Maria, een discipel, geen koningin
ER WAS in het Galilese plaatsje Nazareth iets zeer ongewoons geschied. Niet aan de dochter van een koning, maar aan de nederige dochter van Heli, die spoedig in het huwelijk zou treden met de jonge timmerman Jozef, was de engel Gabriël verschenen en had haar begroet met, „Goedendag, hooglijk begunstigde, Jehovah is met u.” Vanzelfsprekend was Maria verontrust over deze begroeting. Wat bedoelde hij er mee? De engel vervolgde: „Vrees niet, Maria, want gij hebt gunst gevonden bij God; en, zie! gij zult in uw schoot ontvangen en een zoon baren, en gij zult zijn naam Jezus noemen. Deze zal groot zijn en de Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en Jehovah God zal hem de troon van David, zijn vader, geven, en hij zal voor eeuwig koning zijn over het huis van Jakob, en er zal geen einde zijn aan zijn koninkrijk.” Er werd haar niet beloofd dat zij een met juwelen bezette gouden kroon zou ontvangen. Zij zou een zoon baren, maar die zou de koningswaardigheid verkrijgen. Zij was niet aanmatigend en vroeg niet meer voor zich zelf, maar antwoordde: „Zie! Jehovah’s slavin! Mij geschiede naar uw verklaring.” — Luk. 1:28-30, NW.
EEN LOFLIED
Direct daarop reisde Maria naar Juda om Elizabeth te bezoeken, die er door God toe werd geïnspireerd haar aldus te begroeten: „Gezegend zijt gij onder vrouwen, en gezegend is de vrucht van uw schoot! Hoe komt het dat dit voorrecht mij te beurt valt, dat de moeder van mijn Heer tot mij komt? Want zie! toen het geluid van uw groet mij in de oren klonk, sprong het kind van grote vreugde op in mijn schoot. Gelukkig ook zij die heeft geloofd, omdat volledig volbracht zal worden wat vanwege Jehovah tot haar werd gesproken.” Elizabeth had gelijk; Maria werd rijkelijk door Jehovah gezegend en hoe gelukkig was zij dat zij Zijn dienstmaagd mocht zijn.
Maria gaf door haar antwoord van gezond verstand blijk. Haar dienstvoorrecht had haar niet opgeblazen van trots gemaakt, want zij verheerlijkte God. „Mijn ziel maakt Jehovah groot, en mijn geest kan slechts overlopen van vreugde jegens God, mijn Redder; omdat hij op de nederige positie van zijn slavin heeft gezien. Want, zie! van nu aan zullen alle geslachten mij gelukkig verklaren, omdat de Machtige grote dingen voor mij heeft gedaan; heilig is zijn naam en van geslacht tot geslacht rust zijn barmhartigheid op wie hem vrezen. Hij heeft machtige daden verricht met zijn arm, en wie hooghartig zijn in de overleggingen van hun hart, heeft hij verstrooid. Hij heeft machtigen van hun troon doen storten en nederigen verhoogd; hij heeft hongerigen volledig verzadigd met het goede en wie weelde hadden, heeft hij leeg weggezonden. Hij is zijn dienstknecht Israël te hulp gekomen, om voor eeuwig barmhartigheid te gedenken, zoals hij eens tot onze voorvaders, tot Abraham en zijn zaad, heeft gezegd” (Luk. 1:39-55, NW). Zij dankte God van harte en vol dankbaarheid voor de onverdiende goedgunstigheid welke hij haar bewezen had en gaf hem alle eer: Hij, de Machtige, die grote dingen doet, moet grootgemaakt worden; zijn naam is heilig.
GEZEGEND ONDER VROUWEN
Hoe dienen wij de woorden ’alle geslachten zullen mij gelukkig verklaren’ echter op te vatten? Wordt er niet door te kennen gegeven dat degene die het voorrecht ontving de moeder van Gods Zoon te zijn, bijzondere lof en heerlijkheid gegeven moet worden? Neen; „Jehovah, uw God, moet gij aanbidden, en voor hem alleen moet gij heilige dienst verrichten” (Matth. 4:10, NW). Men mag haar zelfs geen relatieve aanbidding geven door zich voor haar beeltenis neer te buigen. „Gij moet u geen gesneden beeld maken . . . Gij moet u voor hen niet nederbuigen noch er toe worden bewogen hen te dienen, want ik, Jehovah, uw God, ben een God die exclusieve toewijding eis.” „Ik ben de HERE [Jehovah], dat is mijn naam, en mijn eer zal Ik aan geen ander geven noch mijn lof aan de gesneden beelden.” Toen Johannes zich voor een levende engel neerboog, werd hij hiervoor zelfs terechtgewezen: „Doe dat niet! . . . Aanbid God.” — Ex. 20:4, 5, NW; Jes. 42:8, NBG; Openb. 19:10, NW.
