De individuele menselijke belangen
’Ziet niet alleen uit persoonlijk belang op uw eigen zaken, maar tevens uit persoonlijk belang op de zaken van anderen.’ — Fil. 2:4, NW.
1. Hoe verschilt de mens van de lagere schepping met betrekking tot het ter hand nemen van belangen?
GOD heeft in de natuur der lagere schepselen zoals de landdieren, de gevleugelde schepselen en de zeedieren, de belangen vastgelegd zich te voeden, te paren, hun nest te bouwen, en hun jongen groot te brengen. Instinctief behartigen ze gedurende hun beperkte doch voldoening schenkende leven deze belangen. Ze maken gebruik van de voorzieningen waarvoor ze van God het recht hebben ontvangen er aan deel te hebben. „Slaat oplettend de vogels des hemels gade, want zij zaaien geen zaad noch maaien zij noch vergaren zij in voorraadschuren; toch voedt uw hemelse Vader ze” (Matth. 6:26, NW). In tegenstelling tot deze lagere schepping, die zich laat leiden door de niet op vrije wil berustende wetten van het instinct, is de mens echter zo geschapen dat hij over een hoge mate van intelligentie beschikt. De verbazingwekkende gave van een vrij wil is hem toevertrouwd. De mens die van deze vermogens gebruik kon maken, was oorspronkelijk geschapen om gedurende een eindeloos, gelukkig leven een uitgestrekt terrein van belangen ter hand te nemen, te ontwikkelen en te waarderen tot lof van zijn Schepper.
2. Waarom verschillen de fundamentele menselijke belangen nergens op aarde?
2 De schepper heeft de menselijke natuur zo ontworpen, dat in alle mannen en vrouwen de zaden van bepaalde fundamentele belangen zijn gelegd, welke zaden de met een vrije wil begiftigde mens op verstandige of onverstandige wijze kan laten ontwikkelen. In alle mensen op deze aardbol, waar zij zich ook bevinden, worden van nature dezelfde fundamentele belangen aangetroffen omdat allen van dezelfde gemeenschappelijke voorouder, Adam, afstammen. Deze door God in fundamentele vorm ingeplante belangen bergen een goddelijke wettelijke erkenning in zich als door God overgedragen rechten. De aan de mens overgedragen rechten zijn inferieur aan Gods inherente rechten, waardoor aan de goddelijke belangen en de tenuitvoerbrenging daarvan de voorrang gegeven wordt.
3, 4. Hoe omschreven autoriteiten op rechtskundig gebied de „natuurwet”?
3 Vandaar dat sommige autoriteiten op rechtskundig gebied deze van nature in de mens aanwezige rechten de natuurwet noemen. „Daar de mens in alles volledig van zijn Maker afhankelijk is, moet hij zich dientengevolge in alle opzichten naar zijns Makers wil schikken. Deze wil van zijn Maker wordt de natuurwet genoemd. Want hoewel God de mens bij diens schepping het vermogen heeft gegeven zich in alle omstandigheden in het leven overeenkomstig zijn vrije wil te gedragen, heeft hij de menselijke natuur bepaalde onveranderlijke wetten opgelegd, waardoor die vrije wil enigermate wordt geregeld en beperkt, en tevens heeft hij hem het redenatievermogen geschonken opdat hij de strekking van die wetten zou kunnen onderscheiden.”a
4 Een andere autoriteit op rechtskundig gebied omschrijft de natuurwet als volgt: „De wet welke God, de soeverein van het universum, alle mensen heeft voorgeschreven, niet door een officiële afkondiging, maar alleen door de innerlijke ingeving der rede. . . . De primitieve natuurwetten kunnen tot een zestal worden teruggebracht, namelijk: 1. betrekkelijke scherpzinnigheid, of rede; 2. eigenliefde; 3. de onderlinge aantrekkingskracht der seksen; 4. de tedere genegenheid der ouders voor hun kinderen; 5. het religieuze sentiment; 6. sociale omgang.”b
5. Welke persoonlijke belangen heeft de mens ten gevolge van de hem van nature meegegeven scherpzinnigheid en het vermogen tot redeneren?
