen” (Hand. 9:1, 2, NW). Hij vermeldt waarom hij de christenen vervolgde, zeggende: „Ik [bleef] . . . de gemeente Gods . . . vervolgen en . . . verwoesten, en ik maakte grotere vorderingen in het judaïsme dan velen van mijn eigen leeftijd in mijn geslacht, daar ik veel ijveriger was voor de overleveringen van mijn vaderen” (Gal. 1:13, 14, NW). Toen Saulus zelf christen was geworden, werd hij die eertijds een vervolger was geweest, een vervolgde.
Niet alleen dus de heidenen te Rome maar ook de zeer religieuze joden gaven van hun gemeenschappelijke haat tegen de christenen blijk. Sommige historici opperen zelfs de gedachte dat Poppaea, de vrouw van de beruchte Nero, een bekeerlinge tot het judaïsme was, en zo er min of meer de verantwoordelijkheid voor droeg dat hij tot de door hem ingestelde demonische vervolging van christenen werd aangezet.
Zo staat er in een boek: „Voor de heidenen was het christendom slechts een religieuze uitwas — weliswaar verachtelijk, maar overigens onbetekenend. Voor de joden was het daarentegen een voorwerp van haat, . . . om allerlei redenen was het christendom bij de joden gehaat. Hun wet werd er door van nul en gener waarde gemaakt. Alle heidenen werden er door bevrijd van het zware juk van die wet, zonder hen daardoor op een lager niveau te plaatsen. . . . Het was als het ware een fatale revolte, een zich van binnenuit voltrekkend schisma, dat gevaarlijker was dan enige van buitenaf gedane aanval. Het ergst van alles was dat de heidenen het met het judaïsme verwarden, terwijl dit zijn bitterste vijand was.”1
Een andere historicus voegt hieraan toe: „De afgunst van de joodse priesters en doctoren, en hun vrees hun voorsprong op de anderen te verliezen wanneer het christendom de overhand kreeg, vormden ongetwijfeld de ware redenen voor hun vijandschap. De joden die buiten Palestina, in de Romeinse provincies leefden, behandelden de onschuldige discipelen van Christus niet minder wreed. Uit de Handelingen der Apostelen en andere geloofwaardige berichten blijkt dat zij zich geen moeite spaarden om de magistraten en de bevolking er toe op te hitsen de christenen te verdelgen. Ten einde dit laaghartige gedrag met een mantel der eerbaarheid toe te dekken, deden zij het voorkomen alsof christenen verraderlijke plannen hadden tegen de Romeinse regering; dat zij een misdadiger, een zekere Jezus, als hun koning erkenden, en dat Pilatus hem zeer terecht ter dood had laten brengen.”2
DOOR DE ROMEINEN VERVOLGD
Moeten wij hieruit de conclusie trekken dat de christenen in de vroege eeuwen van het christelijke tijdperk louter en alleen tegenstand van de zijde der joden ondervonden? Neen, want dan zouden wij slechts een gedeelte van het door de feiten gevormde beeld zien. Een „voorname reden waarom de Romeinen zo vijandig tegenover het christendom stonden, was, dat de christelijke aanbidding niets bezat wat de andere religiën gemeen hadden. De christenen kenden geen offers, tempels, beelden, orakels en priesterorden; en de oppervlakkige massa redeneerde dat zij die niets van dit alles bezaten, er in het geheel geen religie op na hielden; en zij die de Godheid of de nationale goden schenen te loochenen, werden door de Romeinse wetten als de pest voor de menselijke maatschappij beschouwd.”3
Voor de Romeinen, wier religie inhield dat men wierook aan de keizer offerde, was aanbidding nauw verbonden met de regering. Wanneer christenen daarom weigerden aan deze heidense ceremoniën deel te nemen, werd dit uitgelegd als een gebrek aan vaderlandsliefde. De onveranderlijke vastberadenheid der christenen om uitsluitend God te blijven aanbidden, wekte de woede van de Romeinse wereld op. Doordat de christenen beweerden dat zij zich juist gedroegen, werd de Romeinse wereld evenzeer als het judaïsme als verkeerd in Gods ogen gebrandmerkt, wat niet bepaald aangenaam gevonden werd.