Hoe zou ze dan gelukkig verklaard moeten worden? Omdat zij de „vrouw” is waarover in Genesis 3:15 profetisch wordt gesproken? Neen, want de vrouw die het Zaad zou voortbrengen dat de slang zou vernietigen, en dat volgens latere beloften uit Abrahams geslachtslijn geboren zou worden, wordt in Galaten 4:26 geïdentificeerd als „het Jeruzalem boven,” Gods universele organisatie. — Gen. 22:18.
Wordt zij gelukkig verklaard omdat zij de „vrouw” is waarnaar in het symbolische verslag van Openbaring hoofdstuk 12 wordt verwezen? Nogmaals neen. Het is onmogelijk dat daar over de menselijke geboorte van Jezus wordt gesproken. De Openbaring werd Johannes jaren na de geboorte van Christus in het jaar 96 (n. Chr.) gegeven, en ze wordt ingeleid met de duidelijke vermelding dat deze gebeurtenissen nog in de toekomst moesten geschieden. — Openb. 1:1.
Bestaat haar vreugde er dan in dat zij de Mede-verlosseres van de mensheid is? St. Alfonsus Liguori kent haar die positie toe en zegt: „Niemand . . . kan gered of verlost worden dan door u, o Moeder Gods.” De bijbel verklaart echter nadrukkelijk: „Jezus Christus, de Nazarener, . . . in niemand anders is redding, want er is onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven waardoor wij gered moeten worden” (Hand. 4:10-12, NW). In Openbaring 7:10 wordt Maria eveneens uitgesloten wanneer daar staat: „Redding hebben wij te danken aan onze God, die op de troon is gezeten, en aan het Lam.” — NW.
Mag zij gelukkig worden verklaard omdat zij de Middelares voor de mensheid is? Aan God om te zeggen wat de waarheid in deze is, door aan te nemen wat er in zijn Woord staat geschreven: „Er is één God en één middelaar tussen God en de mensen, een mens Christus Jezus, die zich zelf heeft gegeven als een overeenkomstig rantsoen voor allen.” — 1 Tim. 2:5, 6, NW.
Allen zullen het er stellig mee eens zijn dat Maria als aardse moeder van Jezus een gelukkig lot was beschoren, doch het bezorgde haar een nog grotere vreugde een discipel van Jezus te zijn. Toen Jezus bij een gelegenheid een menigte onderwees, verhief een vrouw haar stem en gaf eerlijk uiting aan wat er in haar omging: „Gelukkig is de schoot die u heeft gedragen en de borsten die gij hebt gezogen!” Velen voelen het thans nog net zo aan. Jezus corrigeerde de vrouw echter: „Neen, gelukkig zijn veeleer zij die het woord van God horen en het bewaren!” Juist dit bezorgde Maria een nog veel groter geluk. — Luk. 11:27, 28, NW.
„KONINGIN DES HEMELS”
In katholieke kringen spreekt men over Maria veel als over de „Koningin des hemels” en de „Koningin van de vrede.” Dit is geen nieuwe gedachte, want in vroege apocriefe geschriften wordt haar reeds grote eer toegeschreven als de „Moeder Gods.” Laten wij echter nog veel verder teruggaan, naar het oude Babylon met zijn heidense religie, want daar vinden wij de oorsprong er van terug. „Onder de naam van ’Moeder der goden’ werd de godin-koningin van Babylon nagenoeg universeel een voorwerp van aanbidding. ’De Moeder der goden,’ zo vertelt Clericus ons, werd door de Perzen, Syriërs en alle koningen van Europa en Azië aanbeden met de diepste religieuze verering.” Hoe is deze gewoonte de „christelijke” wereld binnengedrongen? „De aanbidding van de godin-moeder met het kind in haar armen, bleef in Egypte bestaan totdat het christendom daar binnendrong. . . . Toen het algemener werd, werd het nog maar alleen in naam beleden. In plaats dat de Babylonische godin daarom werd uitgeworpen, werd haar naam maar al te vaak slechts veranderd. Zij werd de maagd Maria genoemd en zij werd met haar kind door zogenaamde christenen met hetzelfde afgodische gevoel aanbeden als vroeger door onverholen en erkende heidenen.” — The Two Babylons door Alexander Hislop.
Let verder eens op de madonna’s der christenheid. Totdat Rafaël met de traditie brak, werd Maria nimmer afgebeeld met Hebreeuwse volkstrekken en met de voor hen zo kenmerkende donkere ogen en het donkere haar. Evenals de meeste heidense madonna’s wordt zij gewoonlijk afgebeeld met goudblond haar en blauwe ogen, zoals de godin-koningin van Babylon. „Nog een karakteristiek kenmerk van deze beeltenissen is onze aandacht waard, en wel de nimbus of speciale lichtkrans welke herhaaldelijk het hoofd van de Roomse madonna omgeeft. . . . De discusvormige figuur maar vooral de cirkel waren de welbekende symbolen van de zon-godheid, en kwamen onder de symbolen van het oosten veel voor. . . . Hetzelfde geldt voor het heidense Rome. Apollo werd als het kind van de zon vaak aldus afgebeeld.” — The Two Babylons, bladzijde 87.