5 Welke in de eerste van bovengenoemde natuurwetten besloten liggende menselijke belangen worden voor ons zichtbaar? In tegenstelling tot de dieren is de mens een met grote scherpzinnigheid of intelligentie begiftigd schepsel. Hij kan de dingen beredeneren en onderscheid maken tussen wat moreel goed en moreel slecht is. Hij kan ook verantwoordelijk worden gesteld voor zijn gedragingen en de wijze waarop hij zijn belangen gebruikt. De mens kan zich gelukkig of ongelukkig voelen. Van nature heeft de mens dus de ingeboren belangen, op de hoogte te blijven, kennis te vergaren, feiten op te diepen, bewijsmateriaal te beredeneren en beslissingen te nemen. De onbedorven mens heeft van nature de neiging deze belangen op een goede wijze te gebruiken, waardoor hij voor zich een verdienstelijk bericht opbouwt, hetgeen met geluk wordt beloond.
6, 7. Hoe handelen Jehovah’s getuigen in verband met de belangen die de mens van nature heeft om waarheid te kennen?
6 Jehovah God heeft de mens van nature zo geschapen dat hij er voor zijn eigen welzijn belang in zou stellen de waarheid te kennen. Deze natuurlijke drang is enigermate verbogen, hetgeen er toe heeft geleid dat ’s mensen verstand op slechte wijze is aangewend. Zulk een slechtheid brengt een laakbaar bericht voort, wat een toestand teweegbrengt waarin men zich ongelukkig voelt. Hoe vaag deze belangen ook tijdens Satans lange wanbestuur zijn geworden, toch bestaan er in deze tijd nog in aanzienlijke mate natuurlijke belangen tezamen met de daarmee gepaard gaande natuurrechten.
7 Vandaar dat Jehovah’s getuigen voortdurend trachten deze natuurlijke belangen te stimuleren. Allereerst trachten zij zelf op theocratisch gebied op de hoogte te blijven en hun geest gevuld te houden met de waarheid uit Gods Woord. Vervolgens trachten zij als vriendelijke medemensen zoveel mogelijk mannen en vrouwen persoonlijk op te zoeken ten einde hun de waarheid omtrent Jehovah’s geopenbaarde voornemens in deze tijd van het einde bevattelijk onder de aandacht te brengen, zodat zij ze aan een eerlijke beschouwing kunnen onderwerpen. Jehovah’s getuigen volgen het voorbeeld van Jezus en zijn apostelen, die op grond van dit van nature bestaande belangenterrein, de mensen van huis tot huis opzoeken.
8. Welke persoonlijke belangen vloeien uit „eigenliefde” voort?
8 De tweede natuurwet behelst de aangelegenheid van eigenliefde. De bijbel bevestigt het bestaan van deze door God in de menselijke natuur geplante fundamentele gave: „Gij moet uw naaste liefhebben als u zelf. Ik ben Jehovah” (Lev. 19:18, NW). Op grond van deze krachtige rechten van eigenliefde streeft ieder mens naar zelfbehoud; hij zal zijn leven verdedigen, zijn lichaam beschermen tegen letsel, het schadelijke mijden en alles doen wat nodig is om zijn verdere bestaan zeker te stellen. Deze eigenbelangen beslaan een uitgestrekt terrein en geven aanleiding tot vele andere gebieden van menselijke belangen.
9, 10. Is het verkeerd belangstelling voor zich zelf te tonen? Tot in welke mate is het juist?