De rechters stelden het zich dan ook niet speciaal ten doel hen ter dood te veroordelen, maar hen er toe te dwingen het christelijk geloof af te zweren. „Wanneer zij er in toestemden slechts enkele wierookkorrels op het altaar te werpen, liet het tribunaal hen weer veilig gaan en applaudisseerde men.”4 Weigerden zij daarentegen hun geloof te herroepen, dan werden zij vaak, ook al was het enige wat men op hen tegen had hun geloof, met de dood gestraft. „Welk beginsel,” aldus Plinius, „er ook aan hun gedrag ten grondslag moge liggen, hun onbuigzame hardnekkigheid scheen gestraft te moeten worden.”5
Met ongewone graagte streefde de Romeinse wereld genoegens na. Niet alleen was overdaad een der kenmerken van hun religieuze ceremoniën, maar zij bouwden ook grote ontspanningsarena’s, waarin voornamelijk de bloedige gladiatorengevechten werden gehouden. Christenen vonden zulk een moedwillige schending van Gods wet betreffende de heiligheid van het bloed weerzinwekkend en weigerden er naar toe te gaan. „Omdat zij de boosheid der wereld, met haar wrede spelen en afzichtelijke afgoderijen, haatten, werden zij er van beschuldigd het gehele menselijke geslacht te haten.”6 Dit bracht nog meer vervolging over hen, niet alleen van regeringszijde, maar eveneens van de kant van het volk.
De hedendaagse getuigen van Jehovah hebben bevonden dat zij in een zelfde positie verkeren. Alhoewel zij hun naasten goeddoen en een boodschap van liefde verbreiden, worden zij in alle delen der wereld hevig vervolgd en gehaat. Hoewel zij neutraal staan tegenover de aangelegenheden dezer wereld, legt de wereld dit uit als haat tegen de mensheid. Wanneer zij het Woord Gods als een gezaghebbende bron aanhalen en als de enige geldige maatstaf voor aanvaardbare aanbidding aanhouden, vindt men hen bekrompen. Omdat zij niet van de christelijke maatstaven afzien ter wille van wereldse genoegens, worden zij als spelbrekers gedoodverfd. En wanneer zij de eisen der wereld niet inwilligen en weigeren christelijke beginselen te prostitueren door water bij de wijn te doen, noemt men hen evenals de vroege christenen stijfkoppig.
Door het getrouwe gedrag van deze getuigen worden de belijdende christenen die niet naar de hoge maatstaven van Gods Woord leven, veroordeeld; waarop zij evenmin als de joden of Romeinen van vroeger gesteld zijn. Met alle mogelijke middelen, sluwe verlokking en wanneer dit faalt, met een ijzeren vuist, trachten zij hen er toe te brengen te schipperen. Kan een christen echter wel een schipperende houding aan de dag leggen?
Jezus zegt tot hen die nog onevenwichtig in hun geloof zijn: „Ik weet uw daden, dat gij noch koud noch heet zijt. Ik wilde dat gij koud waart of anders heet. Daarom, omdat gij lauw zijt en noch heet noch koud, zal ik u uit mijn mond spuwen” (Openb. 3:15, 16, NW). In zijn bergrede waarschuwde Jezus hen die leven in de nieuwe wereld willen verkrijgen, voor de brede weg van geschipper: „Gaat in door de enge poort; want breed en wijd is de weg die op de vernietiging uitloopt, en velen zijn er die daardoor ingaan; maar eng is de poort en nauw de weg die op het leven uitloopt, en weinigen zijn er die hem vinden.” — Matth. 7:13, 14, NW.
Wees, wanneer u derhalve weet wat volgens Gods Woord de juiste weg is, wijs, schipper niet. „Houdt uw zinnen bij elkaar, zijt waakzaam. Uw tegenstander, de Duivel, gaat rond als een brullende leeuw, die tracht iemand te verslinden. Neemt uw standpunt echter tegen hem in, vast in het geloof.” — 1 Petr. 5:8, 9, NW.
VERWIJSBRONNEN
1 Great Events by Famous Historians, de bladzijden 139, 140.
2 Mosheims Ecclesiastical History, blz. 23.
3 Idem, blz. 24.
4 History of Christianity, door Edward Gibbon, de bladzijden 234, 235.
5 Idem, blz. 213.
6 Great Events by Famous Historians, blz. 141.