Charles Amlin trekt bij een beschouwing van het werk van St. Alfonsus Liguori, De heerlijkheden van Maria, dat omstreeks 1750 werd geschreven en door de pausen Pius VII en Leo XIII voor foutloos werd verklaard, wel zeer toepasselijke vergelijkingen in verband met de heerlijkheid welke aan de katholieke „Koningin des hemels” wordt gegeven: „In het boek van Liguori lezen wij (blz. 92): ’Alle macht is u (Maria) gegeven in hemel en op aarde, en niets is voor u onmogelijk.’ In de katholieke bijbel lezen wij (Matth. XXVIII:18): ’Jesus trad op hen toe, en sprak: Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde.’ In het boek van Liguori lezen wij (blz. 257): ’Maria . . . is de troon der genade waarnaar de apostel Paulus ons in zijn zendbrief aan de Hebreeën aanspoort met vertrouwen te vlieden.’ In de katholieke bijbel lezen wij (Hebr. IV:14-16): ’Daar we nu een groten Hogepriester hebben, . . . Jesus, den Zoon van God . . . Laat ons dus met vertrouwen opgaan tot de troon der genade.’ . . . In het boek van Liguori, dat zoals men zich zal herinneren, door twee pausen ’foutloos’ is verklaard, lezen wij (blz. 130): ’De Heilige Kerk . . . gebiedt een aanbidding rondom de figuur van Maria.’”
Op bladzijde 37 van dit zelfde werk, Mary: Mother of Jesus or Queen of Heaven? doet de auteur nogmaals een aanhaling uit De heerlijkheden van Maria: „Van andere heiligen zeggen wij dat zij bij God zijn; alleen van Maria kan echter worden gezegd dat zij zo begunstigd was dat zij niet alleen onderworpen was aan de wil Gods, maar dat God zelfs onderworpen was aan haar wil.” Op bladzijde 49 wordt paus Pius IX aangehaald in het slot van zijn omschrijving van het dogma van Maria’s onbevlekte ontvangenis: „Dat de kinderen van de Rooms-Katholieke Kerk . . . er toe overgaan de Gezegende Maagd Maria te aanbidden, aan te roepen en tot haar te bidden.” Aldus is in het leven van miljoenen de aanbidding van God door die van Maria, de Koningin des hemels vervangen.
Wie is precies deze „Koningin des hemels,” aan wie grotere autoriteit wordt toegeschreven dan aan Christus en van wie er wordt gezegd dat „God zelfs onderworpen was aan haar wil”? Stellig niet de nederige Maria die Jehovah grootmaakte en zijn gewillige dienstmaagd was. Neen, zij is de Babylonische koningin des hemels, van wie God in Jeremia 7:16-20 (NBG) zelf zegt: „Gij nu, bid niet voor dit volk; zend voor hen geen smeking op en geen gebed, en dring niet bij Mij aan, want Ik hoor naar u niet. Ziet gij niet wat zij doen in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem? De kinderen rapen hout, de vaders steken vuur aan en de vrouwen kneden deeg om offerkoeken te maken voor de koningin des hemels en zij brengen plengoffers aan andere goden ten einde Mij te krenken. Ben Ik het, dien zij krenken? luidt het woord des HEREN [van Jehovah]. Doen zij het zichzelf niet, tot beschaming van hun aangezicht? Daarom, zo zegt de Here HERE: Zie, mijn grimmige toorn giet zich uit te dezer plaatse over mens en dier, over het geboomte des velds en de vrucht van den bodem, en brandt zonder geblust te worden.” Door een „Koningin des hemels” of een „Koningin van den vrede” te aanbidden, eert men God niet, maar men doet dit door de God van vrede en de door hem aangestelde Vredevorst te erkennen.
DISCIPEL VAN JEZUS
Welk een contrast bestaat er tussen de nederige moeder en discipel van Jezus welke in de bijbel wordt beschreven, en de met goud en juwelen bedekte beeltenissen van de „Koningin des hemels,” welke door mensen vereerd en aanbeden worden! Maria’s zachtmoedigheid, oprechtheid en liefde voor rechtvaardigheid maakten haar tot een geschikte en toegewijde discipel van Jezus. Nergens treffen wij haar aan met een aureool om haar hoofd en met rijkdom behangen, zoals de verheerlijkte „Koningin des hemels.” Na Jezus’ dood werd zij niet in de christelijke gemeente verheerlijkt. Ja, er is juist erg weinig over haar bekend. De laatste keer dat zij in de bijbel ter sprake komt, is wanneer zij met de andere trouwe volgelingen van de Here in een bovenkamer God aanbidt (Hand. 1:13, 14). Toen zij stierf, keerde haar lichaam terug tot het stof en is zij in de dood ontslapen totdat Gods bestemde tijd was aangebroken om haar met de andere getrouwen ten leven op te wekken als een geestelijk hemels schepsel. — 1 Kor. 15:44, 50; 2 Tim. 4:8.