9 Een matige, heilzame liefde voor zich zelf te koesteren, is goed en juist en leidt tot een handelwijze welke verdiensten en ten gevolge daarvan beloningen van geluk afwerpt. Gaat men zich zelf echter in zulk een mate liefhebben dat men zijn naaste niet langer liefheeft, dan is men een weg van slechtheid ingeslagen, en in zulke gevallen verandert eigenliefde in uiterste zelfzuchtigheid. Dit leidt tot moeilijkheden of te laken handelingen, waarvoor men verantwoordelijk gesteld zal worden. Hij moet er voor boeten in de vorm van tegenspoed, een straf welke een toestand met zich brengt waarin men zich ongelukkig voelt. — 2 Tim. 3:2-5, NW.
10 Het is geenszins verkeerd wanneer men belangstelt in zijn fysieke en geestelijke welzijn. Vals-religieuze leerstellingen zoals „zelfverloochening” of karakterontwikkeling, waarbij men zover gaat dat men zich zelf nagenoeg wegcijfert door alle begeerte te doden, hetgeen door het boeddhisme en enkele pseudo-christelijke sekten wordt onderwezen, staan dwaling voor. Zulke leerstellingen zijn tegenstrijdig aan de menselijke natuur en in conflict met deze fundamentele eigenschap van eigenliefde, welke God van het begin af aan rechtens in de volmaakte mens had geplant. Door het verstandige evenwicht tussen liefde voor God en eigenliefde wordt iemand er toe aangezet rechtvaardigheid te zoeken en er toe aangedreven Jehovah met geheel zijn hart te dienen, opdat Jehovah hem ten slotte met goedkeuring bekijkt en hem het eeuwige leven schenkt. „Blijft . . . uw eigen redding bewerken met vrees en beving.” — Fil. 2:12, NW.
11. Welke persoonlijke belangen vloeien voort uit de aan de menselijke natuur eigen zijnde gave dat de seksen elkaar aantrekken?
11 Nog een aan de menselijke natuur eigen zijnde fundamentele gave is de aantrekkingskracht der seksen tot elkaar. God heeft de mensen zo geschapen — man en vrouw — als tegenhangers van elkaar (Gen. 1:27; 2:20-22. NW). Hierin is aldus voorzien, opdat een van Gods belangen, de aarde te bevolken, ten uitvoer gebracht mocht worden (Gen. 1:28; Jes. 45:18). De aantrekkingskracht welke er tussen de seksen bestaat, schept voor de mens een grote verscheidenheid van individuele menselijke belangen. Enige van deze fundamentele belangen en de daarmee gepaard gaande overgedragen rechten, zijn, te trouwen, een gezin met kinderen te stichten, een eigen huis te hebben en zijn brood te verdienen. Dit houdt ook in dat man en vrouw wederzijds exclusief recht op elkaar hebben (1 Kor. 7:2-5, NW). Waar deze individuele menselijke belangen op een goede wijze worden nagestreefd, wordt er een verdienstelijk bericht opgesteld en een beloning van waar geluk verworven. Volgt men een tegenovergestelde handelwijze, dan zal men zich onvermijdelijk ongelukkig voelen. Geen enkele buitenstaander heeft iets te maken op het terrein van ’s mensen persoonlijke belangen in verband met het door hem op juiste wijze gesloten huwelijk. Volgens Jezus’ raad moet de mens zich echter met betrekking tot zijn seksuele belangen tot één partner beperken. — Matth. 19:4-9.
12. Welke belangen vloeien voort uit het beginsel dat de ouders tedere genegenheid jegens hun kinderen koesteren?
12 De tedere genegenheid welke ouders jegens hun kinderen koesteren, is eveneens een aan de menselijke natuur eigen zijnde fundamentele gave. Bij hun geboorte kunnen kinderen ook maar niet in het minst in hun behoeften voorzien, doch door de ouderliefde van vader en moeder wordt aan deze zwakheid tegemoet gekomen. Deze belangstelling der ouders en deze zorg voor de jongen is een der sterkste natuurwetten. Door dit belangenveld wordt er van de ouders vereist dat zij bescherming bieden, in voedsel en kleding voorzien, opvoeding en streng onderricht geven en zo nodig voor het welzijn van het kind tuchtiging gebruiken.c Vooral moeders hebben, wanneer zij zich op verstandige en goede wijze op dit belangenveld van hun plichten kwijten, het uiterst druk en bijna altijd hebben zij hun handen er aan vol. Maar ook hieraan zijn zegeningen en vreugden verbonden. — Spr. 17:6.
HET RELIGIEUZE SENTIMENT EN SOCIALE OMGANG
13. Wat verstaat men onder het „religieuze sentiment,” en hoe heeft Satan getracht hiervan misbruik te maken?
13 Het verlangen een ware of vermeende hogere macht te aanbidden, te loven, er naar op te zien of in moeilijkheden er aan om raad te vragen, geeft aanleiding tot nog een reeks natuurlijke belangen die door de Schepper in de mens zijn geplant. „Het religieuze sentiment waardoor wij van nature tot het Opperwezen worden getrokken, is een der eigenschappen welke alleen de mens bezit, en wegens zijn belangrijkheid vervult het de functie van de natuurlijke zedenwet.”d Van het begin af aan heeft Satan gepoogd misbruik te maken van juist deze aan de menselijke natuur eigen zijnde gave doordat hij Adam en Eva er toe bracht zich tot de valse religie te wenden en aldus in opstand te komen tegen hun God. Sedertdien heeft Satan een rijk gevarieerde hoeveelheid verschillende religiën in het leven geroepen om deze religieuze belangstelling en verbeeldingen van de meeste mensen gevangen te nemen. Op deze wijze heeft hij hun geest en toewijding van de ware God afgekeerd. — 1 Kor. 8:5, 6, NW.
14. Hoe heeft een klein groepje mensen dit fundamentele „religieuze sentiment” aangewend?
14 Door alle eeuwen heen is er echter een klein groepje mensen geweest die dit fundamentele „religieuze sentiment” hebben aangewend om tot de ware God te komen en hem actief en getrouw te blijven aanbidden. In deze tijd behoren Jehovah’s getuigen tot dit onbedorven kleine groepje mensen, die niet alleen de bewoners in hun huis opzoeken om hun een nauwkeurige kennis van de bijbel te geven, maar ook doen zij rechtstreeks een beroep op het natuurlijke verlangen van de mensen een hogere macht te vereren, doordat zij er bij hen op aandringen de ware religie te aanvaarden en aldus Jehovah, hun ware God en Schepper, metterdaad te aanbidden (Joh. 4:23, 24, NW). Waar ter aarde de mens ook moge wonen, hij heeft van zijn Schepper een fundamenteel recht ontvangen waardoor hem de religieuze vrijheid wordt geschonken, de waarachtige God Jehovah te dienen en geluk en leven te verwerven, of enige van de vals-religieuze misleidingen van zijn eigen keuze te dienen, hetgeen hun aanhangers leidt tot een toestand waarin zij zich ongelukkig gevoelen, en tot de dood. Thans zeggen Jehovah’s getuigen tot de mensen, evenals Jozua vroeger: ’Kiest heden zelf wie gij zult dienen, hetzij de heidense goden van uw voorvaderen of Jehovah. Maar wat ons betreft, wij zullen Jehovah dienen.’ — Joz. 24:15, NW.
15, 16. (a) Welke belangen vloeien er voort uit ’s mensen natuurlijke verlangen naar „sociale omgang”? (b) Welke invloed hebben deze belangen op Jehovah’s getuigen?
15 De laatste van de zes aan de menselijke natuur eigen zijnde gaven welke zijn individuele menselijke belangen betreffen, is die van „sociale omgang.” „’s Mensen behoefte in gemeenschap te leven, is een der oorspronkelijke natuurwetten waaruit onze plichten en rechten voortvloeien; en de gemeenschap kan dan alleen bestaan wanneer elks rechten geëerbiedigd zullen worden.”e Geen normaal menselijk schepsel zal een kluizenaarsleven willen leiden, geheel afgezonderd. Hij verlangt veeleer juist naar de warme vriendschap en actieve omgang van gelijk gerichte medemensen. Wanneer zulke sociale belangen op heilzame wijze worden ontwikkeld, brengt dit vreugde en tevredenheid mee. Alleen misdadigers en de geestelijk niet-toerekenbaren worden van sociale omgang uitgesloten.
16 In overeenstemming met deze natuurlijke belangen van sociale omgang worden Jehovah’s getuigen nu in een steeds omvangrijker wordende ring van gemeenten bijeenvergaderd en stellen persoonlijk belang in hun broeders en zusters, terwijl zij in 160 verschillende landen een opmerkenswaardige Nieuwe-Wereldmaatschappij vormen. ’Ziet niet alleen uit persoonlijk belang op uw eigen zaken, maar tevens uit persoonlijk belang op de zaken van anderen’ (Fil. 2:4, NW). Alle rechtvaardig gezinde en zachtmoedige mensen worden geholpen in te zien dat het in hun eigen belang, in het belang van hun veiligheid in deze tijd en voor hun toekomstige leven het beste is thans naar de door Jehovah God gestichte Nieuwe-Wereldmaatschappij te vluchten, de ene ware schaapskooi waarover Christus Jezus de herder is. — Joh. 10:14-16, NW.
17, 18. (a) Welke andere individuele belangen bestaan er? (b) Wat dient er mee gedaan te worden en waarom? (c) Hoe dienen wij de belangen van anderen te bezien?
17 Behalve deze door de natuurwet geopenbaarde fundamentele persoonlijke menselijke belangen bestaan er nog talrijke andere, zoals sport, ontspanning, de bioscoop en de schouwburg, fotografie, het er op na houden van motorvoertuigen, reizen, muziek, natuurstudie, het kijken naar de televisie, wedstrijden, de vele wetenschappen, de talrijke kunstuitingen en wanneer de wetenschap en ’s mensen uitvindingen nieuwe belangenterreinen ontsluiten, nog een menigte daaraan toegevoegde dingen. De tijd is echter te kort dat iemand thans persoonlijk al deze belangen zou kunnen nastreven. Een dag telt niet genoeg uren om alles te doen. Een persoon moet dus selectief zijn wanneer hij kiest welke belangen hij wil nastreven, afgezien van die welke de natuur hem oplegt, zoals wij hiervoor hebben onderzocht.
18 Een christen die zich aan God heeft opgedragen, moet vele zogenaamde wereldse belangen opofferen ten einde zijn individuele belangen in evenwicht te doen zijn met de goddelijke en met zijn pas verkregen gemeenschaps(gemeente)belangen, welke in het volgende artikel worden besproken. Een christen doet er verstandig aan alleen de individuele belangen te blijven nastreven welke het door hem opgebouwde verdienstelijke bericht voor het aangezicht van Jehovah God verder aanvullen, opdat hij het gelukkige doel van eeuwig leven in de nieuwe wereld verwezenlijkt zal zien. Elke christen bemoeit zich voor zover het zijn individuele belangen betreft, met zijn eigen zaken en leeft vreedzaam met zijn medechristenen, doordat hij anderen met betrekking tot hun persoonlijke aangelegenheden niet critiseert. Zij houden zich aan Paulus’ raad inzake persoonlijke aangelegenheden: ’Stelt het u ten doel rustig te leven en u met uw eigen zaken te bemoeien.’ — 1 Thess. 4:11, NW.
19. Kan er een verdienstelijk bericht worden opgebouwd waardoor deze oude wereld gered zal worden? Door welk bijbels voorbeeld wordt dit geïllustreerd?
19 Thans leven wij in de tijd waarin Satans oude-wereldmaatschappij volledig tot vernietiging is gedoemd. Geen enkel verdienstelijk bericht dat door afzonderlijk rechtvaardige personen of een groep religieuze hervormers wordt opgebouwd, kan die maatschappij redden. De huidige situatie komt in alle opzichten overeen met die van Sodom en Gomorra. Jehovah zeide tot Abraham dat wanneer hij vijftig rechtvaardige inwoners in Sodom kon vinden, hun verdienstelijke bericht in Gods ogen voldoende waarde zou hebben om de steden van de vlakte met hun goddelozen voor de van God afkomstige vernietiging te sparen. Abraham, die er aan twijfelde of er wel vijftig rechtvaardige personen met een verdienstelijk bericht gevonden konden worden, pleitte er ten slotte bij Jehovah voor niet tot deze daad over te gaan wanneer er maar tien rechtvaardige personen werden aangetroffen. Zelfs die konden niet worden gevonden. — Gen. 18:22-33.
20. Hoe wordt geïllustreerd welke soort van persoonlijke actie thans belangrijk is? Waarom tot zulk een actie overgegaan?
20 Er werden dus engelen naar de rechtvaardige Lot, diens vrouw en hun twee dochters, allen bij elkaar vier personen, gezonden met de waarschuwing als een gezin weg te vluchten en zich in veiligheid te stellen. Alle vier werden afzonderlijk gewaarschuwd en het was in hun eigen belang tot actie over te gaan. Dat deden zij, maar Lots vrouw keerde terug en verloor, omdat zij haar geloof liet verslappen, haar leven. Slechts drie mensen werden dus op grond van een persoonlijk verdienstelijk bericht er mede beloond dat zij uit de vurige vernietiging werden gered (Gen. 19:15-26). Thans waarschuwt God allen die rechtvaardig gezind zijn, in hun eigen belang een nauwkeurige bijbelkennis te verkrijgen, waardoor hun wordt getoond hoe zij uit de thans tot uitroeiing gedoemde Babylonische oude-wereldmaatschappij moeten vluchten. „Gaat uit van haar, mijn volk, indien gij niet met haar in haar zonden wilt delen en geen deel van haar plagen wilt ontvangen.” — Openb. 18:4, NW.
21. Hoe wordt in de Schrift beschreven dat een ieder thans voor zich zelf verantwoordelijk is?
21 Een ieder van ons kan nu persoonlijk de juiste beslissing nemen waardoor hij zich voor het aangezicht van Jehovah God een verdienstelijk bericht als iemand die rechtvaardig is, opbouwt. Nemen wij verkeerde beslissingen, waardoor wij ons disqualificeren, waardoor wij te laken zijn of zondigen, dan zullen wij in Gods ogen de positie van een goddeloze innemen. Merk op hoe in de Schrift de persoonlijke verantwoordelijkheid of toerekenbaarheid wordt beschreven: „De ziel, die zondigt, die zal sterven; de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid des vaders, en de vader zal niet dragen de ongerechtigheid des zoons; de gerechtigheid [de verdienste] des rechtvaardigen zal op hem zijn, en de goddeloosheid [de laakbare handeling] des goddelozen zal op hem zijn. Maar wanneer de goddeloze zich bekeert van al zijn zonden, die hij gedaan heeft, en al Mijn inzettingen onderhoudt, en doet recht en gerechtigheid, hij zal gewisselijk leven, hij zal niet sterven.” — Ezech. 18:20, 21. Zie ook Deuteronomium 24:16; Jeremia 31:29, 30.
[Voetnoten]
a Commentaries on the Laws of England, door Wm. Blackstone, Deel 1, blz. 26.
b Bouviers Law Dictionary, 1934, blz. 671.
c Bouviers Law Dictionary, 1934, blz. 671.
d Bouviers Law Dictionary, 1934, blz. 671.
e Bouviers Law Dictionary, 1934, blz. 671.